Nissewaard, 23 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Inhoud
1 Introductie 3
2 Thematische beantwoording 4
2.1 Abstractieniveau 4
2.2 Water- en bodemsturend 5
2.3 Ondergrondse infrastructuur 5
2.4 Verdichten en vergroenen 6
2.5 Meerlaagsveiligheid 6
2.6 Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied 7
3 Zienswijzen van (semi-)overheden 8
3.1 GGD Rotterdam-Rijnmond 8
3.2 MRDH 12
3.3 Provincie Zuid-Holland 13
3.4 Waterschap Hollandse Delta 21
4 Zienswijzen van organisaties 27
4.1 Cumela 27
4.2 DOW en TOPN 28
4.3 LTO Noord 29
4.4 Natuurvereniging Hollandse Delta 30
4.5 N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij 33
4.6 TenneT 33
5 Zienswijzen van inwoners 35
5.1 Bewoner 35
5.2 Bewoner 36
5.3 Bewoner 39
5.4 Bewoner 40
6 Overzicht van wijzigingen 45
Nota van beantwoording 2 Omgevingsvisie Nissewaard
1 Introductie
Van 3 februari 2026 tot en met 17 maart 2026 heeft de ontwerp-omgevingsvisie Nissewaard ter inzage gelegen.
Tegen de ontwerp-omgevingsvisie zijn in totaal 14 zienswijzen ingediend. De provincie Zuid-Holland heeft een pro forma zienswijze ingediend en een termijn van twee weken ontvangen voor het indienen van de definitieve zienswijze. Wij hebben de zienswijze van de provincie binnen deze termijn ontvangen. De overige zienswijzen zijn binnen de genoemde termijn van inzage ingediend.
In deze antwoordnota zijn de zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien (hoofdstuk 3, 4 en 5). Een aantal thema’s kwam vaker terug. De beantwoording hiervan is opgenomen in hoofdstuk 2 ‘Thematische beoordeling’.
De ingediende zienswijzen leiden tot een aanscherping van de omgevingsvisie Nissewaard zonder dat de koers wijzigt. In hoofdstuk 6 is een overzicht opgenomen van de wijzigingen die naar aanleiding van de zienswijzen in de definitieve omgevingsvisie zijn doorgevoerd.
Nota van beantwoording 3 Omgevingsvisie Nissewaard
_Antwoord op zienswijze 3.1.F; 3.1.I; 3.1.L; 3.3.A; 3.3.D; 3.3.M; 3.3.S; 3.3.T; 3.3.U; 3.3.V; 3.3.W; 3.3.AC;_ _3.3.AD; 3.4.E; 4.3.A; 4.3.D; 4.2.G; 5.3.A; 5.4.B; 5.4.C; 5.4.D; 5.4.G._
Verschillende zienswijzen betreffen het abstractieniveau van de omgevingsvisie. Voor thema’s als ruimtelijke kwaliteit, gebiedsontwikkelingen en klimaatadaptatie is gevraagd om concreter te worden als het gaat om locatie en uitwerking. Volgens de indieners zou de omgevingsvisie daarmee minder vrijblijvend en meer richtinggevend worden. De gemeente Nissewaard heeft echter bewust gekozen om de omgevingsvisie op een bepaald abstractieniveau te schrijven.
De ontwerp-omgevingsvisie laat op hoofdlijnen zien hoe Nissewaard er in de toekomst uit zou moeten zien. De stad, de dorpen en het landelijk gebied behouden min of meer hun huidige oppervlakte. De ambitie is om de overgangszones tussen deze gebieden te verzachten en de ruimte te benutten voor verschillende, passende functies. De gebieden zelf zullen ook veranderen.
Hoe de gebieden exact gaan veranderen is in de omgevingsvisie niet uitgewerkt. Dit moet bij de uitwerking in onder andere gebiedspaspoorten, wijkaanpakken en omgevingsprogramma’s duidelijk worden. De omgevingsvisie faciliteert de ruimtelijke afweging die hiervoor nodig is. Dit past bij het karakter van een visie. Omdat de condities en omstandigheden van gebieden verschillen gaat het om maatwerk, waarbij de verschillende aspecten worden gewogen. Daarbij moet worden voorkomen dat meetbare doelen worden gestapeld, de bedoeling uit beeld raakt en wenselijke ontwikkelingen onhaalbaar worden. Om die reden is de gemeente voorzichtig geweest met het doen van generieke, sectorale, concrete en/of meetbare uitspraken. De ontwerp-omgevingsvisie maakt duidelijk hoe de afweging plaats vindt (werk- en denkwijze), wat de ambitie is en welke aspecten aan bod moeten komen (opgaven en ruimtelijke keuzes).
Daarnaast is de gemeente ervan overtuigd dat het niet mogelijk is om de ruimtelijke kwaliteiten (waaronder de groenblauwstructuren,)en ruimtelijke opgaven uitputtend te beschrijven en in beeld te brengen. Doet zij dat wel, dan lopen zij het risico te suggereren dat ze volledig is, maar dit niet is. Het ontslaat de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling van de verplichting om verder te kijken. Daarnaast groeit de kennis over het gebied met de jaren en komen er ook weer nieuwe opgaven op het gebied af. Daarom kiest de gemeente voor een beschrijving op hoofdlijnen en vraagt zij van de initiatiefnemer om bij een ontwikkeling op basis van kennis over het gebied met de opgaven aan de slag te gaan en deze hoofdlijnen verder te verdiepen.
Dit is een werkwijze die in het gemeentelijke programma Nissewaard naar 2040 is beproefd. Het programma is in 2018 gestart met een hoog abstract ontwikkelperspectief met een duidelijk doel. Dit ontwikkelperspectief heeft in de afgelopen jaren altijd in gesprek met initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen op tafel gelegen. De gemeente gaf daarmee geen concreet lijstje met randvoorwaarden mee, maar vroeg de initiatiefnemer met een verhaal te komen waarom de ontwikkeling bijdroeg aan de doelen die de gemeente nastreeft. Dit leverde ontwikkelingen op met de gewenste maatschappelijke impact. Daarnaast bood het ontwikkelaars de ruimte om met goede ideeën te komen waar de gemeente niet aan had gedacht. Deze werkwijze zet de gemeente met de omgevingsvisie voort. In de omgevingsvisie is deze werkwijze beschreven onder ‘Werk- en denkwijze’.
Nota van beantwoording 4 Omgevingsvisie Nissewaard
_Antwoord op zienswijze 3.3.AD; 3.4.A._
De gemeente sluit zich in de ontwerp-omgevingsvisie nadrukkelijk aan bij het principe ‘water en bodem sturend’. Bij het opstellen van de ontwerp-omgevingsvisie is gebruikgemaakt van de praktijkgids ‘Water en bodem sturend, hoe dan?’ van het College van Rijksadviseurs. In de praktijkgids adviseert het college om uit te gaan van de omgekeerde lagenbenadering. Waar in de planvorming van oudsher eerst werd gekeken naar het gewenste gebruik (occupatielaag) en daarna de netwerken en de ondergrond aan bod kwamen, stelt het college dat de ondergrond het vertrekpunt moet zijn bij ontwikkelingen. In de ontwerp-omgevingsvisie is deze benadering vertaald in een werk- en denkwijze waarbij de eerste stap ‘verdiep je in het gebied’ is. De gemeente is ervan overtuigd dat juist deze nieuwe manier van denken en werken het verschil gaat maken.
In de opbouw van de visie is het belang van water en bodem benoemd bij de ruimtelijke opgaven door aan te geven dat er meer rekening moet worden gehouden met de condities van water en bodem en vervolgens aan te geven wat de gevolgen van intensief ruimtegebruik zijn als je dat niet doet. Daarnaast zijn water en bodem verwerkt in de verschillende ruimtelijke keuzes. Zo is er aandacht voor de klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte bij ‘de mens centraal’, het versterken van het groenblauwe netwerk bij ‘investeren in kwaliteit’ en een toekomstbestendig watersysteem bij ‘metropolitaan landschap’. Het is belangrijk om de ruimtelijke keuzes in samenhang met elkaar te lezen. Verdichten en verdunnen gaat dus samen met variëren en mengen en investeren in kwaliteit, etc. Om die reden is het niet nodig om water en bodem bij elke ruimtelijke keuze terug te laten komen.
In het Integraal Watertakenplan 2026-2030 van de gemeente is een water- en bodemsturend afwegingskader opgenomen. Dit kader sluit aan op stap één van de denk- en werkwijze van de ontwerp-omgevingsvisie: verdiep je in het gebied.
_Antwoord op zienswijze 4.2.A; 4.5.A; 4.6.B._
Verschillende indieners hebben verzocht om de huidige en toekomstige ondergrondse infrastructuur op de visiekaart op te nemen. Meer specifiek gaat het om buisleidingen, het hoogspanningsnet en bijbehorende beschermingszones.
Net als de indieners erkent de gemeente het belang van de ondergrondse infrastructuur. Onder andere hiervoor is de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ in de ontwerp-omgevingsvisie opgenomen. Vanwege de bouwopgave in combinatie met de energietransitie en netcongestie is het van groot belang om de ondergrondse infrastructuur uit te breiden. Dit leidt niet alleen tot een ruimteclaim in de ondergrond maar heeft ook gevolgen voor de ontwikkelmogelijkheden boven de grond.
We zullen de huidige en toekomstige ondergrondse infrastructuur op de visiekaart weergeven. Dit zal, passend bij het abstractieniveau van de visiekaart, een globale weergave zijn en zich toespitsen op de hoofdinfrastructuur. We geven wel het hoogspanningsnet weer, maar niet het laagspanningsnet. De exacte belemmeringen- en veiligheidszones van de ondergrondse infrastructuur zijn, voor zover formeel vastgesteld en ruimtelijk relevant, opgenomen in het omgevingsplan.
Nota van beantwoording 5 Omgevingsvisie Nissewaard
We benoemen het belang van buisleidingen nadrukkelijker bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’. “Door Nissewaard loopt een aantal buisleidingen. Deze buisleidingen zijn belangrijk voor de landelijke industrie en de toekomst daarvan. Het is belangrijk om hier bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening mee te houden.” In het omgevingsplan worden hiervoor belemmeringenen veiligheidszones opgenomen.
_Antwoord op zienswijze 3.4.H; 4.4.D; 5.2.D; 5.2.G._
Verschillende indieners vragen aandacht voor het behoud van openbaar groen bij het zoeken naar verdichtingslocaties. Over het algemeen leidt verdichting tot meer openbaar groen. Verdichting vindt vaak plaats op locaties met lage ruimtelijke kwaliteit, veel verharding en weinig groen. Wanneer zo’n gebied wordt verdicht, wordt hier ook altijd een groene openbare ruimte aangelegd, waardoor de omvang van het stedelijk groen per saldo stijgt.
Daarnaast kiest de gemeente in de ontwerp-omgevingsvisie voor het versterken van het groenblauwe netwerk en een gezonde en veilige leefomgeving die bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. Bij verdichting kan het voorkomen dat individueel groen verdwijnt, maar dit mag niet leiden tot versnippering van groenblauwe en ecologische netwerken en een minder gezonde en veilige leefomgeving.
_Antwoord op zienswijze 3.4.F; 3.4.G; 3.4.I; 3.4.L._
Meerlaagsveiligheid gaat er van uit dat bescherming tegen overstromingen verder gaat dan alleen het ophogen van dijken. Naast een groter bewustzijn bij inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven gaat het om preventie, bijvoorbeeld door stevige waterkeringen (laag 1), gevolgbeperking door slimme inrichting van de fysieke leefomgeving (laag 2), crisisbeheersing (laag 3) en herstel (laag 4). Het principe van meerlaagsveiligheid is gehanteerd bij het opstellen van de ontwerpomgevingsvisie, zonder de term zelf en de lagen als zodanig te benoemen. De gemeente streeft naar een omgevingsvisie in zoveel mogelijk begrijpelijke taal. De terminologie van meerlaagsveiligheid is vooral bekend binnen het vakgebied van ruimtelijke ordening en klimaatadaptatie en past hier dus niet bij.
De gemeente staat achter het belang van meerlaagsveiligheid. Naar aanleiding van de diverse zienswijzen scherpen we de tekst aan. Omdat meerlaagsveiligheid verder gaat dan het versterken van dijken verwijderen wij de zin: “Het waterschap werkt aan de versterking van de dijken om het gebied tegen overstroming te beschermen.” onder het kopje ‘delta in beweging’. De tekst onder het kopje ‘klimaatverandering en leefbaarheid’ breiden we uit. “Hoewel de kans op overstromingen klein is, kunnen de gevolgen groot zijn als het toch gebeurt. Om het gebied en de inwoners hiertegen te beschermen is er extra ruimte voor waterkering en het watersysteem nodig. We zullen bij de inrichting van de fysieke leefomgeving ook rekening moeten houden met de gevolgen van klimaatverandering. We denken na over wat nodig is als een gebied bij extreme weersomstandigheden toch overstroomt. Het gaat dan om evacuatie-, vlucht- en schuilmogelijkheden, het informeren van inwoners en herstel.”
