Leiderdorp, 13 juli 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Nota van Beantwoording Verordening Jeugdhulp gemeente Leiderdorp 2026 Inleiding Voor u ligt de Nota van beantwoording behorende bij de inspraak op de Verordening Jeugdhulp gemeente Leiderdorp 2026 voor de Leidse regio. Deze nota bevat een overzicht van de ontvangen inspraakreacties van verschillende organisaties, adviesraden en betrokken partijen, evenals de overwegingen van het college en de eventuele aanpassingen die naar aanleiding hiervan in de verordening zijn doorgevoerd. Met het bieden van inspraak is beoogd om belanghebbenden en deskundigen actief te betrekken bij de totstandkoming van de verordening. De ontvangen reacties hebben waardevolle inzichten opgeleverd over de uitvoerbaarheid, duidelijkheid en toepassing van de voorgestelde bepalingen. In deze nota wordt per reactie weergegeven hoe deze is beoordeeld en in hoeverre dit heeft geleid tot aanpassing van de verordening. Uitgangspunt bij de beoordeling van de inspraakreacties is geweest om te komen tot een juridisch houdbare, uitvoerbare en voor inwoners begrijpelijke verordening, die aansluit bij de kaders van de Jeugdwet, landelijke ontwikkelingen en de regionale ambities binnen de jeugdhulp.
Reacties op inspraak Verordening Jeugdhulp 2026 Leidse regio Gezamenlijke uitvraag Stichting jeugdteams Leidse regio Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Artikel 1.1. Bij punt 7 wordt Informele hulp (pgb) uitgelegd. Wat wordt bedoeld met hulp door personen uit het sociaal netwerk. Hoe moeten we sociaal netwerk interpreteren. Sociaal netwerk werd in de vorige verordening als begrip uitgelegd. De begripsbepaling 'sociaal netwerk’ is inderdaad niet opgenomen in artikel 1.1.
De begripsbepaling 'sociaal netwerk’ uit de Verordening 2022 wordt toegevoegd aan artikel 1.1 Begripsbepalingen.
Artikel 1.1. Bij artikel 7.2 1f staat: bij informele hulp: welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; Vraag wat wordt bedoeld met sociale netwerk?
Het begrip sociaal netwerk wordt toegevoegd aan artikel 1.1.
De begripsbepaling 'sociaal netwerk’ uit de Verordening 2022 wordt toegevoegd aan artikel 1.1 Begripsbepalingen.
Artikel 2.4 Dyslexiezorg. Wie is hier qua vergoeding nu verantwoordelijk voor? School of Jeugdwet? In de nadere regels van nu staat dat EED altijd via het onderwijs geschiedt maar dit lees ik hier nu niet in terug. In artikel 2.4.2b staat opgenomen dat inzet volgordelijk is. Verdere verduidelijking hiervan zal meegenomen worden in het opstellen van de nadere regels.
Artikel 3.3 Dit houdt dus in dat er wanneer er ZIN in kan worden gezet, dat we geen pgb mogen afgeven? De opmerking heeft betrekking op artikel 2.1.3. Dit houdt in dat er geen zorg ingezet kan worden bij een niet-gecontracteerde aanbieder als deze zorg
ook via een gecontracteerde aanbieder geleverd kan worden. Er kan PGB afgegeven worden wanneer dit passend is zoals omschreven in hoofdstuk 7.
Artikel 4.1 3d Er wordt gesproken over een familiegroepsplan. Wat houdt dit precies in? In hoeverre moeten we hiermee gaan werken? Het begrip Familiegroepsplan is opgenomen in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Daarom is dit begrip niet opgenomen bij de begripsbepalingen in de Verordening. In de aanhef van het artikel zal worden toegelicht dat de vermelde begripsbepalingen aanvullend zijn op de begripsbepalingen zoals opgenomen in de Jeugdwet. In lijn met artikel 4.1.2 van de Jeugdwet moeten gezinnen eerst de mogelijkheid krijgen om een familiegroepsplan op te stellen voor de aanvang van de jeugdhulp.
Als aanhef bij artikel 1.1 wordt toegevoegd: In deze verordening wordt, aanvullend op artikel 1.1 van de Jeugdwet, verstaan onder: Artikel 4.2 1b. Wat wordt er bedoeld met persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige? Persoonskenmerken zijn stabiele eigenschappen van de jeugdige of diens omgeving (bijvoorbeeld migratieachtergrond, leeftijd, samenstelling huishouden) die invloed kunnen hebben op de mate waarin ondersteuning passend is voor deze specifieke jeugdige en/of dit gezin. Met voorkeuren van de jeugdige worden voorkeuren/keuzes bedoeld die van invloed kunnen zijn op de passendheid van in te zetten ondersteuning.
Artikel 5.2. 1 Hier wordt gesproken over gebruikelijke hulp. Hoe wordt getoetst wat gebruikelijk is? In hetzelfde hoofdstuk wordt gesproken over inzet van sociaal netwerk pgb uitgevoerd door ouders. Echter als er sprake is van overbelasting dan mag dit niet worden ingezet. Indien er geen sprake is van overbelasting, dan valt het onder eigen kracht. Wanneer is het dan wel mogelijk om dit in te zetten? Ook de ondersteuning van het sociale netwerk valt onder eigen kracht, dus wanneer zou je ook hiervoor wel een pgb in kunnen zetten? Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: de zorg en ondersteuning die ouders in redelijkheid geacht worden te bieden aan een kind van een bepaalde leeftijd en in een bepaalde ontwikkelingsfase. Wanneer de benodigde zorg echter duidelijk uitstijgt boven wat in deze context als normaal kan worden beschouwd - bijvoorbeeld doordat deze zwaarder, intensiever, langduriger of complexer is - kan dit aanleiding zijn om een pgb te overwegen. Bij de beoordeling hiervan is een zorgvuldige, inhoudelijke afweging van belang. Daarbij dient rekening te worden gehouden met onder meer: - de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind; - de aard, frequentie en intensiteit van de benodigde ondersteuning; - de duur van de situatie; - de belastbaarheid van de ouders; - de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind. Daarnaast zijn de richtlijnen van de VNG met betrekking tot gebruikelijke hulp en relevante jurisprudentie richtinggevend voor deze beoordeling. (Ingevoegd als bijlage Verordeningsdocument).
Artikel 5.2 9b typefout. Ziet moet zit zijn. De formulering “ziet op” is juridisch correct en betekent “heeft betrekking op” . Er is daarmee geen sprake van een typefout. Wij passen de tekst op dit punt niet aan.
