Enschede, 26 mei 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Geacht college,
Op 21 april 2026 heeft het College de op 2 april 2026 ingediende vragen van de heer E. Versteeg van Belang van Enschede (corsanummer: 2600011519) beantwoord.
Naar aanleiding van die beantwoording en het mondelinge antwoord van de wethouder Kampman tijdens de raadsvergadering van donderdag 23 april 2026 op vragen van de heer B. Peeters Weem van PRO heeft de fractie van Volt nog de volgende vragen.
Gewijzigde regelgeving: de Participatiewet in balans De vragen van Belang van Enschede hadden betrekking op de regelgeving zoals die tot 1 januari 2026 van toepassing was. Vanaf die datum is deze wet echter op cruciale onderdelen gewijzigd.
In het Staatsblad 2025,312 is de _Participatiewet in balans_ gepubliceerd. Deze wet is per 1 januari 2026 in werking getreden [1] en heeft tot doel de balans tussen bestaanszekerheid, reintegratie en handhaving te verbeteren.
In de toelichting op de noodzaak van deze wet schrijft de wetgever dat door complexiteit, strenge handhaving en beperkte ondersteuning de Participatiewet soms als te hard wordt ervaren. In die wet worden maatregelen geïntroduceerd, die uitvoeringsprofessionals meer ruimte moeten geven om mensen goed te ondersteunen. Vertrouwen en de menselijke maat komen bij de uitvoering centraal te staan. [2] Die wet bestaat uit drie sporen:
- De maatregelen op korte termijn.
1 Staatsblad 2025,313 Besluit van 27 oktober 2025 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Participatiewet in balans en van het Besluit van 30 augustus 2025 tot wijziging van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 in verband met het onderzoek naar de levensvatbaarheids- en vermogenstoets in dat besluit en vanwege de Participatiewet in balans (Stb. 2025, 220) 2 Tweede kamerstuk 36 582 nummer 3: Wijziging van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening en oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het op onderdelen in balans brengen van deze wetten tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving (Participatiewet in balans)
- Fundamentele herziening van de Participatiewet.
- Versterken van de vakkundigheid in de uitvoering.
Wijzigingen in vermogensvaststelling Tot 1 januari 2026 werd bij de toepassing van de vermogenstoets van artikel 34 Participatiewet het vermogen bij aanvang eenmalig vastgesteld en werd bepaald in hoeverre het vermogen gedurende de bijstand nog kan groeien (de vermogensaanwas). Hierbij werd geen rekening gehouden met aanwezige schulden. Dit is vanaf 1 januari 2026 gewijzigd.
Naast deze nieuwe wet zijn er ook nog andere wetten in werking getreden of in de maak die de balans tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving in balans moeten brengen. Het gaat hier om de volgende wetsvoorstellen:
- Wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW
- Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid
Wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW Op grond van het voorgestelde nieuwe artikel 10b van de Wet SUWI wordt aan de colleges van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend proactieve dienstverlening toe te passen, ten behoeve van het versterken van de bestaanszekerheid en participatie, en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van werk en inkomen. [3]
Op 2 april 2026 schreef de minister van Werk en Participatie nog aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 36 799 Nr. 8) dat hij aan de gemeenten “.. _minder financiële ruimte ter beschikking_ _kon stellen voor deze proactieve dienstverlening.”_ Tijdens de raadsvergadering van 23 april kon de wethouder meedelen dat de minister dit voornemen al weer had ingetrokken.
Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid Dit wetsvoorstel wordt binnenkort in de Tweede Kamer behandeld [4] Het is de bedoeling dat met ingang van 1 januari 2027 deze wet in werking treedt. Dit wetsvoorstel heeft als uitgangspunt dat op een fout niet automatisch een boete of maatregel moet volgen. Gemeenten krijgen meer ruimte om af te wegen of een sanctie op zijn plaats is en zo ja, welke sanctie dan evenredig is. Dit brengt Volt tot de volgende drie vragen.
Vraag 1 Proactieve dienstverlening bestaat uit het gevraagd of ongevraagd individueel verstrekken van informatie en advies over relevante uitkeringen of voorzieningen aan burgers en het faciliteren van het doen van een aanvraag om een uitkering.