Nota van beantwoording 6 Omgevingsvisie Nissewaard
Op deze manier agenderen we in de ontwerp-omgevingsvisie het belang van alle lagen van meerlaagsveiligheid. Binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de werkregio VoornePutten werkt de gemeente dit verder uit. Dit doet zij door samen met partners zoals de veiligheidsregio in beeld te brengen wat per laag van meerlaagsveiligheid nodig is en waar de gemeente een rol in kan spelen. Bij de toekomstige herijking van de omgevingsvisie worden de resultaten hiervan meegenomen.
Bij de ruimtelijke keuzes komt laag 2 (slimme inrichting van de fysieke leefomgeving) terug bij ‘de mens centraal’. Bij ‘metropolitaan landschap’ voegen we de volgende zin toe: “We bieden de ruimte die nodig is voor robuuste waterkeringen.” Op die manier wordt ook hier aandacht besteed aan laag 1 van meerlaagsveiligheid.
_Antwoord op zienswijze 3.4.D; 3.4.E; 4.3.B; 4.4.F; 5.2.E._
Een aantal zienswijzen gaat over thema’s die onderdeel zijn van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied: de transitie van de landbouw, het groenblauwe netwerk, de stikstofaanpak en het herstel van de waterkwaliteit in het landelijk gebied.
De provincie werkt als trekker samen met het waterschap, agrariërs, recreatieondernemers, natuurorganisaties en de gemeente samen in het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. De gemeente vindt het belangrijk dat de maatregelen die worden genomen voor natuurherstel, het terugdringen van emissies en de verbetering van de waterkwaliteit breed gedragen worden. De gemeente zal zich binnen deze samenwerking hard maken voor de doelen die in de ontwerpomgevingsvisie bij de ruimtelijke keuze ‘metropolitaan landschap’ worden benoemd: een duurzame toekomst voor de agrarische sector, een toekomstbestendig watersysteem, ruimtelijke kwaliteit als uitgangspunt bij ontwikkelingen en een landschap dat een bezoekje waard is.
Keuzes met betrekking tot het groenblauwe netwerk, de stikstofaanpak en het herstel van de waterkwaliteit in het landelijk gebied moeten samen met de betrokken partijen worden gemaakt. Om die reden heeft de gemeente hier in de ontwerp-omgevingsvisie geen voorschot op genomen. Bij de toekomstige herziening van de omgevingsvisie kunnen eventuele breed gedragen maatregelen worden opgenomen. Om het belang van deze samenwerking te benadrukken wordt het volgende kopje toegevoegd aan de ruimtelijke keuze ‘metropolitaan landschap’: “We werken samen. Overheden, agrariërs, recreatieondernemers en natuurorganisaties werken op Voorne-Putten samen aan een toekomstbestendig landelijk gebied. Samen werken zij aan maatregelen die de natuur en waterkwaliteit verbeteren, zorgen voor voldoende zoet water en wateroverlast helpen voorkomen. Het is daarbij belangrijk dat deze maatregelen kunnen rekenen op draagvlak van alle betrokken partijen.”
De gemeente is als eigenaar en beheerder verantwoordelijk voor het groenblauwe netwerk binnen het bebouwd gebied. Hier zal zij zelf maatregelen nemen om de biodiversiteit en de waterkwaliteit te verbeteren. In het beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026, het Plan van Aanpak Ecologie 2024 en in het Integraal Gemeentelijk Watertakenplan 2026-2030 is uitgewerkt wat er nodig is om de biodiversiteit en de waterkwaliteit van het groenblauwe netwerk in het bebouwd gebied te versterken.
Nota van beantwoording 7 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 3.1.A Rookvrije omgeving De GGD vraagt de ambitie dat kinderen in een rookvrije omgeving opgroeien in de omgevingsvisie op te nemen. Dit kan door een gezonde leefstijl te stimuleren, te zorgen voor rookvrije kind- en zorgomgevingen en/of de openbare ruimte (op termijn) rookvrij te maken.
Antwoord Een rookvrije omgeving maakt onderdeel uit van ons lokale gezondheidsbeleid. In de afgelopen jaren hebben we ingezet op het rookvrij maken van schoolpleinen en speeltuinen. Daarnaast hebben verschillende sportverenigingen en ondernemers stappen gezet naar een rookvrije omgeving.
Zienswijze 3.1.B Ontmoetingsplekken Er is in de ontwerp-omgevingsvisie volgens de GGD veel aandacht voor aantrekkelijke, veilige en toegankelijke ontmoetingsplekken in de openbare ruimte. De GGD vraagt deze ambitie te vertalen naar concrete ontwerpprincipes zoals: iedere inwoner heeft binnen 300 meter toegang tot een groene, toegankelijke ontmoetingsplek; de openbare ruimte nodigt uit tot bewegen, verblijven en ontmoeten; bij de (her)inrichting wordt rekening gehouden met kwetsbare groepen, schaduw en verkoeling.
Antwoord Dergelijke ontwerpprincipes zijn in de ontwerp-omgevingsvisie benoemd bij de ruimtelijke keuzes ‘ontmoetingsplekken’ en ‘de mens centraal’.
Zienswijze 3.1.C Gezonde voedselomgeving De GGD vraagt aandacht voor een gezonde voedselomgeving, een belangrijke schakel in de preventie van overgewicht.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ zijn de principes van een gezonde voedselomgeving opgenomen. De gemeente vindt het belangrijk dat iedereen kan sporten, bewegen en elkaar kan ontmoeten. We richten de openbare ruimte hierop in. Het bevorderen van gezonde voeding en leefstijl heeft onze aandacht en maakt onderdeel uit van ons lokale gezondheidsbeleid. Daarbij is de afgelopen jaren onder meer ingezet op voedingsvoorlichting op basisscholen en activiteiten die inwoners ondersteunen bij het aanleren van gezonde kookvaardigheden.
Zienswijze 3.1.D Verkeer De GGD vraagt om in de omgevingsvisie aandacht te besteden aan de gezondheidsaspecten van verkeer, waaronder geluid, luchtkwaliteit en verkeersveiligheid.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ is aandacht besteed aan het zoveel mogelijk voorkomen van geluidsoverlast. We voegen luchtvervuiling hieraan toe met de volgende tekst: "De meeste luchtvervuiling komt voor langs drukke wegen. De hoeveelheid vervuiling blijft binnen de wettelijke normen. Toch blijven we de situatie samen met de GGD volgen en nemen we maatregelen als dat
Nota van beantwoording 8 Omgevingsvisie Nissewaard
nodig en mogelijk is." Het kopje wijzigen we in: “We nemen maatregelen om geluidsoverlast en luchtvervuiling zoveel mogelijk te voorkomen.”
We voegen verkeersveiligheid toe bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’: “’Ogen op straat’ en verkeersveiligheid zijn belangrijke principes die hieraan bijdragen.”
Zienswijze 3.1.E Functiemenging De GGD vraagt om in de omgevingsvisie aan te geven op welke wijze gezondheid wordt meegewogen bij functiemenging. Het opnemen van richtlijnen of uitgangspunten over hinder (zoals geur, geluid en lichthinder) kan volgens de GGD bijdragen aan een gezonde balans tussen wonen, werken en bedrijvigheid.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ is benoemd dat we maatregelen nemen om geluidsoverlast zoveel mogelijk te voorkomen. De ruimtelijke keuze ‘variëren en mengen’ waar de ambitie om functies te mengen in is benoemd moet in samenhang met deze ruimtelijke keuze worden gelezen.
De uitgangspunten van de omgevingsvisie zullen worden uitgewerkt in het omgevingsplan voor Nissewaard. In het omgevingsplan zullen de normen worden vastgelegd waaraan de activiteiten in een gebied met functiemenging moeten voldoen. Hierbij gelden de normen vanuit “de Bruidsschat” van het omgevingsplan vooralsnog als richtsnoer.
Zienswijze 3.1.F Beweegvriendelijke openbare ruimte De GGD vraagt om de ambities met betrekking tot het verdichten rond metrostations, sterke fietsnetwerken en aantrekkelijke wandelroutes te koppelen aan meetbare doelen zoals het aantal veilige school- en recreatieroutes en de deelname van kwetsbare groepen aan actieve mobiliteit.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.1.G Binnenklimaat en isolatie De GGD vraagt om in de omgevingsvisie aandacht te besteden aan een prettig en gezond binnenklimaat en de isolatie van woningen. De GGD adviseert in gesprek met bewoners over de isolatie van woningen aandacht te besteden aan de ‘ladder van koeling’ en deze ladder op te nemen in prestatieafspraken met woningbouwcorporaties.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ is aangegeven dat de gemeente bij wil dragen aan een robuust energie- en warmtenetwerk. Onderdeel daarvan is het inzetten op isolatie van gebouwen en zuiniger gebruik van energie. Nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de eisen die hierover zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij afspraken met de energiecoach worden bewoners geïnformeerd over de mogelijkheden van isoleren, ventilatie, zonnepanelen, warmtepompen en airco’s (aspecten van de ladder van koeling).
Zienswijze 3.1.H Geluid Het is volgens de GGD niet duidelijk op welke wijze woningen worden beschermd en gebouwd om nadelige gezondheidseffecten te voorkomen als gevolg van hoge geluidsbelasting. De GGD stelt voor
Nota van beantwoording 9 Omgevingsvisie Nissewaard
om maatregelen aan de bron en in de overdracht te nemen; ervoor te zorgen dat minimaal één zijde (gevel) van woningen aangenaam is; elke woning over een groene openbare stille toegankelijke buitenruimte op maximaal 300 meter afstand beschikt. Daarnaast stelt de GGD voor bij de (her)inrichting van de fysieke leefomgeving aandacht te besteden aan de akoestische inrichting. Dit kan bijvoorbeeld door geluid te maskeren door aangenaam geluid toe te voegen en geluid te dempen door de bodem te verzachten en gevels te vergroenen.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie is bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ opgenomen dat we maatregelen nemen om geluidsoverlast zoveel mogelijk te voorkomen. In het omgevingsprogramma Actieplan geluid (in werking sinds 23 april 2025) is verder geconcretiseerd hoe woningen worden beschermd en gebouwd om nadelige gezondheidseffecten te voorkomen als gevolg van hoge geluidsbelasting.
Zienswijze 3.1.I Luchtkwaliteit De GGD vraagt om maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en om gevoelige bestemmingen op zoveel mogelijk afstand van drukke wegen te situeren (onafhankelijk van de achtergrondconcentratie ter plaatse) en hierbij minimale afstanden te hanteren. Specifiek vraagt de GGD om bij de bouw en uitbreiding van nieuwe scholen en kinderdagverblijven rekening te houden met voldoende en gezonde afstand. Daarnaast vraagt de GGD om naast de landelijk geldende regels ook lokale regels op te stellen voor het gebruik van houtkachels, open haarden en houtstook buitenshuis, zoals vuurkorven en buitenhaarden te onderzoeken.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ besteden we meer aandacht aan het belang van luchtkwaliteit. Zie het antwoord op zienswijze 3.1.D.
Regels met betrekking tot luchtkwaliteit hebben een plek in het omgevingsplan of een omgevingsprogramma, niet in de omgevingsvisie. Dit past niet bij het abstractieniveau van de omgevingsvisie. Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.1.J Betaalbare levensloopbestendige woningen In de visie wordt gesproken over differentiatie en vernieuwing van buurten. Er is volgens de GGD niet aangegeven op welke woonvormen er wordt gestuurd. Zij vraagt om in de omgevingsvisie te benoemen dat er voldoende betaalbare en levensloopbestendige woningen in buurten beschikbaar moeten zijn.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie is aangegeven, bij de ruimtelijke keuze ‘variëren en mengen’, dat het bevorderen van de doorstroming in de woningvoorraad en het behouden van jonge stedelingen en talenten voorop staat. Om dit te bereiken is het van belang om toe te werken naar balans in de woningvoorraad van een wijk. Voldoende betaalbare en levensloopbestendige woningen zijn onderdeel van die balans. Wat er per wijk nodig is verschild per wijk en verandert met de tijd. Om die reden is in de werk- en denkwijze van de visie opgenomen dat een initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling zich eerst in het gebied moet verdiepen. Onderdeel daarvan is het in beeld brengen van de bestaande voorraad.
Daarnaast zal de ruimtelijke keuze voor het differentiëren van de woningvoorraad nader worden uitgewerkt in het verplichte omgevingsprogramma voor volkshuisvesting.