Hoofdstuk 7 Welke concrete toetsingscriteria gelden er bij de vaststelling van de omvang van de in te zetten uren (hulp)? → In de praktijk blijkt namelijk dat het bepalen en onderbouwen van uren leidt tot verschillen in beoordeling en onenigheid met ouders welke tot bezwaar kunnen leiden. De omvang van de in te zetten hulp wordt niet vastgesteld op basis van vaste urennormen, maar op basis van een inhoudelijke beoordeling van de individuele situatie. Bij het bepalen van de omvang wordt in samenhang gekeken naar onder andere: - de aard en ernst van de problematiek; - de ontwikkelbehoefte en veiligheid van de jeugdige; - de doelen en beoogde resultaten van de ondersteuning; - de benodigde intensiteit en frequentie om deze resultaten te behalen; - de mogelijkheden van ouders, sociaal netwerk en voorliggende voorzieningen. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de verordening, onder andere in de artikelen over onderzoek, criteria voor individuele voorzieningen en duur en intensiteit van hulp. Wij herkennen dat dit in de praktijk kan leiden tot verschillen in beoordeling. Tegelijk biedt deze werkwijze de noodzakelijke ruimte voor maatwerk, passend bij de diversiteit van hulpvragen. De onderbouwing van de omvang wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan en de beschikking, zodat deze navolgbaar en toetsbaar is.
Artikel 7.1 2. “Een pgb wordt uitsluitend verstrekt indien de jeugdige of ouder(s) aannemelijk maken dat: De Jeugdwet biedt ouders en jeugdigen de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb. Deze keuzevrijheid is echter niet onbegrensd. Een pgb wordt verstrekt als aan de wettelijke voorwaarden is
a. zorg in natura niet passend of toereikend is” → Dit kan in de praktijk de indruk wekken dat een pgb alleen mogelijk is wanneer zorg in natura aantoonbaar niet passend is. Kan worden verduidelijkt hoe deze afweging zich verhoudt tot de keuzevrijheid van ouders binnen de Jeugdwet? voldaan, waaronder dat zorg in natura in de specifieke situatie niet passend of toereikend is. Met de formulering in artikel 7.1 wordt aangesloten bij dit wettelijk kader. Dit betekent niet dat een pgb alleen in uitzonderingssituaties mogelijk is of dat eerst moet worden “aangetoond” dat zorg in natura tekortschiet. Het gaat erom dat ouders onderbouwen waarom zorg in natura in hun situatie niet passend is, bijvoorbeeld vanwege behoefte aan continuïteit, flexibiliteit of aansluiting bij de persoonlijke situatie van het gezin. Het college maakt vervolgens een zorgvuldige afweging op basis van de individuele omstandigheden, waarbij ruimte is voor deze motivering. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen. Artikel 7.1 2g Hier wordt gesproken over dat vervoer voor de zorgverlener niet kan worden vergoed. Hoe zit het met het vervoer van de cliënt naar de jeugdhulporganisatie wanneer de hulp wordt vergoed vanuit pgb?
Het vervoer van de cliënt wordt zelfstandig beoordeeld op basis van de criteria uit artikel 5.5 (Vervoer) van deze verordening en staat los van het persoonsgebonden budget zelf.
Artikel 7.2.5. Staat dat voor informele hulp er alleen een pgb wordt verstrekt als de individuele voorziening betrekking heeft op dagbesteding, begeleiding individueel of begeleiding groep. Bij artikel 7.6 punt 4 staat: Voor logeeropvang door een persoon uit het sociaal netwerk geldt een pgb overeenkomstig artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. Ja, logeeropvang kan worden geboden door iemand uit het sociaal netwerk (informele hulp). Artikel 7.2, vijfde lid, onder a bepaalt dat voor informele hulp uitsluitend een pgb wordt verstrekt wanneer de individuele voorziening betrekking heeft op dagbesteding, dit is inclusief respijtzorg. De term
Vraag: kan logeeropvang nu wel of niet vanuit het sociaal netwerk (informele hulp). respijtzorg is daarbij een verzamelbegrip en behelst onder andere logeeropvang. Artikel 7.6, punt 4 sluit hierop aan door te bepalen dat wanneer logeeropvang (als vorm van respijtzorg) wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, dit kan plaatsvinden via een pgb overeenkomstig artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De genoemde artikelen zijn daarmee consistent. Artikel 8.1c.ii Wat wordt er bedoeld met: bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de wet. Met deze bepaling wordt bedoeld dat wanneer een jeugdige na zijn 18e jaar gebruikmaakt van verlengde jeugdhulp met verblijf, de (individuele) begeleiding die onderdeel uitmaakt van dit verblijf onder de Jeugdwet blijft vallen. De begeleiding wordt in dat geval niet los gezien van het verblijf, maar maakt integraal onderdeel uit van het geboden hulpaanbod en de daarbij behorende bekostiging. Dit betekent dat deze begeleiding niet afzonderlijk wordt overgeheveld naar of bekostigd wordt vanuit de Wmo. Deze bepaling voorkomt dat binnen één verblijfstraject een splitsing ontstaat tussen verschillende wettelijke kaders en financieringsstromen, en draagt bij aan de continuïteit en samenhang van de geboden hulp.
Artikel 8.5 1. en 2. Hierin staat 2x hetzelfde: “Afspraken over afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en Dubbele zin verwijderd.
ondersteuning tijdens onderwijs worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of ouder(s)” . Artikel 12. 1 en 3 Hoe ziet deze evaluatie eruit? Gemeenten evalueren verordeningen door te beoordelen of de beoogde doelen worden bereikt en hoe de regeling in de praktijk uitpakt voor inwoners en uitvoerders. Daarbij wordt gekeken naar effectiviteit, doelmatigheid, uitvoerbaarheid en aansluiting op hogere wetgeving zoals de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, evenals relevante jurisprudentie. Op basis hiervan worden knelpunten en verbeterpunten vastgesteld en vertaald naar concrete aanpassingen.
Per Saldo Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Artikel 1.1 Begripsbepalingen 7 informele hulp pgb staat hulp door personen uit het sociaal netwerk. Betekent dit dat andere zorgverleners die bijvoorbeeld met een arbeidsovereenkomst of zzp overeenkomst werken altijd als formeel en beroepsmatig gezien wordt en hiervoor een passend professioneel tarief ontvangen? We missen de uitleg over het familiegroepsplan. In artikel 7.4.2 staat toegelicht wat wel en niet onder informele hulp valt. De begripsbepaling ‘Informele hulp’ in artikel 1.1 is aangevuld. Het familiegroepsplan is een wettelijk recht op grond van de Jeugdwet. Ouders en jeugdigen kunnen zelf een plan opstellen waarin zij aangeven hoe zij de ondersteuning willen vormgeven, al dan niet met inzet van hun netwerk. De rol en het gebruik van het familiegroepsplan komen in de verordening terug bij het onderzoek en de aanvraagprocedure. Het plan wordt, indien aanwezig, betrokken bij de beoordeling van de hulpvraag en de in te zetten ondersteuning. Wij achten het daarom niet nodig om dit afzonderlijk verder uit te werken in de verordening. Artikel 2.1 Algemene voorzieningen 1 Hier wordt aangegeven dat er een beperkte toegangsbeoordeling gedaan mag worden Een algemene voorziening moet toch voor iedere inwoner toegankelijk zijn, een onderzoek doen om een toegangsbeoordeling te kunnen doen maakt de voorziening toch een maatwerk voorziening? Binnen de gemeenten worden verschillende algemene voorzieningen geboden. Deze voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. Echter afhankelijk van de voorziening kan het wenselijk zijn om een beperkte toegangsbeoordeling te doen, denk hierbij o.a. aan de beoordeling van de school bij jeugdhulp op school.