3 Wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) in verband met het bevorderen van proactieve dienstverlening door het UWV, de SVB en gemeenten (Wet proactieve dienstverlening SZW) Tweede Kamerstuk 36 799 4 Vergaderjaar 2024 – 2025 kamerstuk 36 785 nummer 2 Regels met betrekking tot de handhaving in de sociale zekerheid om meer passend handhaven mogelijk te maken (Wet handhaving sociale zekerheid)
| Col1 | Col2 | Col3 | Col4 | Col5 | Col6 |
|---|---|---|---|---|---|
| u er op deze taak niet wordt e gemeente uitvoering gaat raag zo concreet mogelijk to preekuren of anderszins) raag 2 e wetgever koos tot 1 januari eer globale berekening van he chulden werd als te complex elke maatregelen heeft het omplexiteit om te gaan? raag 3 oe staat het met de voorber ekerheid? | bezuinigd, wil Volt graag va geven aan deze wettelijke ve elichten (bijvoorbeeld via h | n het college w rplichting. uis-aan huisbl | eten op welke wijze aden, tv-spotjes, | eten op welke wijze aden, tv-spotjes, | |
| u er op deze taak niet wordt e gemeente uitvoering gaat raag zo concreet mogelijk to preekuren of anderszins) raag 2 e wetgever koos tot 1 januari eer globale berekening van he chulden werd als te complex elke maatregelen heeft het omplexiteit om te gaan? raag 3 oe staat het met de voorber ekerheid? | 2026 voor het bepalen van he t vermogen. Het berekenen e | t recht op een u in acht neme | itkering voor een van de aanwezige | itkering voor een van de aanwezige | |
| u er op deze taak niet wordt e gemeente uitvoering gaat raag zo concreet mogelijk to preekuren of anderszins) raag 2 e wetgever koos tot 1 januari eer globale berekening van he chulden werd als te complex elke maatregelen heeft het omplexiteit om te gaan? raag 3 oe staat het met de voorber ekerheid? | beschouwd. college dit jaar genomen om | vanaf 1 janua | ri 2026 met die | ri 2026 met die | |
| u er op deze taak niet wordt e gemeente uitvoering gaat raag zo concreet mogelijk to preekuren of anderszins) raag 2 e wetgever koos tot 1 januari eer globale berekening van he chulden werd als te complex elke maatregelen heeft het omplexiteit om te gaan? raag 3 oe staat het met de voorber ekerheid? | eiding op de invoering van d | e Wet handhav | ing sociale | ing sociale | |
| oe gaat het college invulling anctie op zijn plaats is en zo | geven aan de ruimte die ze ja, welke sanctie dan evenr | krijgt om zelf a edig is volgens | f te wegen of een het college? | f te wegen of een het college? | |
| Artikel 35 – Schriftelijke vragen 2. Ieder lid van de raad kan schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester stellen. Onder schriftelijke vragen worden ook verstaan vragen die via e-mail worden ingediend. 3. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. 4. De vragen worden ingediend bij de voorzitter van de Raad. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de Raad en van het College of de burgemeester worden gebracht. 5. Beantwoording vindt schriftelijk of via e-mail plaats, zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen drie weken na ontvangst van de vragen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt de gemeentesecretaris de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 6. Antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van het college of door de burgemeester aan de griffie gezonden, die ze terstond aan de leden van de Raad toezendt. 7. De vragensteller kan in de eerstvolgende vergadering van de raad na de behandeling van de agendapunten nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester gegeven antwoord, tenzij de Raad anders beslist. | Artikel 35 – Schriftelijke vr 2. Ieder lid van de raad k Onder schriftelijke vrag 3. Schriftelijke vragen wo toelichting worden voo | gen | |||
| Artikel 35 – Schriftelijke vragen 2. Ieder lid van de raad kan schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester stellen. Onder schriftelijke vragen worden ook verstaan vragen die via e-mail worden ingediend. 3. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. 4. De vragen worden ingediend bij de voorzitter van de Raad. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de Raad en van het College of de burgemeester worden gebracht. 5. Beantwoording vindt schriftelijk of via e-mail plaats, zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen drie weken na ontvangst van de vragen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt de gemeentesecretaris de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 6. Antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van het college of door de burgemeester aan de griffie gezonden, die ze terstond aan de leden van de Raad toezendt. 7. De vragensteller kan in de eerstvolgende vergadering van de raad na de behandeling van de agendapunten nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester gegeven antwoord, tenzij de Raad anders beslist. | Artikel 35 – Schriftelijke vr 2. Ieder lid van de raad k Onder schriftelijke vrag 3. Schriftelijke vragen wo toelichting worden voo | an schriftelijke vragen aan het colle en worden ook verstaan vragen di rden kort en duidelijk geformuleerd rzien. | ge of de burgeme e via e-mail word . De vragen kunn | ester stellen. en ingediend. en van een |
| 4. De vragen worden ingediend bij de voorzitter van de Raad. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de Raad en van het College | Col2 |
|---|---|
| vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de Raad en van het College of de burgemeester worden gebracht. | |
| 5. Beantwoording vindt schriftelijk of via e-mail plaats, zo spoedig mogelijk doch in ieder geval | |
| binnen drie weken na ontvangst van de vragen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn | |
| kan plaatsvinden, stelt de gemeentesecretaris de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, | |
| waarbij de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. | |
| 6. Antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van het college of door de burgemeester aan | |
| de griffie gezonden, die ze terstond aan de leden van de Raad toezendt. | |
| 7. De vragensteller kan in de eerstvolgende vergadering van de raad na de behandeling van de | |
| agendapunten nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester | |
| gegeven antwoord, tenzij de Raad anders beslist. |