Nota van beantwoording 10 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 3.1.K Kwetsbare wijken De GGD vraagt om inzichtelijk te maken welke gezondheidswinst er in de kwetsbare wijken wordt nagestreefd; hierbij gebruik te maken van de gezondheidsmonitor van de GGD; bij wijkvernieuwing aandacht te besteden aan klimaatadaptatie, vergroening, sociale cohesie en veiligheid en participatie van bewoners bij het ontwerpen van een gezonde leefomgeving te stimuleren.
Antwoord Er is een foto van de leefomgeving als bijlage bij de ontwerp-omgevingsvisie gevoegd. De foto van de leefomgeving geeft aan de hand van acht thema’s en 26 indicatoren een indruk van de staat van de fysieke leefomgeving op dit moment (nulmeting). Aan de hand van deze feiten en cijfers kan op langere termijn de impact van het gekozen beleid uit de ontwerp-omgevingsvisie worden gemonitord. De gezondheidsmonitor van de GGD kan hiervoor worden benut.
In de ontwerp-omgevingsvisie wordt aandacht voor kwetsbare wijken gevraagd door ‘sterke buurten’ als één van de vier opgaven te benoemen. Met de ruimtelijke keuzes wordt duidelijk hoe de gemeente deze opgave wil aanpakken. De ruimtelijke keuzes moeten in samenhang worden gelezen. Klimaatadaptatie, vergroening, sociale cohesie, veiligheid en participatie komen allemaal in de ruimtelijke keuzes aan bod.
Het versterken van kwetsbare wijken vraagt om een integrale aanpak, zowel fysiek (waar de omgevingsvisie zich op toespitst) als sociaal. De genoemde thema’s komen daarom ook terug in beleidskaders zoals de Sociale basis Nissewaard en het gezondheidsbeleid.
Zienswijze 3.1.L Hittestress De GGD vraagt in de omgevingsvisie concreter aan te geven welke ontwerpprincipes of richtlijnen worden gehanteerd voor een hittebestendige buitenruimte en het verminderen van de bloostelling aan uv-straling. Daarnaast vraagt de GGD het belang van een lokaal hitteplan in de omgevingsvisie te benoemen. Concreet kan volgens de GGD worden ingezet op watertappunten bij speeltuinen en sportvoorzieningen en zonnebrand(‘smeer’)palen op plekken waar veel mensen recreëren.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie is bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ aangegeven dat bij de inrichting van de leefomgeving gezondheid en veiligheid vooropstaan. Het zoveel mogelijk voorkomen van de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waaronder hittestress, worden hierbij benoemd. Welke maatregelen concreet nodig zijn, is afhankelijk van huidige en toekomstige condities van het gebied. Om die reden is in de werk- en denkwijze van de visie opgenomen dat een initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling zich eerst in het gebied moet verdiepen. De ruimtelijke keuzes geven aan welke aspecten in elk geval belangrijk zijn om daarin mee te nemen. Eén van de aspecten is het in beeld brengen van schaduwrijke plekken in het gebied. Daarnaast moet een ontwikkeling altijd voldoen aan de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte waarin ook eisen worden gesteld aan de hittebestendige inrichting. Zie ook de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
In de afgelopen jaren zijn er diverse watertappunten aangelegd, bijvoorbeeld langs recreatieve routes. Op de interactieve kaart van marketing OP Voorne-Putten staat waar deze punten zijn te vinden. Voor wat betreft bescherming tegen de zon, denkt de gemeente meer winst te behalen met bewustwording en het hittebestendig inrichten van plekken dan met smeerpalen.
In de komende periode stelt de gemeente een lokaal hitteplan op.
Nota van beantwoording 11 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 3.2.A Algemeen De ontwerp-omgevingsvisie sluit volgens de MRDH goed aan bij de Strategische Agenda van de MRDH en bij de uitgangspunten van zowel de Mobiliteitsvisie als de Visie Economisch Vestigingsklimaat. De MRDH waardeert het dat de gemeente oog heeft voor de gezamenlijke regionale opgaven, zoals de groei van het aantal inwoners in de regio en de daarmee verbonden behoefte aan woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen.
Antwoord De gemeente waardeert de erkenning dat de ontwerp - omgevingsvisie goed aansluit bij de regionale agenda en visie. De gemeente blijft zich samen met de partners in de regio inzetten voor de gezamenlijke opgaven rondom woningbouw, werkgelegenheid en voorzieningen.
Zienswijze 3.2.B Versterken van het economisch vestigingsklimaat De MRDH denkt graag mee over de randvoorwaarden die essentieel zijn voor de transitie van bedrijventerrein Halfweg-Molenwatering naar een ‘service valley’, zoals een toekomstbestendige aansluiting op het stroomnet en het verminderen van netcongestie. Daarnaast denkt de MRDH graag mee met de sociaaleconomische uitdagingen die worden beschreven ten aanzien van de New Town.
Antwoord De gemeente waardeert de betrokkenheid van de MRDH bij de ontwikkeling van bedrijventerrein Halfweg-Molenwatering en de New Town-opgave.
Zienswijze 3.2.C Regionale samenhang Voor de inwoners en ondernemers van Nissewaard liggen er volgens de MRDH belangrijke kansen op het gebied van werkgelegenheid, bereikbaarheid en ondernemerschap, mede door regionale investeringen zoals de Blankenburgverbinding. De MRDH vraagt deze regionale samenhang en de bijbehorende kansen explicieter te benoemen bij de verdere uitwerking van de ontwerpomgevingsvisie.
Antwoord De gemeente kan zich vinden in de constatering van de MRDH dat er belangrijke kansen zijn op het gebied van werkgelegenheid, bereikbaarheid en ondernemerschap. Dit wordt benoemd bij de opgave ‘werk en voorzieningen dichtbij’ en de ruimtelijke keuze ‘beter benutten werklocaties’ door aan te geven dat we de strategische ligging van Nissewaard benutten voor meer werkgelegenheid.
Om ervoor te zorgen dat de Blankenburgverbinding ook van economische meerwaarde is voor Nissewaard is een extra oeververbinding noodzakelijk. Dit wordt benoemd bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’.
Zienswijze 3.2.D Mobiliteit en bereikbaarheid Verdichting rond metrostations is volgens de MRDH slim en logisch, maar is ook complex, heeft regionale impact en vraagt om verdere verdieping. Er is aandacht nodig voor lokale ontsluiting, aanfiets- en aanlooproutes, fietsparkeren, P+R, kwaliteitsbeleving, mobiliteitsdiensten, deelmobiliteit of het delen van metrostroomvoorziening voor laadinfrastructuur. De MRDH denkt samen met de RET graag mee om de bovenlokale en regionale impact zo groot mogelijk te maken.
Nota van beantwoording 12 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord De gemeente herkent zich in de complexiteit van verdichting, de benodigde integrale aanpak en de noodzaak tot samenwerking.
Zienswijze 3.2.E Verbinding met de regio Nissewaard heeft volgens de MRDH baat bij een betrouwbare en goede verbinding met het havenindustrieel cluster en de stedelijke omgeving. De MRDH ziet kansen om dit snel en effectief te verbeteren door de wegcapaciteit op minder drukke tijdstippen te benutten en hiervoor met werkgevers in gesprek te gaan of hubs in te zetten. De MRDH denkt graag mee over welke maatregelen passend en kansrijk zijn.
Antwoord Dit sluit aan op de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ uit de ontwerp-omgevingsvisie. We voegen de suggestie om te sturen op de wegcapaciteit toe aan de tekst bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’: “Door de wegen op minder drukke tijdstippen beter te benutten kan de bereikbaarheid van de Rotterdamse haven en omliggende steden snel worden verbeterd.” ZuidHolland Bereikbaar werkt in opdracht van diverse (overheids)organisaties aan deze doelstelling in samenwerking met gemeenten en werkgevers.
Zienswijze 3.3.A Algemeen De provincie constateert dat er een compact en zeer goed leesbaar stuk ligt. De analyse, kenschets en opgaven worden herkend en gewaardeerd. De ruimtelijke keuzes zijn volgens haar opgebouwd langs acht aansprekende sector overstijgende verhalen. De provincie vindt dat de ruimtelijke keuzes beperkt plaats specifiek zijn, waardoor er volgens haar het risico ontstaat dat de beschreven ambities goede voornemens blijven.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.B Regio De provincie mist de regio in de analyse en de formulering van opgaven en ambities; en heel specifiek ook op de kaart. Dit is volgens de provincie relevant omdat de inwoners veel buiten de gemeente werken en recreëren en de regio voor een groot aantal opgaven aan de lat staat. Volgens haar is de omgevingsvisie een geschikt instrument om uitspraken te doen over de rol van de gemeente in de regio.
Antwoord Bij de vier opgaven wordt waar dat relevant is benoemd wat de impact van regionale opgaven op Nissewaard is. Denk aan de transities in de landbouw, de Rotterdamse haven, het energiesysteem en de warmtevoorziening.
In het hoofdstuk ‘Nissewaard in de regio’ wordt een eerste aanzet gedaan voor de bijdrage die Nissewaard aan de regionale opgaven kan geven. We vullen het hoofdstuk ‘Nissewaard in de regio’ aan met een beschrijving van de relevante regionale opgaven. Naast de kaart uit het ontwikkelperspectief van de NOVEX Zuidelijke Randstad zal ook de kaart uit het ontwikkelperspectief
Nota van beantwoording 13 Omgevingsvisie Nissewaard
van de NOVEX Rotterdamse haven worden opgenomen, wat een goed beeld geeft van de positie van Nissewaard in de regio.
Zienswijze 3.3.C Samenwerking In de ontwerp-omgevingsvisie wordt volgens de provincie geen aandacht besteed aan de processen waar de gemeente samen met regiopartners aan gezamenlijke opgaven werkt. Het gaat volgens de provincie o.a. om het ZH-PLG, NOVEX Rotterdamse haven, NOVEX Zuidelijke Randstad en de gebiedsuitwerking van de Ruimtelijke Puzzel. Zo komen volgens de provincie de nadelige effecten van de Rotterdamse haven voor het leefklimaat zoals havengeluid niet aan bod.
Antwoord De omgevingsvisie is een document dat voor zowel inwoners, als ontwikkelaars als maatschappelijke partners begrijpelijk moet zijn. Om die reden heeft de gemeente de opgaven die in de regionale processen zoals het ZH-PLG en de NOVEX-trajecten centraal staan benoemd, maar de processen zelf niet. Uiteraard hecht de gemeente wel waarde aan deze processen en heeft zij in een apart hoofdstuk in de ontwerp-omgevingsvisie (‘Nissewaard in de regio’) aangegeven wat die bijdrage aan de regionale opgave kan zijn. Het denken hierover staat echter niet stil. De gemeente levert onder andere een actieve bijdrage aan de NOVEX Rotterdamse haven door een gebiedsuitwerking voor Voorne-Putten te maken en aan de gebiedsuitwerking regio Rotterdam (onderdeel van de ruimtelijke puzzel van de provincie Zuid-Holland).Voor wat betreft de nadelige effecten van de Rotterdamse haven nemen we de volgende tekst op in het hoofdstuk ‘Nissewaard in de regio’: “De activiteiten in de Rotterdamse haven hebben nu en in de toekomst invloed op de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en ontwikkelruimte in Nissewaard. Hierover blijven we in gesprek met onze partners in het havengebied.”
Zienswijze 3.3.D Wonen De provincie adviseert om de ambitie voor nieuwe woningbouwlocaties vooral binnen het bestaande stads- en dorpsgebied te zoeken, te kwantificeren, te concretiseren en te koppelen aan benoemde, haalbare locaties, in lijn met de regionale Woondeal. Een dergelijke opgave vraagt volgens de provincie om een zeer compacte en efficiënte ruimtelijke inrichting.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.E Balans in de woningvoorraad De provincie vindt het positief dat de gemeente de woningvoorraad meer in balans wil brengen door woningen te bouwen die nu ondervertegenwoordigd zijn, zoals woningen voor starters en senioren.
Antwoord De gemeente waardeert de steun van de provincie om de woningvoorraad meer in balans te brengen.
Zienswijze 3.3.F Sociale huur De provincie mist aandacht voor het behoud van sociale en betaalbare woningen in de gemeente. Zij vindt dat de gemeente met 33% een mooi aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad heeft. Zij vraagt om dit aandeel op peil te houden en in ieder geval niet onder de 30% te laten zakken. De provincie vindt dat een betere spreiding van sociale huur over de stad alleen plaats kan vinden als dit past binnen het omgevingsbeleid van de provincie.