Artikel 2.1 Algemene voorzieningen 2 We missen hier in de opsomming de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van onafhankelijke clientondersteuning geregeld vanuit de Wmo? Onafhankelijke clientondersteuning is opgenomen in artikel 2.1 Algemene voorzieningen. Artikel 2.3 Individuele voorzieningen 2 Wij missen hier de mogelijkheid voor logeeropvang/ tijdelijk verblijf (ook als respijtzorg) Bij begeleiding individueel (op school) betekent dit individuele begeleiding en ook individuele begeleiding op school? Logeeropvang, tijdelijk verblijf en respijtzorg kunnen, afhankelijk van de aard en intensiteit van de hulp, onderdeel zijn van verschillende vormen van jeugdhulp. In artikel 2.3 zijn deze niet afzonderlijk benoemd, omdat zij in de praktijk onder meerdere voorzieningen kunnen vallen. Logeeropvang kan onderdeel zijn van jeugdhulp met verblijf (segment Wonen), maar kan ook worden ingezet als vorm van respijtzorg binnen dagbesteding. De beoordeling hiervan vindt plaats op basis van de individuele situatie. Ten aanzien van begeleiding individueel (op school): hiermee wordt bedoeld dat individuele begeleiding zowel in de thuissituatie als op school kan worden ingezet, indien dit noodzakelijk is om de doelen van de jeugdhulp te bereiken. Het gaat hierbij om begeleiding van de jeugdige en niet om ondersteuning die primair gericht is op het onderwijsproces.
Artikel 2.3 Individuele voorzieningen 5 Geen vergoeding individuele begeleiding bij sport, is dit voor kinderen met een beperking geen onderdeel van participatie (meedoen) en vanuit het VN verdrag Begeleiding bij sport wordt in de basis niet als jeugdhulp aangemerkt, omdat sport wordt gezien als reguliere vrijetijdsbesteding. De Jeugdwet is bedoeld voor ondersteuning die noodzakelijk is in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen.
Handicap essentieel omdat ondersteuning nodig is om te kunnen participeren? Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat geen recht bestaat op een specifieke activiteit, maar op passende en noodzakelijke ondersteuning. Dit betekent dat begeleiding bij sport alleen onder jeugdhulp kan vallen wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk is vanwege de beperkingen van de jeugdige en niet op een andere manier kan worden gerealiseerd. Het VN-verdrag Handicap onderstreept het belang van participatie. Dit wordt in de beoordeling betrokken, maar leidt niet tot een zelfstandig recht op vergoeding van specifieke activiteiten zoals sport. In de verordening is daarom gekozen voor een afbakening, waarbij in individuele gevallen ruimte blijft om te beoordelen of ondersteuning noodzakelijk is. '
Artikel 5.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.b Bieden van bovengebruikelijk hulp mag niet leiden tot financiële problemen in het gezin Er mag toch geen inkomenstoets gedaan worden, hoe wordt dit dan bepaald? Teruggang in inkomen als je minder gaat werken om voor je kind te gaan zorgen heeft altijd nadelige financiële gevolgen en kan opgevangen worden als er een keuze wordt gemaakt om de ondersteuning te vergoeden vanuit een pgb Het klopt dat het jeugdteam geen inkomenstoets mag uitvoeren, maar zij moeten wél meewegen of de inzet van ouders (inclusief eventuele inkomensgevolgen) nog redelijk is. Als de financiële impact onderdeel is van een bredere overbelasting of disproportionele vraag, is dat juist een argument vóór inzet van een individuele voorziening. Daarnaast zijn de richtlijnen van de VNG met betrekking tot gebruikelijke hulp en relevante jurisprudentie richtinggevend voor deze beoordeling.
(indien er sprake is van een bewuste keuze en bij voldoende pgb vaardigheden) ook onder 7h. Art 7.1 4a college kan een pgb weigeren als passende hulp in natura beschikbaar is Tenzij de budgethouder (vertegenwoordiger) aangeeft dat naturazorg in zijn/haar situatie niet passend/toereikend is. De voorgestelde toevoeging achten wij niet noodzakelijk. In artikel 7.1 is al opgenomen dat een pgb wordt verstrekt als de jeugdige of ouder(s) aannemelijk maken dat zorg in natura niet passend of toereikend is. Daarmee is geborgd dat de aanvrager motiveert waarom een pgb in de specifieke situatie gewenst is. De weigeringsgrond dat een pgb kan worden geweigerd als passende hulp in natura beschikbaar is, sluit hierop aan en betreft de beoordeling door het college. Met de huidige formulering is dit naar ons oordeel voldoende geregeld. De voorgestelde aanvulling zou dit niet wezenlijk verduidelijken en kan de indruk wekken dat een enkele mededeling van de aanvrager voldoende is, terwijl het gaat om een onderbouwde afweging. Daarom passen wij de verordening op dit punt niet aan.
Art 7.1 4c Hoe wordt beoordeeld of er risico bestaat op een belangenconflict of afhankelijkheid, bij een hulpverleningstraject is bijna altijd sprake van afhankelijkheid als dit gezien wordt in het verkrijgen van noodzakelijke ondersteuning. De afhankelijkheid die u noemt, in de zin van het ontvangen van noodzakelijke ondersteuning, is inherent aan jeugdhulp en vormt op zichzelf geen reden om een pgb te weigeren. Met “risico op belangenconflict of afhankelijkheid” wordt gedoeld op situaties waarin sprake kan zijn van een ongewenste of onveilige afhankelijkheidsrelatie, bijvoorbeeld bij inzet van hulp vanuit het sociaal netwerk, waarbij persoonlijke, financiële en zorgrelaties door elkaar lopen. In dergelijke gevallen kan er risico ontstaan op
druk, beïnvloeding, overbelasting of onvoldoende professionele distantie. Het college beoordeelt dit altijd in samenhang met de individuele situatie, waarbij onder andere wordt gekeken naar veiligheid, positie van de jeugdige, rolverdeling en de mogelijkheid om grenzen te stellen en de kwaliteit van de hulp te waarborgen. Dit sluit aan bij de aanvullende toetsing bij inzet vanuit het sociaal netwerk. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen. Art 7.1 4e pgb vaardigheid van vertegenwoordiger onvoldoende is en geen mogelijkheid gezien wordt om de vaardigheid te verbeteren door toerusting (ook bij 7.2 2b). De beoordeling van de pgb-vaardigheid is in de verordening in samenhang geregeld in artikel 7.1, 7.2 en 7.3. Artikel 7.1 lid 4 onder e bevat de weigeringsgrond dat een pgb kan worden geweigerd indien de pgb- vaardigheid onvoldoende is. In artikel 7.2 en 7.3 is uitgewerkt hoe deze beoordeling plaatsvindt. Daarbij wordt betrokken of de budgethouder, al dan niet met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer, in staat is om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen. Daarmee wordt ook meegewogen of ondersteuning of toerusting kan bijdragen aan het versterken van de pgb-vaardigheid. Als dat niet toereikend is, kan het college tot het oordeel komen dat de pgb- vaardigheid onvoldoende is. De voorgestelde aanvulling achten wij daarom niet nodig en nemen wij niet over.