Nota van beantwoording 14 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord Nissewaard kenmerkt zich niet alleen door een relatief hoog percentage sociale huur, maar ook door een aantal grote clusters van sociale huur. In de ontwerp-omgevingsvisie is beargumenteerd dat dit de kwetsbaarheid van deze buurten versterkt. De opgave in Nissewaard is niet zozeer het toevoegen van sociale en betaalbare woningen, maar het beter spreiden van de sociale voorraad, de bestaande voorraad toekomstbestendig maken en het toevoegen van segmenten die ondervertegenwoordigd zijn. Op die manier ontstaat er een betere balans in de woningvoorraad waardoor doorstroming mogelijk is, er betaalbare woningen vrijkomen voor mensen die dat nodig hebben en buurten sterker worden.
Zienswijze 3.3.G Specifieke doelgroepen De provincie vindt het positief dat wordt ingezet op specifieke doelgroepen, zoals woonvormen met zorg op maat voor kwetsbare inwoners en flexwoningen om te voorkomen dat mensen dakloos dreigen te worden.
Antwoord De gemeente waardeert de steun om in te zetten op specifieke doelgroepen.
Zienswijze 3.3.H Maatschappelijke voorzieningen De provincie vraagt aandacht voor het behoud en de versterking van maatschappelijke voorzieningen zoals scholen, zorg- en welzijnsfuncties, zodat de leefbaarheid in balans blijft met de woningbouwopgave.
Antwoord De gemeente kan zich vinden in het standpunt dat het behoud van maatschappelijke voorzieningen van belang is voor de leefbaarheid. Om die reden is één van de vier kernopgaven uit de ontwerpomgevingsvisie ‘werk en voorzieningen nabij’. Bij de ruimtelijke keuze ‘variëren en mengen’ is aangegeven dat de gemeente streeft naar een divers aanbod van banen en voorzieningen. Bij de ruimtelijke keuze ‘ontmoetingsplekken’ is aangegeven dat we zorgen dat ‘verenigingen en dagelijkse voorzieningen makkelijk bereikbaar en toegankelijk zijn’. Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ staat dat ‘we het belangrijk vinden dat iedereen kan sporten en spelen’. Dit zijn belangrijke uitgangspunten bij ruimtelijke ontwikkelingen en de wijkaanpak in de gemeente.
Zienswijze 3.3.I Zoekgebieden De provincie constateert dat in de ontwerp-omgevingsvisie enkele woningbouwlocaties (of zoekgebieden) op de kaart zijn weergegeven die niet passen in het provinciale omgevingsbeleid. De gemeente heeft hier ook aandacht voor gevraagd in een zienswijze op de herziening 2025 van het provinciale omgevingsbeleid. De provincie waardeert het open gesprek hierover en hoopt de komende periode vooral samen te werken aan versnelling van woningbouw op die locaties waar de provincie en de gemeente het over eens zijn.
Antwoord De woningbouwlocaties en zoekgebieden voor woningbouw die op de visiekaart van de ontwerpomgevingsvisie zijn opgenomen hebben de potentie om de leefbaarheid van wijken en de vitaliteit van dorpen te verbeteren. De uitgangspunten voor deze locaties zijn in de ontwerp-omgevingsvisie opgenomen in de acht ruimtelijke keuzes. Met het juiste programma en een goede inpassing in de omgeving wordt bijgedragen aan de woningbehoefte, het verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt en het aantrekken van nieuwe doelgroepen. Dit is nodig om de kwetsbare New Townwijken te versterken en de vitaliteit van de kernen te waarborgen. Afhankelijk van de locaties worden
Nota van beantwoording 15 Omgevingsvisie Nissewaard
andere opgaven, zoals waterberging, het versterken van het groenblauwe netwerk of het versterken van de wijkeconomie, aan de ontwikkelingen gekoppeld.
De gemeente dankt de provincie voor de waardering voor het open gesprek en zij zet hier ook voor het vervolg op in. Zij is het eens met de noodzaak van het versnellen van de woningbouw binnen de gemeente. Kijkend naar het provinciaal omgevingsbeleid en de ontwerp-omgevingsvisie lijkt er overeenstemming te zijn over de na te streven strategische doelen. Dit is wat de gemeente betreft een goede basis voor het gesprek.
Zienswijze 3.3.J New Town De opgave in Nissewaard voor de kwetsbare wijken is bij de provincie in beeld. De provincie steunt de aanpak van kwetsbare wijken via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. In samenwerking met de NPLV-gebieden en New Town-gemeenten gaat de provincie onderzoeken hoe en waar in deze wijken een betekenisvolle bijdrage kan worden geleverd aan de verbetering van de leefbaarheid.
Antwoord De gemeente waardeert de betrokkenheid van de provincie bij de New Town-opgave. De opgaven voor New Town Spijkenisse zijn groot en vragen om een lange termijn aanpak richting 2050. Ingezet wordt op een samenhangende aanpak waarin we fysiek, sociaal, werk, economie en veiligheid aan elkaar verbinden. Daarbij trekt de gemeente op met maatschappelijke partners, de New Towngemeenten en het Rijk. De gemeente onderzoekt graag samen met de provincie en de andere New Town gemeenten in Zuid-Holland op welke manier de provincie een bijdrage kan leveren in deze New Town-wijken.
Zienswijze 3.3.K Boerderijwinkels De provincie ondersteunt de zoektocht naar toekomstbestendige verdienmodellen voor de ondernemers in het landelijk gebied en verkoop van producten uit eigen teelt bij agrarische bedrijven is veelal mogelijk. De provincie wil voorkomen dat er ook andere producten worden verkocht bij boerderijwinkels, omdat dit de positie van de (wijk)winkelcentra in de gemeente ondergraaft.
Antwoord Dit sluit aan bij het detailhandelsbeleid van de gemeente. We nuanceren de tekst bij de ruimtelijke keuze ‘metropolitaan landschap’ met de volgende zin: “of het starten van een boerderijwinkel voor de verkoop van lokaal geteelde producten.”
Zienswijze 3.3.L Bedrijven De provincie vindt de inzet van de gemeente op het ‘service valley’ concept, de circulaire economie, de uitbreiding van Halfweg-Molenwatering, maar ook de inzet op versterking van andere belangrijke economische pijlers verstandig. De provincie blijft graag in overleg over de uitwerking van de plannen voor uitbreiding. Wat haar betreft liggen hier kansen voor de realisatie van een toekomstbestendig bedrijventerrein die ook een belangrijke invulling kan geven aan andere opgaven.
Antwoord De gemeente ziet deze kansen ook en gaat hier graag over in gesprek met de provincie.
Nota van beantwoording 16 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 3.3.M Nabijheid van werk De provincie juicht de inzet op nabijheid van werk toe, maar mist de concrete keuzes die bijvoorbeeld in de bestaande woonwijken kunnen zorgen voor meer ruimte voor werken.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie kiest de gemeente voor variëren en mengen. Dat betekent onder andere dat de gemeente zowel in het stadscentrum als in de wijken en de kernen inzet op het mengen van functies. Hoe deze functiemenging er idealiter uitziet is per wijk of kern verschillend. In de ontwerp-omgevingsvisie agenderen we de ambitie voor meer werkgelegenheid in de wijken en de kernen zodat als de kans om werkgelegenheid toe te voegen zich voordoet, bijvoorbeeld bij ruimtelijke initiatieven en gebiedsontwikkelingen, we deze kunnen verzilveren. Zie ook thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.N Monumenten De provincie constateert dat er veel aandacht is voor erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Zij waardeert de benadering waarbij naast beschermen en benutten ook het ontwikkelingsgericht inzetten van erfgoed naar voren komt. De provincie vraagt om het aantal monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten concreet te benoemen en in de omgevingsvisie en het omgevingsplan aandacht te besteden aan de omgeving van de monumenten.
Antwoord Het aantal monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten is niet in de ontwerpomgevingsvisie benoemd om te voorkomen dat de visie bij de aanwijzing van nieuwe monumenten achterhaald is. Het belang van de omgeving van het monument zullen we benoemen bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’.
Zienswijze 3.3.O Landgoedbiotoop en molenbiotopen De provincie vraagt om in de omgevingsvisie aandacht te besteden aan de landgoedbiotoop en de molenbiotopen, overeenkomstig het Zuid-Hollandse erfgoedbeleid. De provincie constateert dat vlakbij de vier molenbiotopen (potentiële) woningbouwlocaties gepland zijn.
Antwoord De landgoedbiotoop en molenbiotopen inclusief regelgeving zijn opgenomen in het omgevingsplan. Bij ontwikkelingen in de gemeente wordt rekening gehouden met deze biotopen.
Zienswijze 3.3.P Beschermde stads- en dorpsgezichten De provincie vraagt aandacht voor het behouden van de cultuurhistorische waarden van de in de gemeente Nissewaard aanwezige beschermde stads- en dorpsgezichten.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ staat dat we inzetten op het behouden en beleven van het cultureel erfgoed. Hier vallen beschermde stads- en dorpsgezichten uiteraard ook onder. We voegen dit aan de tekst toe. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van de beschermde stads- en dorpsgezichten.
Zienswijze 3.3.Q Archeologie De provincie vraagt de archeologische waarden die er in de gemeente zijn in de omgevingsvisie te benoemen en aan te geven wat de ambities zijn op het gebied van behoud en ontwikkeling van het
Nota van beantwoording 17 Omgevingsvisie Nissewaard
archeologisch erfgoed. Daarnaast constateert de provincie dat bij een aantal archeologische terreinen van provinciaal belang diverse ontwikkelingen zijn voorzien, zoals tussen Spijkenisse en Geervliet.
Antwoord De archeologische waardenkaarten van de voormalige gemeenten Bernisse en Spijkenisse zijn opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nissewaard.
We voegen bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ de volgende passage toe. “De bodem bevat sporen van de geschiedenis van Nissewaard tot ongeveer 2900 voor Christus. We behouden dit archeologisch bodemarchief zoveel mogelijk. Wanneer werkzaamheden leiden tot bodemverstoring die niet kunnen worden voorkomen, vindt archeologisch onderzoek plaats om het bodemarchief in kaart te brengen en eventuele waardevolle archeologische vondsten veilig te stellen.”
Zienswijze 3.3.R Recreatie De provincie waardeert de aandacht voor verschillende soorten recreatie (voor verschillende doelgroepen) en recreatieve routes. De provincie vindt dat er te weinig aandacht is voor het combineren van recreatie met andere functies en opgaven en het benutten van het toeristisch recreatief potentieel van erfgoed.
Antwoord De gemeente onderschrijft de kans om het toeristisch recreatief potentieel van erfgoed waar het kan te benutten. De gemeente werkt hiervoor samen binnen de provinciale erfgoedlijn Haringvliet.
Zienswijze 3.3.S Toegankelijkheid De provincie mist in de ontwerp-omgevingsvisie wat de gemeente gaat doen aan toegankelijkheid (inclusiviteit) voor mensen met een beperking.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ staat dat de openbare ruimte een prettige plek moet zijn die voor iedereen toegankelijk en veilig is. Deze ambitie sluit aan op de visie inclusie die in 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld. Hierin zijn uitgangspunten opgenomen voor de inrichting en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving waaronder het voorkomen van obstakels die bewegen belemmeren, duidelijk bewegwijzering, toegankelijkheid van openbaar vervoer, etc. Deze uitgangspunten worden nader uitgewerkt in de nog op te stellen inclusieagenda.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.T Ruimtelijke kwaliteit De provincie mist de concrete uitwerking van keuzes met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Zij vraagt zich af wat het betekent dat de ruimtelijke kwaliteit van het landschap het uitgangspunt is of dat hogere eisen worden gesteld aan ruimtelijke kwaliteit. De provincie vindt het een gemiste kans dat bestaande ruimtelijke kwaliteit niet expliciet in kaart is gebracht, zij denkt dat de ontwerpomgevingsvisie op die manier beperkt richtinggevend is.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Nota van beantwoording 18 Omgevingsvisie Nissewaard
In het hoofdstuk ‘Hier zijn wij trots op’ worden de kernmerken en kwaliteiten per gebied op hoofdlijnen omschreven. Voor meer informatie over de ruimtelijke kwaliteit van Nissewaard wordt in de ontwerp-omgevingsvisie verwezen naar verschillende documenten: het gebiedsprofiel VoornePutten (Feddes/Olthof), Post 65-erfgoed Spijkenisse (INTI, 2026) en de beschrijvingen van beschermde stads en dorpsgezichten, gemeentelijke monumenten en Rijksmonumenten.
Zienswijze 3.3.U Metropolitaan landschap De provincie vindt de benaming ‘metropolitaan landschap’ wat verwarrend. De gemeente wordt volgens haar gekenmerkt doordat zij zowel ruimte biedt aan het bijna hoogstedelijke Spijkenisse, als aan kleine kernen in een prachtig landelijk gebied. Wat de provincie betreft is de uitdaging hoe je de stad-land-overgang zo goed mogelijk zou kunnen inrichten. Het is volgens haar niet duidelijk wat de ambitie om deze overgang te verzachten betekent voor ruimtelijke plannen in het gebied.
Antwoord De gemeente heeft gekozen voor de term metropolitaan landschap om de onlosmakelijke verbinding tussen de metropool Rotterdam-Den Haag en de Zuid-Hollandse Delta te omschrijven. Het deltalandschap heeft als het gaat om het economisch vestigingsklimaat, recreatie, de zoetwatervoorziening en de voedselvoorziening een belangrijke functie voor de metropool.
De gemeente herkent zich in de uitdaging om de stad-land-overgang zo goed mogelijk in te richten. Daarbij is zij van mening dat dit om lokaal maatwerk vraagt. Wat dit betekent voor ruimtelijke plannen in het gebied is onderdeel van de uitwerking volgens de denk- en werkwijze uit de ontwerpomgevingsvisie. Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.V Groenblauwe netwerk In de ontwerp-omgevingsvisie wordt volgens provincie niet benoemd wat de belangrijke groenblauw structuren zijn en hoe de gemeente die wil versterken. Maatwerk kan volgens de provincie het beste geleverd worden als hier duidelijkheid over is.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.W Visiekaart De visiekaart is volgens de provincie meer gericht op functies dan op kwaliteiten, waaronder de enorme landschappelijke variëteit. Daarmee wordt volgens de provincie de kansen om de ruimtelijke kwaliteiten die er zijn te versterken gemist.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1). De ruimtelijke kwaliteiten en kenmerken zijn benoemd in hoofdstuk ‘Hier zijn wij trots op’.
Zienswijze 3.3.X Mobiliteit De provincie vraagt aandacht voor fietsbereikbaarheid en openbaar vervoer bij werklocaties. De provincie vindt dat bij de uitwerking van de visie invulling aan en uitwerking van het STOMP-principe gegeven moeten worden.
Nota van beantwoording 19 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord Om ervoor te zorgen dat de omgevingsvisie voor iedereen begrijpelijk is de afkorting ‘STOMP’ niet in de ontwerp-omgevingsvisie opgenomen. Het STOMP-principe is wel gebruikt bij het opstellen van de ontwerp-omgevingsvisie. Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ staat dat we bij ontwikkelingen het fiets- en wandelnetwerk centraal stellen. Hier wordt ook deelmobiliteit genoemd. Bij de opgave ‘werk een voorzieningen dichtbij’ staat de wens om openbaar vervoer en fietsverbindingen naar de Rotterdamse haven te verbeteren.
Om het STOMP-principe ook bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ te benadrukken, voegen we de volgende zin toe: “We zetten de komende jaren in op het verbeteren van de doorstroming op belangrijke verkeersaders zoals de Hartelweg, de Groene Kruisweg en de Schenkelweg en het versterken van het fietspadennetwerk.”
Zienswijze 3.3.Y Oeververbinding De provincie begrijpt de ambitie van een extra oeververbinding. Zij vindt echter dat nut en noodzaak van een extra oeververbinding vooralsnog niet is aangetoond en de financiële haalbaarheid een uitdaging zal worden.
Antwoord De gemeente neemt kennis van dit standpunt. Nut en noodzaak hangen samen met andere ruimtelijke en economische ontwikkelingen en keuzes. Deze zullen in samenhang verder onderzocht moeten worden. Ditzelfde geldt voor de financiële consequenties.
Zienswijze 3.3.Z Visiekaart De provincie vindt de kleurkeuze voor de wegenstructuur (groen) geen gelukkige.
Antwoord Er is bewust gekozen voor groen omdat wegen vaak ook groene corridors door het bebouwd gebied zijn of op dijken in het landschap liggen.
Zienswijze 3.3.AA Energie De provincie vindt het positief dat de inzet op collectieve (regionale) warmte (warmtenetten) is opgenomen in de ontwerp-omgevingsvisie. De opwek van duurzame energie met wind wordt volgens de provincie slechts zijdelings benoemd. Zij vindt dit een belangrijk onderdeel van onze gezamenlijke opgave.
Antwoord De gemeente ziet de opwek van lokale energie als essentieel onderdeel voor een energienetwerk van de toekomst. Dit wordt in de ontwerp-omgevingsvisie onder de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ benadrukt. Er wordt op dit moment in opdracht van de gemeente een onderzoek uitgevoerd waarin de verschillende mogelijke scenario’s voor het toekomstig energienetwerk worden uitgewerkt. Lokale en duurzame opwek van energie zal hoe dan ook benodigd zijn, de totale hoeveelheid en locatie is echter nog niet duidelijk.
Zienswijze 3.3.AB Energienetwerk De provincie vraagt om meer aandacht voor de ruimtelijke impact van investeringen in het energienetwerk van de toekomst. De opgave vraagt volgens de provincie om met een brede blik naar de noodzakelijke afweging van belangen in de ruimte te kijken.
Nota van beantwoording 20 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord De gemeente ziet, net als de provincie, dat het energienetwerk van de toekomst, zowel op hoog, midden als laagspanningsniveau, ruimtelijke impact zal hebben. Van nieuwe kabels en transformatorstations, tot transformatorhuisjes in de wijken. De ontwerp-omgevingsvisie faciliteert de ruimtelijke afweging die hiervoor nodig is. Bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ wordt in de ontwerp-omgevingsvisie benadrukt dat bij de aanleg en beheer van netwerken een integrale en ruimtelijke blik essentieel is.
Hoe het energienetwerk van de toekomst eruit komt te zien is nog niet duidelijk. De gemeente laat op dit moment een onderzoek uitvoeren om de mogelijke scenario’s in beeld te brengen. Concrete projecten kunnen in de toekomst volgens de denk- en werkwijze uit de ontwerp-omgevingsvisie worden uitgewerkt.
Zienswijze 3.3.AC Biodiversiteit Volgens de provincie komt het thema biodiversiteit beperkt voor in de ontwerp-omgevingsvisie. Er staan wel verschillende provinciale opgaven in benoemd zoals dynamische natuur, weidevogels, groenblauwe dooradering, KRW, exotenbestrijding en het versterken van het groenblauwe netwerk. Hoe dit er uit gaat zien komt volgens de provincie niet terug.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 3.3.AD Water en bodem sturend Er wordt volgens de provincie weinig concrete invulling gegeven aan ‘water- en bodemsturend’. Alleen zoekgebieden voor ‘waterbergingslocaties’ op de kaart is volgens de provincie niet genoeg. Volgens de provincie zal in de gemeente rekening gehouden moeten worden met de gevolgen van klimaatverandering, zowel in landelijk als stedelijk gebied. Wat de provincie betreft past dit ook bij de ‘eerste stap’ van de (beoogde) ‘werk- en denkwijze’ uit de ontwerp-omgevingsvisie. Het zou volgens haar mooi zijn wanneer de gemeente dit vertrekpunt ook zou hanteren bij het maken van haar eigen omgevingsvisie.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1) en ‘water- en bodemsturend’ (paragraaf 2.2).
Zienswijze 3.4.A Water en bodem sturend Het waterschap vindt dat het belang van water en bodem sterker terug moet komen in de visie, bijvoorbeeld bij de ruimtelijke keuze ‘verdichten en verdunnen’.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘water- en bodemsturend’ (paragraaf 2.2).
Nota van beantwoording 21 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 3.4.B Watersysteem Er is volgens het waterschap niet alleen ruimte voor dijkversterking nodig (bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’), maar ook voor het vergroten van het watersysteem. Daarnaast stelt het waterschap voor om onder ‘Nissewaard in de regio’ de wateropgave te benoemen.
Antwoord We nemen de suggestie over in de tekst.
Zienswijze 3.4.C Bodemdaling Het waterschap geeft aan dat de uitspraak dat met een robuust watersysteem bodemdaling en de gevolgen voor funderingen kan worden tegengegaan niet helemaal klopt. De bodem zakt hoe dan ook, dat is volgens het waterschap niet altijd tegen te gaan door een robuust watersysteem of ander peilbeheer.
Antwoord We passen de zin bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ aan. “Met een robuust bodem- en watersysteem kunnen we de gevolgen van bodemdaling en funderingsproblematiek voor een deel beperken.”
Zienswijze 3.4.D Verzilting Het waterschap vraagt zich af waar de aanname dat het aannemelijk is dat het waterschap en agrariërs dankzij de aanwezigheid van de Bernisse als zoetwaterhub maatregelen kunnen nemen om perioden van incidentele verzilting door te kunnen komen vandaan komt. Volgens het waterschap kan de Bernisse ook verzilten, en bij zoetwatergebrek staat de landbouw niet bovenaan de verdringingsreeks.
Volgens het waterschap is het waar dat er gekeken moet worden naar maatregelen om perioden van droogte/verzilting te kunnen doorstaan. Het waterschap is daarom blij dat de gemeente zich als partner ziet voor de maatregelen die nodig zijn voor de Bernisse.
Antwoord De gemeente is zich ervan bewust dat de landbouw niet bovenaan de verdringingsreeks staat en dat de Bernisse in extreme omstandigheden ook tijdelijk kan verzilten. Dit betekent dat er in samenwerking met waterschap en agrariërs een opgave ligt om te werken aan toekomstbestendige landbouw en een robuuste zoetwatervoorziening.
We nuanceren de tekst bij de ruimtelijke keuze ‘Metropolitaan landschap’ als volgt: “De Bernisse voorziet de agrarische sector van zoet water. Het is aannemelijk dat het waterschap en agrariërs maatregelen kunnen nemen om perioden van incidentele verzilting door te komen.”
De gemeente werkt samen met de provincie, het waterschap, agrariërs, recreatieondernemers en natuurorganisaties binnen het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied aan deze opgaven. Zie verder de thematische beantwoording onder ‘Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied’ (paragraaf 2.6).
Zienswijze 3.4.E Zoet water In het hoofdstuk ‘Nissewaard in de regio’ wordt aangegeven dat Nissewaard één van de weinige plekken in West Nederland is waar de aanvoer van zoetwater via de rivieren op lange termijn mogelijk blijft. Volgens het waterschap is dit erg afhankelijk van welke definitie van zoetwater en van
Nota van beantwoording 22 Omgevingsvisie Nissewaard
lange termijn er wordt gehanteerd. Zeer zoet water (bijvoorbeeld onder de 150 mg/L) op een termijn van voorbij 2050 wordt volgens het waterschap bijvoorbeeld erg lastig.
Antwoord Welke definitie van zoet water wordt gehanteerd is geen vraag die in de omgevingsvisie wordt beantwoord. Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1). Dit moet binnen de samenwerking van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied worden besproken. Zie thematische beantwoording onder ‘Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied’ (paragraaf 2.6).
We nuanceren de tekst in het hoofdstuk ‘Nissewaard in de regio’. We verwijderen de zin in het: “Nissewaard is één van de weinige plekken in West Nederland waar de aanvoer van zoetwater via de rivieren op lange termijn mogelijk blijft.” We voegen de volgende zin toe: “De Bernisse is aangelegd als zoetwatervoorziening voor de regio. Daarmee vormt Nissewaard een belangrijke schakel in de zoetwatervoorziening van West Nederland.”
Zienswijze 3.4.F Meerlaagsveiligheid Het waterschap vraagt om bij ‘toekomstbestendige keuzes’ meer aandacht te besteden aan meerlaagsveiligheid. Naast de ruimte voor het versterken van dijken en het watersysteem, is er volgens het waterschap ook ruimte nodig om te werken aan de gevolgbeperking van een eventuele overstroming. Daarnaast vraagt het waterschap aandacht voor de noodzaak van aanpassingen in de sociale structuren om meer bestand te zijn tegen extreme weersomstandigheden.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘meerlaagsveiligheid’ (paragraaf 2.5).
Zienswijze 3.4.G Gevolgen extreme regenval Bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’ staat dat extreme regenval schade kan veroorzaken aan huizen, straten en tuinen. Volgens het waterschap zijn de gevolgen voor infrastructuur en teelten hier ook van belang. Daarnaast staat hier dat de gevolgen van een overstroming groot kunnen zijn. Het waterschap vraagt aandacht voor gevolgbeperking door maatregelen in de ruimtelijke inrichting en de andere lagen van meerlaagsveiligheid.
Antwoord We nemen infrastructuur en teelten op in de opsomming bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’ op. “Extreme regenval kan schade veroorzaken aan huizen, straten, tuinen, infrastructuur en teelten.”
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘meerlaagsveiligheid’ (paragraaf 2.5).
Zienswijze 3.4.H Verdichting Het waterschap vindt het belangrijk om bij stedelijke verdichting de omgeving klimaatbestendig in te richten met voldoende ruimte voor water en groen. Overal verdichten leidt volgens het waterschap tot problemen bij weersextremen.