Art 7.2 aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1a in pgb plan gemotiveerde toelichting waaruit blijkt dat naturazorg niet passend is, volgens de wet hoeft dit niet uitgebreid gemotiveerd toegelicht te worden er kan al sprake van zijn dat het belangrijk is dat de ondersteuning geboden wordt door een vast vertrouwd persoon of als er flexibele inzet nodig is waarbij vooral niet altijd vastgesteld kan worden wanneer de ondersteuning ingezet moet worden of vanwege cultuur sensitieve (geloofsovertuiging) redenen. In artikel 7.2 is opgenomen dat in het pgb-plan een gemotiveerde toelichting wordt gegeven waarom zorg in natura niet passend is. Hiermee wordt aangesloten bij de wettelijke voorwaarde dat een pgb alleen wordt verstrekt als zorg in natura in de individuele situatie niet passend of toereikend is. De verordening schrijft niet voor dat deze toelichting uitgebreid moet zijn. Het gaat erom dat de jeugdige of ouder(s) inzichtelijk maken waarom zorg in natura in hun situatie niet passend is, zodat het college dit kan beoordelen. De door u genoemde voorbeelden, zoals de wens voor een vast en vertrouwd persoon, behoefte aan flexibiliteit of cultuur- en geloofsgerelateerde overwegingen, kunnen daarbij relevante redenen zijn. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen.
Art7.2 5b zie uitleg bij art 7.4 onderscheid formeel en informeel waar de norm verantwoorde werktoedeling (onderdeel SKJ) gevolgd moet worden om te bepalen of een SKJ registratie noodzakelijk is
In artikel 7.4 is opgenomen dat formele hulp wordt geleverd door professionals die beschikken over passende kwalificaties, waaronder - indien van toepassing - registratie op grond van de Wet BIG of het Besluit Jeugdwet. Dit betekent niet dat in alle gevallen een SKJ- registratie verplicht is. Ook professionals zonder SKJ- registratie kunnen jeugdhulp verlenen, mits zij beschikken over de benodigde deskundigheid en de inzet van deze professional passend en verantwoord is in de specifieke situatie. Bij de beoordeling of inzet van een geregistreerde professional noodzakelijk is, sluit het college aan bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet, waarin is
bepaald dat jeugdhulp moet worden uitgevoerd door een professional met passende deskundigheid. Dit wordt in de praktijk ingevuld via de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij zijn van oordeel dat dit binnen de huidige formulering voldoende is geborgd en zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. Artikel 7.3 pgb vaardigheid Punt 2.b.8 Is het zo dat de vertegenwoordiger ook een VOG moet overleggen? Op basis waarvan wordt dit noodzakelijk geacht en worden naasten (wettelijk vertegenwoordiger) van de budgethouder hiervan uitgesloten? Artikel 7.3 lid 2 onder b sub 8 betekent niet dat een vertegenwoordiger standaard een VOG moet overleggen. Het college beoordeelt per situatie of dit nodig is om de betrouwbaarheid en het verantwoord beheer van het pgb te kunnen vaststellen. Voor naasten, zoals ouders of wettelijk vertegenwoordigers, wordt hier terughoudend mee omgegaan. Zij zijn niet uitgesloten, maar een VOG wordt alleen gevraagd als daar aanleiding voor is. De bepaling sluit aan bij de VNG-modelverordening.
Artikel 7.4 formele en informele hulp Punt 1 hier wordt verplicht gesteld dat een formele zorgverlener altijd ingeschreven moet zijn in het kwaliteitsregister jeugd. Dit is onjuist.Een grote groep afgestudeerde professionals wordt hierdoor tekort gedaan omdat de studie die zij hebben gevolgd geen mogelijkheid geeft tot inschrijving in het SKJ register ( alle MBO afgestudeerde professionals sociaal pedagogisch en maatschappelijk werk juist opgeleid om kinderen te ondersteunen bij dagelijkse levensverrichtingen en inslijten van vaardigheden op alle levensgebieden, Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ-registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen.
maar bijvoorbeeld ook leraren afgestudeerd aan de PABO). De norm verantwoorde werktoedeling (gekoppeld aan het SKJ register) zegt: “Ook professionals zonder SKJ-registratie mogen taken uitvoeren binnen het jeugddomein. De SKJ- registratie is voor veel taken niet nodig. In het Kwaliteitskader Jeugd staat wanneer een geregistreerde professional verplicht is en wanneer niet. ” https://skjeugd.nl/wp- content/uploads/2017/12/Afwegingskader-norm- verantwoorde-werktoedeling.pdf
Artikel 7.4 formele en informele hulp Punt 2b wijkt duidelijk af van de begripsbepaling in artikel 1.1 waarin staat beschreven dat het personen betreft uit het sociaal netwerk. Zie hierboven de uitleg m.b.t norm verantwoorde werktoedeling waarmee rekening gehouden dient te worden of er sprake is van formele hulp. Ook MBO afgestudeerde personen moeten als professional beoordeeld moeten worden. Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ-registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen.
Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb 1a VOG ouders terecht uitgesloten voor deze eis maar zou dit niet uitgebreid moeten worden naar familierelaties 1e en 2e graads of als ze onderdeel zijn van het huishouden? De uitzondering voor ouders sluit aan bij de begripsbepaling van ‘Ouder’ in de Jeugdwet, waarin dit begrip breed is gedefinieerd en ook ziet op personen die een jeugdige verzorgen en opvoeden. Daarnaast wordt in de verordening rekening gehouden met het sociaal netwerk en de leefeenheid
van de jeugdige. Daarmee worden ook naasten in de directe omgeving betrokken in de beoordeling. Wij achten het daarom niet nodig om dit verder uit te breiden naar specifieke familierelaties of huisgenoten en passen de verordening op dit punt niet aan. Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb 1d voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren, zou hier niet aan toegevoegd moeten worden voldoende vaardig om in de Nederlandse of in de taal die de budgethouder spreek voldoende vaardig te zijn. We leven in een multiculturele samenleving waarbij aanbod niet altijd passend is als er sprake is van cultuursensitieve zorgvragen en er gekozen wordt eigen zorgverleners in te zetten die dit wel leveren. De eis dat de hulpverlener voldoende vaardig moet zijn in de Nederlandse taal is opgenomen om te waarborgen dat afstemming met het college en andere betrokken professionals, dossiervorming en toezicht op een zorgvuldige en controleerbare manier kunnen plaatsvinden. Wij onderkennen dat taal en cultuur een belangrijke rol kunnen spelen in het bieden van passende hulp. Binnen de beoordeling van een pgb wordt hier ook rekening mee gehouden, bijvoorbeeld bij de keuze voor een hulpverlener die aansluit bij de achtergrond en behoeften van de jeugdige en het gezin. Een aanpassing van de taaleis achten wij echter niet wenselijk, omdat dit de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van de hulp kan beperken. Als college moeten wij in staat zijn om onze verantwoordelijkheid voor toezicht goed uit te kunnen oefenen. Daarom passen wij de verordening op dit punt niet aan.
Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb 2a zie eerdere opmerking Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ-registratie jeugdhulp kunnen verlenen,
mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb 3 ook hier wordt weer onterecht de niet geregistreerde zorgverlener als informeel weggezet. Hier wordt nu wel de norm verantwoorde werktoedeling benoemd maar MBO afgestudeerde zorgverleners zijn ook formele zorgverleners die hun beroep zelfstandig mogen uitoefenen als er geen levensbedreigende of zeer complexe problematiek op meerdere aspecten speelt. Als dit laatste van toepassing is dan is inzet SKJ geregistreerde zorgverlener wel nodig. Zie link naar norm verantwoorde werktoedeling bij 7.4. Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ-registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen.
Artikel 7.6 Hoogte pgb 1 tarief dient altijd toereikend te zijn Het uitgangspunt dat een pgb-tarief toereikend moet zijn, onderschrijven wij. In artikel 7.6 is dit al geborgd. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van de noodzakelijke hulp en een doelmatige besteding van middelen. Daarnaast is bepaald dat het budget toereikend moet zijn om te voldoen aan de bij wet verplichte werkgeverslasten. Voor het sociaal netwerk geldt minimaal het wettelijk minimumloon. Daarmee sluit de verordening aan bij de geldende jurisprudentie en landelijke ontwikkelingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsmatige zorgverleners en het sociaal netwerk.
Tegelijk blijft maatwerk mogelijk. Het college beoordeelt per situatie of het toegekende budget passend en toereikend is en kan waar nodig afwijken, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. Artikel 7.6 Hoogte pgb 2 Bij minimumloon moet rekening gehouden worden met opslag vakantiegeld 8% en opslag vakantie uren 14,4% (deze worden bij pgb niet seperaat geregeld en tarief moet inclusief zijn). Het Wml wordt jaarlijks 2x aangepast (1 januari en 1 juli). Je mag immers nooit onder het Wml uitkomen. Voor personen met een arbeidsovereenkomst zal ten minste de laagste inschaling van het CAO gevolgd moeten worden met opslag vakantiegeld 8%, opslag vakantie uren 14,4% en opslag werkgeverslasten (17,7 of 22,7%)
In artikel 7.6 lid 5 is opgenomen dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de budgethouder binnen het beschikbare budget kan voldoen aan de bij wet verplichte werkgeverslasten. Hieronder vallen onder andere vakantiegeld, verlofopbouw en sociale lasten. Het wettelijk minimumloon en de periodieke aanpassingen daarvan gelden rechtstreeks en worden in de uitvoering gevolgd. De hoogte van het pgb wordt hierop afgestemd, zodat niet onder het wettelijk minimum wordt uitgekomen. Voor een pgb geldt niet dat automatisch een CAO van toepassing is. Daarom nemen wij dit niet als generieke eis op in de verordening. Wij achten dit met de huidige formulering voldoende geborgd en passen de verordening op dit punt niet aan.
Eigen Kracht Centrale Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Wij adviseren de gemeente Leiden om in de definitieve verordening of nadere regels: - Expliciet op te nemen dat Jeugdigen en ouders actief worden gewezen op hun recht om een familiegroepsplan op te stellen. Dit staat in de verordening genoemd onder artikel 4.1.3.d. “Het college wijst de jeugdige of ouder in de ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op: de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen binnen twee weken na de aanvraag. ”
- Te borgen dat dit plan in een vroeg stadium van het onderzoek kan worden opgesteld voor besluitvorming over individuele voorzieningen. Dit staat in de verordening genoemd onder artikel 4.1.3.d. “Het college wijst de jeugdige of ouder in de ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op: de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te
stellen binnen twee weken na de aanvraag. ” - Vast te leggen dat passende onafhankelijke ondersteuning beschikbaar is bij het opstellen van een familiegroepsplan Onafhankelijke clientondersteuning is naar aanleiding van de inspraak expliciet opgenomen als beschikbare algemene voorzieningen (artikel 2.1.2). Deze inzet kan ook ondersteuning bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan. Onafhankelijke clientondersteuning is opgenomen in artikel 2.1.2 Algemene voorzieningen. - Te expliciteren hoe het familiegroepsplan wordt meegewogen in besluitvorming In artikel 4.2.3 wordt geborgd dat het familiegroepsplan onderdeel is van het onderzoek. Het onderzoek vormt de basis voor de inzet van ondersteuning vanuit de toegang jeugdhulp vanuit de gemeente. Hiermee is de weging van het familiegroepsplan in de ondersteuning geborgd in lijn met de jeugdwet.
Leiderdorp Adviesraad Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening 1.De adviesraad constateert dat de beschrijving behoorlijk uitgebreid is. Dit maakt het geheel wat onleesbaar, zeker voor inwoners en niet professionals. Een gevolg hiervan is dat het voor inwoners lastig kan zijn om te achterhalen wat hun rechten en plichten zijn. Daarbij wordt er niet bij ieder artikel nadere uitleg gegeven. Een suggestie is om tekst met nadere uitleg te verwerken in de Nadere Regels Jeugdhulp met een verwijzing naar het betreffende artikel in de Verordening. Hierdoor wordt de basistekst van de Verordening korter en dus leesbaarder. De verordening is inderdaad uitgebreid, onder meer doordat bepaalde onderdelen - zoals de regeling rondom het PGB - wettelijk verplicht in de verordening moeten worden opgenomen. Deze onderdelen kunnen niet worden verplaatst naar de nadere regels. Bij het opstellen van de verordening hebben wij ons gehouden aan de geldende wettelijke kaders. Tegelijkertijd begrijpen wij de zorg over de leesbaarheid en toegankelijkheid voor inwoners. Het is echter niet de bedoeling om via de Nadere regels Jeugdhulp aanvullende inhoudelijke verduidelijkingen of uitleg toe te voegen aan de verordening. De Nadere regels zullen wel worden opgesteld binnen hun eigen juridische reikwijdte, maar niet als middel om de verordening inhoudelijk te vereenvoudigen of te herschrijven.