Antwoord De gemeente onderschrijft het belang van een klimaatbestendige inrichting bij stedelijke verdichting. De ontwerp-omgevingsvisie kent acht ruimtelijke keuzes die in samenhang moeten worden gelezen. Verdichten en verdunnen gaat dus samen met variëren en mengen en investeren in kwaliteit, etc. Bij
Nota van beantwoording 23 Omgevingsvisie Nissewaard
de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ wordt het belang een klimaatbestendige inrichting benoemd.
De ontwerp-omgevingsvisie beoogt de fysieke leefomgeving ook niet overal te verdichten. Voor verdichting wordt gekeken naar plekken die goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer of gelegen zijn langs de hoofdinfrastructuur. Door op deze plekken te verdichten kan op andere plekken juist worden verdund en kan het onbebouwd gebied grotendeels onbebouwd blijven, wat ook goed is voor de klimaatbestendigheid van het gebied.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘verdichten en vergroenen’ (paragraaf 2.4).
Zienswijze 3.4.I Meerlaagsveiligheid Bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ staat dat we bij nieuwe ontwikkelingen letten op het risico van overstromingen om het risico te beperken en het afwentelen van het risico op de omgeving te voorkomen. Volgens het waterschap geldt dit niet alleen bij overstromingen maar ook bij extreme neerslag en gaat meerlaagsveiligheid ook over gedrag van mensen.
Antwoord Deze tekst gaat over de inrichting van de openbare ruimte, één laag van meerlaagsveiligheid. De andere lagen komen elders in de ontwerp-omgevingsvisie aan bod. We passen de tekst bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ als volgt aan: “Bij nieuwe ontwikkelingen letten we op het risico van overstromingen (meerlaagsveiligheid) en extreme neerslag.”
Zie verder thematische beantwoording onder ‘meerlaagsveiligheid’ (paragraaf 2.5).
Zienwijze 3.4.J Waterketen Het waterschap vraagt om bij de ‘ambitie 2050’ of bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ de druk op de waterketen te benoemen. Volgens het waterschap is het van belang dat de nieuwe woningen kunnen worden aangesloten op de waterzuivering.
Antwoord We nemen waterzuivering op in de opsomming bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’. “Om de ontwikkeling van de gemeente te faciliteren is blijvend aandacht nodig voor het wegen-, drinkwater-, waterzuiverings-, warmte- en energienetwerk.
Zienswijze 3.4.K Wegen Onder het kopje ‘rivierenlandschap’ in het hoofdstuk ‘Hier zijn wij trots op’ is benoemd dat recreatieve routes over de dijken en langs het water de relatie tussen mens en natuur versterken. Het waterschap vraagt zich af of dit wenselijk en mogelijk is.
Antwoord Het betreft een omschrijving van de huidige situatie.
Zienswijze 3.4.L Vlucht- en evacuatieroutes Het waterschap vraagt bij de ruimtelijke keuze ‘robuuste netwerken’ te benoemen dat het wegennetwerk in tijden van crisis kan dienen als vlucht- en evacuatieroute.
Nota van beantwoording 24 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘meerlaagsveiligheid’ (paragraaf 2.5).
Zienswijze 3.4.M Visiekaart Het is volgens het waterschap niet duidelijk waar de visiekaart op is gebaseerd. Het waterschap vraagt om de uitgangspunten op basis waarvan de kaart tot stand is gekomen.
Antwoord De kaart is een globale vertaling van de ruimtelijke keuzes uit de ontwerp-omgevingsvisie. De kaart is bijgevoegd ter indicatie. De tekst van de visie prevaleert.
Zienswijze 3.4.N Versterken recreatie en biodiversiteit Op de visiekaart zijn icoontjes voor het versterken van recreatie en biodiversiteit opgenomen, met name rond de Bernisse. Het waterschap vraagt zich af hoe dit rijmt met waterkwaliteit en zoetwaterbeschikbaarheid.
Antwoord De plaatsing van de icoontjes is indicatief. Rond de Bernisse moeten de ambities voor recreatie, biodiversiteit, waterkwaliteit en zoetwaterbeschikbaarheid samengaan en elkaar versterken.
Zienswijze 3.4.O Zoetwatervoorziening Op de visiekaart zijn in de Bernisse icoontjes voor zoetwatervoorzieningen opgenomen. Volgens het waterschap wordt naast de Bernisse ook water ingelaten vanuit de Wolvenpolder en Spuimonding West. Niet het hele gebied is afhankelijk van de Bernisse.
Antwoord Er zijn inderdaad meer locaties dan alleen de Bernisse waar water wordt ingelaten in het gebied. Echter, de zoetwatervoorziening van de Bernisse beschouwen we als meest belangrijkste in het perspectief van de landbouw, de Rotterdamse haven, Midden Delfland en de ruimtelijk inrichting van Nissewaard. De symbooltjes zijn indicatief.
Zienswijze 3.4.P Park Vogelenzang Op de visiekaart staat op een icoontje voor zoekgebied waterberging in park Vogelenzang. Volgens het waterschap heeft het waterschap hier ook een opgave voor waterberging van 4,5 ha.
Antwoord Het tekentje betreft de opgave van het waterschap. Als gemeente werken wij samen met het waterschap aan waterberging in het gebied. Wij realiseren ons dat hier een grote opgave ligt en willen hiermee laten zien dat er in dit gebied ruimtelijke keuzes gemaakt moeten worden die hier rekening mee houden.
Zienswijze 3.4.Q Wateropgaven in het stedelijk gebied Het stedelijk gebied kent volgens het waterschap enkele forse wateropgaven waarin duidelijke keuzes te maken zijn. Dit wordt op de visiekaart niet duidelijk.
Nota van beantwoording 25 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord Het stedelijk gebied heeft inderdaad een opgave voor waterberging. Op dit moment wordt gewerkt aan een berekening van de waterbergingsopgave per wijk. Binnen het stedelijk gebied kunnen wij geen zoekgebieden voor waterberging aanwijzen, maar zoeken wij oplossingen in de klimaatadaptieve inrichting in elke straat. In de tekst benadrukken we dit bij de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’.
Zienswijze 3.4.R Beninger slikken Benninger slikken moet Beninger slikken zijn. Het natuurgebied heet Spuimonding west.
Antwoord We wijzigen Benninger Slikken in Beninger slikken.
Zienswijze 3.4.S NNN Het waterschap stelt voor om het Natuurnetwerk Nederland op de kaart aan te geven.
Antwoord We nemen het Natuurnetwerk Nederland op de kaart op.
Zienswijze 3.4.T Groenblauwnetwerk Het waterschap vraagt om van het groenblauwe netwerk in het stedelijk gebied een kaartje op te nemen.
Antwoord Het groenblauwe netwerk is op hoofdlijnen op de visiekaart weergegeven. Een meer specifieke weergave van de groenstructuur is opgenomen in het Beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026.
Nota van beantwoording 26 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 4.1.A Ontwikkelmogelijkheden bestaande bedrijfslocaties in het buitengebied Cumela vraagt mogelijkheden te creëren om bestaande locaties van Cumela-bedrijven (bedrijven in de groen-, grond en infrastructuursector) te kunnen ontwikkelen alsook te kunnen uitbreiden, alsmede nieuwvestiging in het buitengebied mogelijk te maken om uitvoering te kunnen geven aan de in de ontwerp-omgevingsvisie vermelde ambities.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie staat bij de ruimtelijke keuze ‘Metropolitaan landschap’ dat de agrarische sector de ruimte moet hebben om maatregelen te nemen die nodig zijn voor een duurzame toekomst. Aan de sector gerelateerde bedrijven horen hierbij.
Concrete initiatieven voor de uitbreiding of vestiging van bedrijven kunnen worden ingediend bij de gemeente en worden getoetst aan het omgevingsplan. Als een initiatief niet past, maar wel past bij de opgaven en ruimtelijke keuzes uit de ontwerp-omgevingsvisie kan worden onderzocht of een wijziging van het plan wenselijk en haalbaar is. Bij de uitwerking van een initiatief wordt gevraagd de stappen te zetten die in het hoofdstuk ‘werk- en denkwijze’ worden omschreven.
Zienswijze 4.1.B Erkennen en benoemen van het bestaansrecht van Cumela bedrijven Cumela vraagt om het bestaansrecht van Cumela-bedrijven in het buitengebied te erkennen en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie.
Antwoord Het bestaansrecht van bestaande (legale) bedrijven is juridisch geborgd in het omgevingsplan.
Bij de ruimtelijke keuze ‘metropolitaan landschap’ staat dat we ruimte bieden voor ontwikkelingen die nodig zijn om het landschap (waaronder de agrarische sector) toekomstbestendig te maken en de potentie van het gebied voor Nissewaard en de regio te benutten. Aan de sector gerelateerde bedrijven horen hierbij.
Zienswijze 4.1.C Bereikbaarheid Cumela vraagt om bij de aanleg, verandering of het onderhoud van alle ontsluitingswegen rekening te houden met het materieel van Cumela-bedrijven.
Antwoord Deze zienswijze betreft een aandachtspunt voor de aanleg en het beheer van wegen. Dit aandachtspunt past niet bij het abstractieniveau van de ontwerp-omgevingsvisie en is doorgegeven aan de wegbeheerders.
Zienswijze 4.1.D (Buiten)opslagmogelijkheden Cumela vraagt om bij de bedrijfslocaties van Cumela-bedrijven voldoende (buiten)opslagmogelijkheden toe te staan en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie.
Nota van beantwoording 27 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord Het al dan niet toestaan van voldoende opslagmogelijkheden is geregeld in het omgevingsplan. Regels over functies en gebruik horen niet thuis in de omgevingsvisie.
Concrete initiatieven voor de realisatie van opslagmogelijkheden kunnen worden ingediend bij de gemeente en worden getoetst aan het omgevingsplan. Als een initiatief niet past, maar wel past bij de opgaven en ruimtelijke keuzes uit de ontwerp-omgevingsvisie kan worden onderzocht of een wijziging van het plan wenselijk en haalbaar is. Bij de uitwerking van een initiatief wordt gevraagd de stappen te zetten die in het hoofdstuk ‘werk- en denkwijze’ worden omschreven.
Zienswijze 4.1.E Energie opwek en opslag Cumela verzoekt om bij de bedrijfslocatie van Cumela-bedrijven voldoende mogelijkheden te creëren om energie op te wekken en op te slaan en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie.
Antwoord Het al dan niet toestaan van mogelijkheden voor de opwek van energie is geregeld in het omgevingsplan. Regels over functies en gebruik horen niet thuis in de omgevingsvisie.
Concrete initiatieven voor de opwek van energie kunnen worden ingediend bij de gemeente en worden getoetst aan het omgevingsplan. Als een initiatief niet past, maar wel past bij de opgaven en ruimtelijke keuzes uit de ontwerp-omgevingsvisie kan worden onderzocht of een wijziging van het plan wenselijk en haalbaar is. Bij de uitwerking van een initiatief wordt gevraagd de stappen te zetten die in het hoofdstuk ‘werk- en denkwijze’ worden omschreven.
Zienswijze 4.2.A Buisleidingenstroken De indiener vraagt buisleidingen zoals opgenomen in het programma Energie Hoofdstructuur en het Register Externe Veiligheid op te nemen op de visiekaart, aan te geven dat deze buisleidingstroken bescherming genieten en dat het gemeentelijke beleid zich conformeert aan het landelijke beleid.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘ondergrondse infrastructuur’ (paragraaf 2.3).
Zienswijze 4.2.B Fietsstructuur Op basis van de visiekaart constateert de indiener dat er een fietsstructuur beoogd wordt die de ondergrondse buisleidingen van TOPN kruist. De indiener denkt graag in een vroeg stadium mee over de voorwaarde waarmee de buisleiding kan worden gekruist.
Antwoord Het betreft een bestaand fietspad. Wanneer er wijzigingen worden gedaan zullen alle relevante partners betrokken worden.
Zienswijze 4.2.C Nieuwbouw Op basis van de visiekaart constateert de indiener dat er nieuwbouwlocaties worden gezocht nabij de TOPN-leiding. De indiener attendeert de gemeente op het omgevingsveiligheidsaspect dat vanuit de Omgevingswet in acht genomen dient te worden. Indien de ontwikkelingen passen binnen het
Nota van beantwoording 28 Omgevingsvisie Nissewaard
juridisch kader van de Omgevingswet en geen fysieke bedreiging vormen voor de ondergrondse buisleidingen heeft de indiener geen bezwaar tegen deze ontwikkelingen.
Antwoord Op de visiekaart staan icoontjes voor zoekgebieden voor woningbouwlocaties weergegeven. Deze zoekgebieden zijn indicatief en betreffen geen concrete plannen. Het omgevingsveiligheidsaspect ter hoogte van de buisleidingen is bij de gemeente bekend.
Zienswijze 4.3.A Overgang stad-land LTO constateert dat een landschappelijk zorgvuldig vormgegeven overgang tussen stad en land wenselijk kan zijn, maar tegelijk gevolgen kan hebben voor het gebruik van landbouwgrond door individuele agrarische bedrijven. LTO vraagt om nader te verduidelijken waar dergelijke overgangszones komen en welke consequenties dit kan hebben voor het agrarisch grondgebruik.
Antwoord Er zijn nog geen concrete plannen voor de realisatie van de overgangszones. Het betreft een ambitie die in de toekomst volgens de denk- en werkwijze uit de ontwerp-omgevingsvisie kan worden uitgewerkt. Zie ook de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1). De gemeente is zich bewust van de gevolgen die dit kan hebben voor individuele agrarische bedrijven. Om die reden is in de ontwerp-omgevingsvisie benoemd dat bij ontwikkelingen op agrarische grond het gesprek met de agrarische sector wordt gevoerd.
Zienswijze 4.3.B Groenblauwe netwerk In veel gevallen vervullen agrarische gronden volgens LTO een belangrijke rol in het landschap en in de ecologische verbindingen. LTO gaat ervan uit dat de versterking van het groenblauwe netwerk primair wordt gerealiseerd door verbetering van bestaande structuren en beheer, en niet leidt tot een functiewijziging of planologische beperking van agrarische gronden.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied’ (paragraaf 2.6).
Zienswijze 4.3.C Uitbreiding stad en dorpen In de ontwerp-omgevingsvisie wordt aangegeven dat maximaal 3,5% van het landelijk gebied kan worden benut voor uitbreiding van stad en kernen. LTO begrijpt dit als een duidelijke begrenzing van het ruimtebeslag op landbouwgrond. LTO gaat ervan uit dat dit percentage fungeert als een bovengrens voor alle ruimtelijke ingrepen in het landelijk gebied waaronder stedelijke uitbreiding, overgangszones van het stedelijk naar het landelijk gebied (inclusief landschappelijke inpassing, waterberging of natuurontwikkeling) en ruimte voor het versterken van het groenblauwe netwerk en de duurzame energie- en warmtevoorziening.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie staat dat we niet meer dan 3,5% van het landelijk gebied benutten voor de uitbreiding van de stad en de kernen. Dit doen we om het water, de natuur en de landbouw, alle drie onderdeel van het landelijk gebied, de ruimte te geven die ze nodig hebben. Natuurontwikkeling, waterberging en het groenblauwe netwerk vallen daarmee niet onder de 3,5%,
Nota van beantwoording 29 Omgevingsvisie Nissewaard
tenzij deze onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van de stad en de kernen.
Over de ruimte die nodig is voor de duurzame energie- en warmtevoorziening is nog niet veel bekend. Voor het hoogspanningsnetwerk ligt de bevoegdheid bij het Rijk. De gemeente zal zich hard maken om gebiedsvreemde maatregelen in het landelijk gebied waar mogelijk te voorkomen en de impact op de landbouw, de natuur en het water zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast zet de gemeente zich in om de uitbreiding van energie infrastructuur die in het landelijk gebied moet landen, zo veel mogelijk onder de grond te laten plaatsvinden. De uitbreiding van het midden- en laagspanningsnetwerk zal hoofdzakelijk in het bebouwd gebied plaatsvinden. Voor de opwek en opslag van duurzame energie zet de gemeente zoveel mogelijk in op meervoudig ruimtegebruik en het benutten van marginale gronden.
Zienswijze 4.3.D Opgaven LTO vraagt om in de omgevingsvisie inzichtelijk te maken op welke wijze de opgaven zoals klimaatadaptatie en waterberging ruimtelijk worden verdeeld tussen het buitengebied en het stedelijk gebied; welke concrete maatregelen, beleidskeuzes of ruimtelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied worden overwogen en op welke wijze een evenwichtige verdeling van ruimtelijke en maatschappelijke opgaven binnen het gemeentelijk grondgebied wordt geborgd.
Antwoord Thema’s als klimaatadaptatie en waterberging komen op verschillende plekken in de ontwerpomgevingsvisie terug. Bij de ruimtelijke keuzes ‘de mens centraal’ staat dat we bij nieuwe ontwikkelingen en de reconstructie van de openbare ruimte maatregelen nemen om de negatieve gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk te voorkomen; bij ‘investeren in kwaliteit’ staat dat we het groenblauwe netwerk versterken. Bij ‘metropolitaan landschap’ staat dat we inzetten op een duurzame toekomst voor de agrarische sector en een toekomstbestendig watersysteem.
De waterbergingsopgaven worden per wijk berekend en zullen daarmee per gebied verschillen. De opgaven in het landelijk gebied zijn anders dan in het stedelijk gebied. Hier zal rekening mee worden gehouden in de oplossingsrichtingen. Zie verder de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 4.4.A Stedenbouw De natuurvereniging kan zich vinden in de gedachte dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden om binnen de bebouwde kom te zoeken naar locaties voor nieuwbouw en dat pas daarna in beperkte mate gezocht wordt naar nieuwbouwlocaties in het buitengebied.
Antwoord De gemeente waardeert de steun om nieuwbouw hoofdzakelijk in het bebouwd gebied te realiseren. Tegelijkertijd ziet de gemeente mogelijkheden om in beperkte mate nieuwbouw aan de randen van de stad en de kernen te realiseren, in combinatie met het verzachten van de stads- en dorpsranden.
Zienswijze 4.4.B Natuurinclusief bouwen De natuurvereniging vraagt om natuurinclusief bouwen, naast energieneutraal, circulair en duurzaam bouwen, als standaard in de omgevingsvisie op te nemen. Volgens de natuurvereniging moet er na
Nota van beantwoording 30 Omgevingsvisie Nissewaard
het bouwproces op een locatie een hogere biodiversiteit zijn of kunnen komen dan er voor aanvang van het bouwproces was. Dit is volgens de natuurvereniging vrij eenvoudig en met weinig kosten heel goed mogelijk.
Antwoord Bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ staat dat de gemeente inzet op het versterken van het groenblauwe netwerk, onder andere om de biodiversiteit te verbeteren. Alle ruimtelijke keuzes moeten in samenhang worden gelezen. Dat betekent dat bij nieuwbouw of transformatie ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit aandachtspunten zijn.
Deze ambitie is verder uitgewerkt in het beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026. In hoofdstuk 6.7 zijn beleidsregels opgenomen voor klimaatbestendig en ecologisch ontwerpen. In het Plan van Aanpak Ecologie 2024 is uitgewerkt wat er nodig is om de biodiversiteit van het openbaar groen te versterken. Zowel het beleidsplan als het Plan van Aanpak Ecologie zijn verwerkt in de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR). De LIOR vormt altijd het uitgangspunt bij nieuwbouwprojecten. Op deze manier verbetert de leefbaarheid én de biodiversiteit.
Tot slot is er de wettelijke verplichting om nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten (zoals gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen) te beschermen wanneer men wil starten met de verbouw of sloop van een pand.
Zienswijze 4.4.C Nieuwe bouwlocaties De natuurvereniging vindt dat bij het zoeken naar bouwlocaties in het landelijk gebied niet gezocht moet worden in ‘marginale’ landbouwgebieden. Deze gronden zijn volgens de natuurvereniging voor de natuur en het klimaat (potentieel) waardevol. Veengebieden zijn geschikt voor weidevogels en voor bijzondere icoonsoorten uit de inheemse flora. Het activeren van levend veen is volgens de natuurvereniging een manier om CO2 op te slaan in de bodem die volgens de natuurvereniging effectiever is dan alle andere te nemen maatregelen i.v.m. de energietransitie.
Antwoord De ontwerp-omgevingsvisie gaat primair uit van nieuwbouwlocaties binnen de bestaande contouren van de stad. Waar dat nodig is voor de leefbaarheid van wijken of de vitaliteit van kernen wordt er naar beperkte uitbreiding in de stad- en dorpsranden gekeken. Er wordt maximaal 3,5% van het landelijk gebied benut voor de uitbreiding van de stad en de kernen. Dat betekent dat het overgrote deel van het landelijk gebied zijn agrarische, recreatieve, natuur- en/of waterfunctie behoudt. Uitgangspunt bij uitbreiding is dat de overgang van het bebouwd gebied naar het landelijk gebied wordt verzacht. Dit kan worden bereikt met een zorgvuldig landschappelijke inpassing. Zo komt er met de uitbreiding meer ruimte voor de natuur. Tegelijkertijd verliest de gemeente het belang van de landbouw niet uit het oog. Om te voorkomen dat de agrarische sector dusdanig krimpt dat het niet langer concurrerend kan zijn, kijkt de gemeente zoveel mogelijk naar marginale landbouwgronden.
Zienswijze 4.4.D Openbaar groen De natuurvereniging vindt dat bij het zoeken naar nieuwe bouwlocaties binnen de bebouwde kom niet moet worden ingezet op inkrimping van het openbaar groen. De natuurvereniging vraagt daarnaast om de (her-) inrichting en beheer van openbaar groen te baseren op een ecologische grondslag. Het gaat daarbij om gefaseerd maaien en aanplant van inheemse bomen, struiken en planten.
Nota van beantwoording 31 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord In het beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026 heeft de gemeente de hoofd- en subgroenstructuren op kaart vastgelegd en benoemd. Voor de (her-)inrichting en beheer van openbaar groen zijn bij hoofdstuk 6.7 beleidsregels Duurzaam Groen opgenomen. Hier staan onder andere regels voor het ontwikkelen van diverse biotopen en het toe te passen inheems sortiment. In het Plan van Aanpak Ecologie 2024 is uitgewerkt wat er nodig is om de biodiversiteit van het openbaar groen te versterken.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘verdichten en vergroenen’ (paragraaf 2.4).
Zienswijze 4.4.E Bedrijventerreinen De natuurvereniging vindt dat nieuwe bedrijfsterreinen, sportvelden en sporthallen natuurinclusief moeten zijn en dat bestaande bedrijfsterreinen, sportvelden, sporthallen op termijn natuur inclusief gemaakt moeten worden. Zij denkt dat dit goed kan en in relatie tot de voordelige maatschappelijke effecten ook nog eens goedkoop is.
Antwoord We benutten de vervanging van de openbare ruimteom de bestaande openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig en groen in te richten. Zie de ruimtelijke keuzes ‘de mens centraal’ en ‘investeren in kwaliteit’.
Voor wat betreft nieuwbouw: zie het antwoord op zienswijze 4.4.B Natuurinclusief bouwen.
Zienswijze 4.4.F Landbouw De natuurvereniging mist een visie op de noodzakelijke transitie van de landbouw naar een toekomstbestendige bedrijfstak zonder pesticiden, zonder overbemesting (fosfaat), zonder verzuring (stikstof), zonder monoculturen, zonder overschrijding van andere normen op gebied van klimaat (CO2, methaan), waterkwaliteit, uitputting van de bodem en milieu. Door deze transitie expliciet te benoemen wordt het steeds groter wordende aantal regeneratieve boeren, biologische boeren, boeren die aan agrarisch natuurbeheer doen en natuur inclusieve boeren volgens de natuurvereniging een grote dienst bewezen.
Antwoord In de ontwerp-omgevingsvisie is het belang van biodiversiteit, bodem- en waterkwaliteit benoemd, onder andere bij de opgave ‘ruimtelijke kwaliteit’ onder ‘biodiversiteit’ en bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’. Hier wordt ook benoemd dat steeds meer boeren maatregelen nemen om de natuur in het landelijk gebied te verbeteren.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied’ (paragraaf 2.6).
Zienswijze 4.4.G Basiskwaliteit Natuur De natuurvereniging vraagt om het verbeteren van de Basiskwaliteit Natuur expliciet in de omgevingsvisie op te nemen. Hierdoor hoeft er volgens de natuurvereniging minder landbouwgrond te worden opgeofferd voor oppervlakte vergroting en connectiviteit van natuur, bouw je een sterk natuurnetwerk Nissewaard, verhoog je de kwaliteit van wonen, werken, gezondheid, klimaatadaptatie, sociale samenhang en meer.
Nota van beantwoording 32 Omgevingsvisie Nissewaard
Antwoord De gemeente is het eens met het belang van de kwaliteit van de natuur voor onder andere wonen, werken, gezondheid, klimaatadaptatie en sociale samenhang. In de ontwerp-omgevingsvisie wordt daarom de kwaliteit van de natuur bij de opgave ‘ruimtelijke kwaliteit’ onder ‘biodiversiteit’ omschreven. Bij de ruimtelijke keuze ‘investeren in kwaliteit’ is aangegeven de ambitie om de kwaliteit van het groenblauwe netwerk (van landschap naar park, van park naar wijkgroen en van wijkgroen naar buurtgroen) te versterken.