2.Een aantal begrippen worden niet in het artikel begripsbepaling toegelicht. Bijvoorbeeld wat wordt bedoeld met: -Gecertificeerde instelling In artikel 1.1 worden alleen begrippen vermeld die niet zijn opgenomen in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De begrippen Gecertificeerde instelling en Familiegroepsplan worden toegelicht in de Jeugdwet.
-Familiegroepsplan -Arrangeringsprocessen Mogelijk kan hier nog eens naar gekeken en aangepast worden, ter bevordering van de leesbaarheid.
3.Regelmatig wordt in de Verordening gesproken over de gemeentelijke toegang. Noteer in de Verordening dat dit de Jeugdteams Leidse Regio betreft, zodat de lezer weet waar dit over gaat. Vermeld ook wie uiteindelijk de beslissing neemt over de beschikking. Het is belangrijk om de formulering zo in te richten dat deze niet te sterk aan één specifieke uitvoeringsorganisatie of momentopname wordt gekoppeld, zodat de verordening ook bij eventuele toekomstige organisatorische wijzigingen bruikbaar blijft.
4.Zorg dat het gehele proces van toegang tot ondersteuning zo kort als mogelijk plaats vindt, ook al is er geen sprake van urgentie. Het uitgangspunt is dat het proces van toegang tot ondersteuning zo kort mogelijk wordt gehouden, ook wanneer er geen sprake is van urgentie. Dit betekent dat onnodige wachttijden en doorlooptijden worden beperkt door snel te schakelen, vroegtijdig te signaleren en direct passende stappen te zetten in de ondersteuning.
De adviesraad heeft de volgende vragen: 1.Hoe verhoudt zich deze Verordening tot de regionale visie gespecialiseerde jeugdhulp? De verordening is een uitwerking van de regionale visie op gespecialiseerde jeugdhulp. De regionale visie beschrijft de inhoudelijke koers en gezamenlijke ambities van de gemeenten, terwijl de verordening deze vertaalt naar kaders voor de uitvoering binnen de Leidse regio. De regionale visie wordt medio 2026 vastgesteld in alle gemeenteraden van de regio Holland Rijnland.
2.Hoe verhoudt zich deze Verordening tot de proeftuin integrale toegang? De verordening jeugdhulp vormt het juridische en beleidsmatige kader voor de afwegingen rondom jeugdhulp binnen de proeftuin. Binnen de proeftuin
zijn verschillende domeinen vertegenwoordigd, waaronder Werk en Inkomen, Wmo, schuldhulpverlening en jeugdhulp. Met name voor de uitvoeringsorganisatie Stichting Jeugdteams is de verordening van belang, omdat deze richting geeft aan de beoordeling en inzet van passende jeugdhulp en ondersteuning. Tegelijkertijd werkt dit kader breder door binnen de integrale afwegingen die binnen de proeftuin worden gemaakt, waarbij vraagstukken vanuit meerdere domeinen in samenhang worden beoordeeld. 3.Hoe in/overzichtelijk is het voor ouders om zonder melding bij de algemene voorzieningen te komen? Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk en vereisen geen melding of beschikking. Ouders kunnen hier rechtstreeks gebruik van maken. Wij vinden het belangrijk dat deze voorzieningen goed vindbaar en toegankelijk zijn. Daarom zorgen wij voor duidelijke informatie via onder andere de gemeentelijke website, het jeugdteam en samenwerkingspartners zoals scholen, huisartsen en welzijnsorganisaties. Daarnaast kunnen ouders altijd terecht bij het jeugdteam voor vragen en ondersteuning bij het vinden van passende hulp, ook zonder dat direct een melding wordt gedaan. Wij blijven aandacht houden voor de vindbaarheid en toegankelijkheid van deze voorzieningen.
4.De gemeentelijke toegang werkt outreachend, wat wordt hier nu precies mee bedoeld? Outreachend werken betekent dat professionals van de gemeentelijke toegang niet afwachten tot hulpvragen worden gesteld, maar actief aanwezig zijn in de wijk en contact zoeken met gezinnen en samenwerkingspartners zoals scholen, kinderopvang
en huisartsen. Hierdoor worden problemen eerder gesignaleerd en kan sneller passende ondersteuning worden geboden. Hoewel de term niet letterlijk in de verordening staat, sluiten de uitgangspunten hierin wel aan op deze werkwijze. De concrete uitwerking is vastgelegd in de opdracht aan het jeugdteam, waarin deze actieve en preventieve rol is uitgewerkt.
Oegstgeest Adviesraad Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Artikel 1.1 Neem in de begripsbepaling op dat de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige de ouder(s) of voogd(en) zijn en dat daar waar ouders staat ook voogd gelezen kan worden. Eventueel kan ook gekozen worden voor gezaghebbende(n). Ratio: soms staat er ouders en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) en soms alleen ouders.
In de begripsbepaling staan alleen begrippen aanvullend op de begrippen in de Jeugdwet opgenomen. In de Jeugdwet staat het begrip Ouder uitgelegd als “ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;” . Hiermee is het ons inziens niet nodig hier nog een aanvullend begrip voor op te nemen.
Artikel 2.3 Individuele voorziening Een voorliggende voorziening is een voorziening waarop je eerst aanspraak op moet maken alvorens je in aanmerking kunt komen voor de achterliggende voorziening. De vraag die wij ons stellen is of dit hier ook het geval is. De bedoeling zal zijn: als de voorziening past binnen de generieke jeugdhulp dan ontvang je geen individuele voorziening, hetgeen begrijpelijk en wenselijk is. Toch zijn er situaties, waar deze verordening op ziet, de voorliggende voorziening niet passend is. Indien met een groeps- of generieke voorziening of behandeling passend of toereikend is bij de te bieden jeugdhulp, wordt geen individuele jeugdhulp in dit kader aangeboden of toegekend. Het accent op Naar aanleiding van deze inspraak aangepast. Artikel 2.3 Individuele voorziening, lid 3 is gewijzigd in Indien passende groepsbegeleiding of behandeling beschikbaar is, is dit voorliggend aan individuele begeleiding of behandeling.
de gelijkwaardigheid van de maatregel als er, terecht, gekozen wordt om algemene jeugdhulp in te zetten, komt zo mogelijk beter tot zijn recht. Artikel 3.2. Ten aanzien van de verwijzing van de familierechter zou de algemene opmerking aan het einde van de eerste zin, te weten ‘betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp bestaat’ weggelaten kunnen worden. De vraag die wij stellen is welke waarde een vonnis van de rechter heeft indien deze jeugdhulp noodzakelijk acht waarbij ook generieke maatregelen een optie kunnen zijn. Wellicht is het om discussie dienaangaande te voorkomen en verwarring te vermijden om het artikel als volgt te formuleren. Wanneer een familierechter bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is in een echtscheidingssituatie zal vooraleerst de ondersteuningsaanvraag door het college beoordeeld worden. Zij beoordeelt of een individuele voorziening noodzakelijk is. Tevens stellen wij hier de vraag of dit ook in andere beschikkingen of vonnissen van de rechter tot de mogelijkheden behoort. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan een vonnis van de strafrechter of een verwijzing van de Officier van Justitie bij lichtere vergrijpen van minderjarigen waarin het strafrecht (als instrument) niet ingezet kan worden. Mocht dit zo zijn dan zou dit artikel ook nog verder uitgebreid kunnen worden door ook dit mee te nemen. Ons inziens is uw suggestie inhoudelijk gelijk aan de tekst in artikel 3.2.1. Aangezien wij ook in de verordening vast willen houden aan zo makkelijk mogelijk taalgebruik blijven wij bij de verwoording zoals in het huidige artikel. Bij een verwijzing via het gedwongen kader is hier geen sprake van. Dit loopt via de gecertificeerde instellingen.
Artikel 4.1 lid 4 luidt: Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere voorzieningen. Is hier niet bedoeld(?): Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp zal het college een (afweging? en) afstemming maken met een andere beschikbare of reeds verleende (?) voorzieningen. Ratio: ons is niet duidelijk of de andere voorziening nog voorstaat (aangezien deze bijvoorbeeld in aanvraag of passender is) of reeds is verkregen. Naar aanleiding van deze inspraak is de tekst van dit artikel verduidelijkt. Artikel 4.1 Aanvraag, lid 4 is gewijzigd in Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere beschikbare of al verleende voorzieningen.
Artikel 5.2 Ten aanzien van art 5.2. lid 1 sub d gaan wij ervanuit dat een verwijzing naar een aanvullende zorgverzekering pas geëffectueerd wordt als die verzekering ook daadwerkelijk een (geschikte) voorziening biedt. Een verwijzing naar een aanvullende zorgverzekering is alleen aan de orde wanneer deze verzekering daadwerkelijk voorziet in een passende en toereikende oplossing voor de hulpvraag. Hierbij wordt per individueel geval beoordeeld of de betreffende voorziening inhoudelijk passend is, tijdig beschikbaar is en in voldoende mate wordt vergoed. Indien dit niet het geval is, kan van jeugdigen en/of ouders niet worden verwacht dat zij hierop een beroep doen. In die situaties blijft het uitgangspunt dat, conform de Jeugdwet, een passende individuele voorziening wordt ingezet. Dit sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat eerst moet worden vastgesteld of een voorliggende voorziening daadwerkelijk passend en toereikend is. Als dat niet het geval is, blijft de
gemeente gehouden om passende ondersteuning te bieden. Artikel 5.2 In lid 8 wordt aangegeven dat de ouders in bepaalde situaties de hulp zelf (eventueel deels) zelf verlenen. De conclusie die daaraan wordt verbonden is dat het college geen voorziening biedt. Is deze conclusie gerechtvaardigd als de hulp slechts deels geboden kan worden? Is het in deze situatie ook mogelijk om voor dat deel waar geen hulp geboden kan worden een voorziening, voor dat deel, te -kunnen- bieden?
Het uitgangspunt is dat van ouders wordt verwacht dat zij bovengebruikelijke hulp verlenen, ook wanneer dit slechts een deel van de benodigde ondersteuning betreft, mits dit redelijkerwijs van hen kan worden gevraagd. Dit wordt beoordeeld aan de hand van factoren zoals beschikbaarheid, belastbaarheid en de (financiële) situatie van het gezin. Indien deze factoren niet leiden tot problemen, wordt verwacht dat ouders deze (gedeeltelijke) hulp zelf bieden en wordt geen individuele voorziening verstrekt. Wanneer ouders echter niet in staat zijn om de volledige benodigde hulp te bieden, wordt per situatie beoordeeld of en voor welk deel aanvullende ondersteuning nodig is. In dat geval kan, conform de Jeugdwet, wel een individuele voorziening worden ingezet voor het deel waarin de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn.
Artikel 5.2 Lid 9 van dit artikel geeft in de tweede situatie aan dat als een ouder/de ouders problemen op het werk of buiten de zorg ervaart/ervaren, de ouders eerst een oplossing zoekt in de oorzaak van de spanningen. Op zich een begrijpelijke eis. Desalniettemin zijn er ook problemen mogelijk waarvan de oorzaak niet weg te nemen is. Te denken Uitgangspunt binnen de Jeugdwet is dat altijd een individuele beoordeling plaatsvindt. Wanneer sprake is van overbelasting door factoren buiten de zorg voor de jeugdige (zoals werk), wordt eerst gekeken of en in hoeverre van ouders redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij zelf invloed kunnen uitoefenen op deze situatie. Daarbij wordt nadrukkelijk meegewogen of de oorzaak van de spanningen daadwerkelijk
valt aan bijvoorbeeld een reorganisatie en (daaraan gekoppeld) dreigend ontslag. Zou dit dan niet afgedekt kunnen worden door te stellen dat in deze situatie de ouder de oorzaak van deze overbelasting of spanningen weg dient te nemen of op te lossen voor zover dit redelijkerwijze van de ouders verwacht mag worden. beïnvloedbaar is. Indien dit niet (volledig) het geval is, zoals bij externe omstandigheden als een reorganisatie of dreigend ontslag, kan niet zonder meer van ouders worden verwacht dat zij deze spanningen oplossen. Dit wordt betrokken bij de beoordeling van de belastbaarheid van ouders en de vraag of aanvullende ondersteuning noodzakelijk is.
Voorschoten Huisartsen Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Onze huisartsen merken dat onder de Praktijkondersteuners Jeugd (POH) veel uitval is. Na uitvraag blijkt de uitval veroorzaakt te worden door een hoge mate van frustratie en werkdruk die ontstaat doordat de POH-jeugd zijn/haar patiënten niet kwijt kan in het jeugdzorg aanbod. De POH- jeugd is hierdoor veel tijd kwijt om een plek te vinden voor de patiënt. Het wringt dus aan de inkoopkant van jeugdzorg waardoor er een tekort is aan capaciteit waardoor er te weinig ruimte is om patiënten direct door te kunnen verwijzen. Uiteraard is dit niet wenselijk voor de kwaliteit van zorg voor de jeugd van Voorschoten. Is dit een signaal dat de gemeente eerder heeft bereikt? Ik ben zeer benieuwd. De druk op de jeugdhulp is de afgelopen jaren toegenomen, wat zich onder meer uit in wachtlijsten en beperkte beschikbaarheid van passende hulp. Dit heeft inderdaad ook impact op de werkzaamheden en ervaren werkdruk van Praktijkondersteuners Jeugd (POH-jeugd), onder andere doordat het meer tijd kost om passende vervolgzorg te organiseren. Tegelijkertijd geldt dat deze knelpunten breder spelen binnen de jeugdketen en niet specifiek zijn voor de gemeente Voorschoten. De toegenomen vraag naar jeugdhulp en de spanning op de capaciteit zijn landelijke ontwikkelingen. Om die reden zijn deze aspecten niet opgenomen in de verordening, die zich primair richt op het juridisch kader en de toegang tot voorzieningen op grond van de Jeugdwet. We gaan graag met u in gesprek over de door u geschetste knelpunten.
Zoeterwoude Adviesraad Inspaakreactie Overweging Aanpassing Verordening Het uitgangspunt van de verordening is goed, namelijk eerst de problemen oplossen in de eigen omgeving. Belangrijkste vraag is: wat is het doel van de verordening, waar wil je heen als gemeente, waar wil je op uitkomen. Is dat de burger helpen of is dat bezuiniging. Nu lijkt de gemeente zich in te dekken, maar wat heeft de burger eraan. De gemeente stelt zich op als centrale regievoerder en als beheerder van het geld. Ons advies zou zijn dat de gemeente de burger meer betrekt bij de besluitvorming en bij de keuzes die gemaakt moeten worden. Je zou duidelijker moeten maken dat je nu eenmaal keuzes moet maken van wat wel en niet kan. De gemeente moet laagdrempelig helpen en goed uitleggen waarom iets wel of niet kan. Er moet ook voldoende geld zijn en een goed functionerend sociaal team. Duidelijk moet zijn waar de grens ligt om wel of niet te behandelen. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Ons advies is ook om duidelijker te maken hoe het college de beoordeling heeft gedelegeerd en wie de toezichthouders zijn en wie de vertrouwenspersoon en hoe de externe zorg erbij wordt betrokken. Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat de criteria zijn voor beoordeling en welke deskundige dat dan bepaalt. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van het vermogen van de persoon of het gezin om het pgb zelf te beheren. We begrijpen dat er beperkte financiën zijn. De vraag naar jeugdhulp is immers geëxplodeerd en daardoor is ook de markt eromheen geëxplodeerd. Toch adviseren wij dat Het doel van de verordening is en blijft het bieden van passende ondersteuning aan jeugdigen en gezinnen, binnen de kaders van de Jeugdwet. Tegelijkertijd vraagt de toegenomen vraag naar jeugdhulp en de beperkte beschikbaarheid van middelen om scherpe keuzes. Dit betekent dat wij nadrukkelijk sturen op het versterken van eigen kracht en het sociale netwerk, zonder het belang van tijdige en passende ondersteuning uit het oog te verliezen. Daarnaast is dit ook van belang om het jeugdstelsel op de lange termijn houdbaar te houden. Dit vraagt om duidelijke keuzes over de reikwijdte van de Jeugdwet: wat valt wel onder jeugdhulp en wat niet, en wat redelijkerwijs van ouders en het sociale netwerk verwacht mag worden onder eigen kracht. Het expliciteren van deze grenzen draagt bij aan duidelijkheid voor inwoners en professionals.
de gemeente op bepaalde vlakken meer duidelijkheid dient te geven, zodat de burger kan beoordelen of ze iets wel of niet krijgen en wanneer. Er is (te) weinig geld voor passende zorg, er wordt veel doorgeschoven naar het sociaal netwerk en er wordt gezocht naar goedkopere en dus minder intensieve zorg. Deze maatregelen moeten de zorg goedkoper maken, maar kunnen in een later stadium veel en hogere kosten veroorzaken. Wij adviseren dan ook dat de gemeente bij elke maatregel zou moeten nagaan wat de gevolgen zijn voor alle betrokkenen en de kans dat meer en complexere zorg nodig is. Het betreft hier een regionale verordening, maar onduidelijk is ook wat de specifieke inbreng van Zoeterwoude zelf is. De Adviesraad pleit nog eens voor het model waarbij van onderaf en in de eigen leefomgeving de zaken opgelost worden. Denk aan het IJslandse preventiemodel (OKO, opgroeien in een kansrijke omgeving), waarbij niet alleen de overheid verantwoordelijk is voor de jeugdhulp, maar ook de omgeving van de jeugdige, b.v. ouders. Een voorbeeld: in IJsland heeft de overheid in samenspraak met de ouders voor extra sportfaciliteiten gezorgd, met goede trainers. De ouders hebben mede de regels opgesteld, zoals geen jeugd meer na 22.00 uur op straat en zichtbaar zijn op straat om jeugd aan te spreken. Een gemeente in de Leidse regio wil dit model globaal gaan invoeren. Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. We zouden graag horen wanneer dat gaat gebeuren. We zien het als onze verantwoordelijkheid om helder te communiceren over afwegingskaders, grenzen en verwachtingen, en om inwoners beter mee te nemen in de keuzes die gemaakt worden. Dit geldt ook voor de rolverdeling binnen de uitvoering, waaronder de inzet van het sociaal team, toezicht, de positie van de vertrouwenspersoon en de betrokkenheid van externe zorgaanbieders. Ten aanzien van de beoordeling van aanvragen geldt dat deze altijd plaatsvindt op basis van een individuele en zorgvuldige afweging, waarbij deskundigheid wordt ingezet passend bij de hulpvraag. Dit geldt eveneens voor de beoordeling van pgb-vaardigheden. Het uitgangspunt van de verordening is dat steeds wordt gekeken naar wat passend en noodzakelijk is, waarbij ook de langere termijn effecten worden meegewogen. Het voorkomen van zwaardere problematiek blijft daarbij een belangrijk aandachtspunt. Met betrekking tot uw vraag over de regionale verordening merken wij op dat deze in gezamenlijkheid met
gemeenten in de Leidse regio is opgesteld. De lokale inbreng, waaronder die van Zoeterwoude, is hierin meegenomen via bestuurlijke en ambtelijke afstemming. Het door u genoemde preventieve model (zoals het IJslandse model) sluit aan bij de beweging die wij ook regionaal en lokaal nastreven: het versterken van de leefomgeving van jeugdigen en het inzetten op preventie. Daarnaast sluiten wij met deze verordening aan bij landelijke ontwikkelingen, waaronder de maatregelen van de Taskforce Jeugd gericht op het verbeteren van de houdbaarheid van het jeugdstelsel. Ook is rekening gehouden met recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin het belang van een zorgvuldige, individuele afweging en duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden wordt benadrukt. Tevens is de verordening gebaseerd op de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zodat deze aansluit bij
landelijke richtlijnen en uitvoeringspraktijk. Tot slot: de nadere regels met betrekking tot algemene voorzieningen zijn in voorbereiding. Wij verwachten deze op korte termijn vast te stellen en zullen u hierover informeren