Het belang van de kwaliteit van de natuur is voor het openbaar groen van Nissewaard is eveneens vastgelegd in het beleidsplan Groen en Bomen 2023-2026 en uitgewerkt in het Plan van Aanpak Ecologie 2024. Het belangrijkste doel is het versterken van de biodiversiteit in Nissewaard.
Zienswijze 4.5.A Buisleidingen De indiener vraagt de volgende passage in de omgevingsvisie op te nemen: “Buisleidingen vormen een 'vitale infrastructuur' en maken met hun belemmeringen- en veiligheidszones deel uit van de ondergrondse openbare ruimte die een goede regeling en een gepaste bescherming behoeft door deze in de ruimtelijke plannen op te nemen”.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘ondergrondse infrastructuur’ (paragraaf 2.3).
Zienswijze 4.6.A Samenwerking TenneT stelt het op prijs dat er in de ontwerp-omgevingsvisie aandacht is voor onder meer de groei van een robuust energienetwerk en onder- en bovengrondse ruimte die hiermee gemoeid is. TenneT vindt het fijn om hierover als partners gesprekken te hebben om knelpunten tijdig te signaleren en samen oplossingen te zoeken die ontwikkeling mogelijk maken en de leefomgeving versterken.
Antwoord De gemeente dankt TenneT voor de positieve reactie en onderschrijft het belang van een goede samenwerking met de betrokken partners.
Zienswijze 4.6.B Visiekaart Binnen het grondgebied van de gemeente Nissewaard bevindt zich diverse hoogspanningsinfrastructuur van 380kV en 150kV (bovengronds en ondergronds). Om het hoogspanningsnet meer modulair, robuust en toekomstbestendig te maken wordt hard gewerkt aan het elektriciteitsnet. TenneT verzoekt het ondergrondse 380kV - en 150kV hoogspanningsnet en eventueel toekomstig ruimtebeslag te benoemen en op de visiekaart weer te geven.
Antwoord Zie thematische beantwoording onder ‘ondergrondse infrastructuur’ (paragraaf 2.3).
Nota van beantwoording 33 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 4.6.C Ruimtelijke borging De aanwezigheid van hoogspanningsinfrastructuur kan beperkingen opleveren voor het gebruik van gronden. Bovendien is het van belang dat hoogspanningsverbindingen bereikbaar zijn voor onderhoud, storingen en/of calamiteiten. TenneT vraagt om in het omgevingsplan rekening te (blijven) houden met de aanwezigheid van deze infrastructuur.
Antwoord De door TenneT verzochte borging is onderdeel van het omgevingsplan.
Zienswijze 4.6.D Ontwikkelingen TenneT verzoekt ontwikkelingen die mogelijk de betrouwbaarheid en veiligheid van het functioneren van hoogspanningsinfrastructuur kunnen schaden, vooraf af te stemmen en pas toe te staan na een positief verkregen schriftelijk advies.
Antwoord Het is gebruikelijk om TenneT net als andere stakeholders te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen.
De gemeente heeft de (energie)infrastructuur goed in kaart. Waar mogelijk worden ontwikkelingen buiten belemmeringenstroken uitgevoerd. Als er ontwikkelingen plaatsvinden binnen belemmerde veiligheidsstroken, dan zal de beheerder van de stroken in de planvorming van de ontwikkelingen worden meegenomen.
Zienswijze 4.6.E Staalkaart TenneT wijst op de Staalkaart NBNL 'Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan' die TenneT in samenwerking met Netbeheer Nederland heeft opgesteld. Deze staalkaart betreft een handreiking om gemeentelijke ambities in samenhang met ambities op het gebied van energievoorzieningen bij elkaar te brengen in het omgevingsplan.
Antwoord De gemeente Nissewaard heeft kennisgenomen van de Staalkaart NBNL 'Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan'. Bij het opstellen van het omgevingsplan voor de gemeente wordt TenneT als een van de stakeholders betrokken.
Zienswijze 4.6.F Vooroverleg TenneT waardeert het dat gemeente Nissewaard TenneT regelmatig betrekt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze goede samenwerking voort te zetten vraagt TenneT om ook bij toekomstige plannen of beleidsdocumenten die relevant zijn voor het landelijke hoogspanningsnet in een vroeg stadium aan te schuiven in het vooroverleg.
Antwoord De gemeente hecht waarde aan de betrokkenheid van TenneT en neemt TenneT waar nodig in een vroeg stadium mee in toekomstige planvorming.
Nota van beantwoording 34 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 5.1.A Verzachten overgang stad/land De indiener mist een onderbouwing voor het op grote schaal aanduiden van verzachten overgang stad/land op de visiekaart. Hij ziet een discrepantie tussen de waarden die worden toegedicht aan het buitengebied en het aanduiden van zoekgebieden voor woningbouw aan de randen van de huidige bebouwing.
Antwoord Bij het opstellen van de ontwerp-omgevingsvisie stond de gemeente voor een belangrijke afweging: er is ruimte nodig voor zowel stedelijke opgaven als voor opgaven in het landelijk gebied. Enerzijds is schuifruimte nodig om kwetsbare buurten te versterken en kernen vitaal te maken, anderzijds hebben de landbouw en de natuur ruimte nodig om economisch vitaal en toekomstbestendig te blijven. Ook het cultuurlandschap van Nissewaard is van grote waarde, zowel voor de identiteit van de gemeente als voor het aantrekken van nieuwe inwoners en bedrijven. De gemeente heeft ervoor gekozen geen van beide uitersten te kiezen. Er wordt dus niet volledig afgezien van bouwen buiten de stad en de kernen, maar er wordt ook niet gekozen voor grootschalige uitbreiding. In plaats daarvan is in de ontwerp-omgevingsvisie vastgelegd dat tot 2050 maximaal 3,5% van het landelijk gebied mag worden ingezet voor ontwikkelingen die bijdragen aan de leefbaarheid van de stad en de kernen. Daarbij ligt de focus op gronden met een relatief lage waarde voor de agrarische sector, zoals vaak het geval is bij bestaande harde stads- en dorpsranden.
De gemeente heeft in de ontwerp-omgevingsvisie bij de opgave ‘sterke buurten’ de noodzaak van woningbouw geduid. Sommige buurten kampen met een monotone woningvoorraad, een concentratie van sociale huur, overlast, onveiligheid en sociale problematiek. De gemeente wil de kwetsbaarheid doorbreken door meer variatie in de woningvoorraad aan te brengen en sociale huur beter te spreiden. Dit gebeurt via verdichten (woningen toevoegen) en verdunnen (gerichte herstructurering). Voor deze aanpak is ‘schuifruimte’ nodig. Door in de buurt van een wijk (in de stadsrand) nieuwe typen woningen te bouwen ontstaat ruimte in de wijk om verouderde woningen gericht te vervangen. Zo wordt de woningvoorraad gevarieerder en kan de stedenbouwkundige structuur van de wijken worden verbeterd. Hoe de gebieden exact gaan veranderen is in de ontwerpomgevingsvisie niet uitgewerkt. De omgevingsvisie faciliteert de ruimtelijke afweging die hiervoor nodig is. Zodra er plannen zijn voor het verzachten van de stads- en dorpsranden vindt de gemeente het belangrijk dat deze zorgvuldig worden vormgegeven, samen met de belanghebbenden.
De gemeente ziet kansen om de ruimtelijke kwaliteit van het landschap te verbeteren door harde stads- en dorpsranden te verzachten. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om de gebieden die op de visiekaart zijn aangeduid als ‘verzachten overging stad/land’ volledig te benutten voor woningbouw of andere stedelijke functies. Wel biedt het verzachten van de randen de mogelijkheid om een woningbouwontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein goed landschappelijk in te passen. Op die manier gaan kwaliteitsverbetering van de harde randen en maatschappelijke opgaven samen op.
Om de keuze voor ontwikkelingen in de stads- en dorpsranden beter te onderbouwen zullen we in het hoofdstuk ‘Vier opgaven’ de noodzaak van schuifruimte en de kans om harde stads- en dorpsranden te verzachten benoemen.
Zie ook het antwoord op zienswijze 5.3.A.
Nota van beantwoording 35 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 5.2.A Stadsverwarming Volgens de indiener vraagt het gebruik van restwarmte van de industrie om een enorme investering van de gemeente en bewoners in de nieuwe infrastructuur die daarvoor nodig is. Ook de aanleg is volgens de indiener ingrijpend. Volgens de indiener is inzetten op het gebruik van waterstof, al dan niet in combinatie met aardgas, een efficiëntere wijze van verduurzamen. De indiener vraagt zich af of de hoeveelheid restwarmte van de industrie in de toekomst op hetzelfde niveau blijft. Er is volgens hem deugdelijk onderzoek nodig naar de diverse alternatieven voor verduurzaming.
Antwoord De gemeente stelt op dit moment een warmteprogramma op. Onderdeel hiervan is het onderzoeken van de beoogde duurzame warmteoplossingen per buurt. Verschillende alternatieven worden afgewogen. Waterstof is hierbij geen geschikt alternatief, omdat het schaars en kostbaar is. De Rijksoverheid wil de beschikbare groene waterstof met name inzetten voor verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Voor de gebouwde omgeving wordt het de komende jaren niet als reëel alternatief gezien, buiten enkele pilotprojecten. Verwarming van de bebouwde omgeving door middel van een warmtenet is wel een reëel alternatief, evenals de toepassing van warmtepompen of andere elektrische oplossingen.
De gemeente ziet, net als de indiener, dat het gebruik van restwarmte van de industrie om een grote investering vraagt en dat er onzekerheid heerst over de beschikbare restwarmte van de industrie in de toekomst. Dit geldt echter ook voor andere alternatieven. De kosten van een overstap op een warmtepomp zijn voor veel huishoudens ook groot en het elektriciteitsnet kampt met congestie. Naast restwarmte uit de industrie kijkt de gemeente ook naar warmte uit de ondergrond, rioolwater, oppervlaktewater en andere lokale bronnen.
We nuanceren de tekst bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’ als volgt: “Een groot deel van Spijkenisse is geschikt voor aansluiting op een warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse haven is een goede bron voor dit warmtenet. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden van warmte uit de ondergrond, rioolwater, oppervlaktewater en andere lokale bronnen.”
Zienswijze 5.2.B Warmtepompen Het gebruik van warmtepompen zorgt volgens de indiener voor een zware belasting op/van het elektriciteitsnet en maakt de samenleving meer afhankelijk van elektriciteit. De indiener vindt dat de gemeente het gebruik van meerdere energiedragers moet stimuleren.
Antwoord De gemeente ziet, net als de indiener, dat warmtepompen zorgen voor extra belasting van het elektriciteitsnet en dat dit de samenleving meer afhankelijk maakt van een enkele energiedrager. Er zijn naast elektriciteit verschillende soorten energiedragers, zoals warmte, groen gas, en waterstof. De gemeente erkent dat gecombineerde toepassingen van meerdere energiedragers gestimuleerd moeten worden. Er wordt gekeken naar de mogelijkheid tot warmtenetten met voeding van (boven)lokale bronnen. De warmte die hierbij vrijkomt kan uitstekend gebruikt worden voor ruimteverwarming en tegelijk belasting van het elektriciteitsnet verminderen of voorkomen.
Groen gas is duurzaam geproduceerd gas dat dezelfde eigenschappen heeft als aardgas en via dezelfde leidingen gedistribueerd kan worden. Groen gas is op dit moment extreem schaars in vergelijking tot de totale energiebehoefte. Om deze reden is er onvoldoende beschikbaar om al het aardgas te vervangen en wegen we dit niet als reëel alternatief mee. Waterstof is ook geen geschikt
Nota van beantwoording 36 Omgevingsvisie Nissewaard
alternatief, omdat het schaars en kostbaar is. De Rijksoverheid wil de beschikbare groene waterstof met name inzetten voor verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Voor de gebouwde omgeving wordt het de komende jaren niet als reëel alternatief gezien, buiten enkele pilotprojecten.
De gemeente focust daarom op alternatieven voor de lange termijn, zoals warmtenetten gevoed door een mix aan (boven)lokale bronnen, en elektrische oplossingen. In alle gevallen is er netverzwaring nodig om congestieproblematiek te voorkomen.
We nuanceren de tekst bij de opgave ‘toekomstbestendige keuzes’ als volgt: “In de kernen en het landelijk gebied zal waarschijnlijk een combinatie van een warmtenet en warmtepompen nodig zijn. Warmtepompen vragen extra capaciteit van het elektriciteitsnet, ruimte in de ondergrond en investeringen om bestaande woningen beter te isoleren.”
Zienswijze 5.2.C Groene Kruisweg Volgens de indiener is de ambitie om van de Groene Kruisweg een stadsstraat te maken waarlangs kan worden verdicht in strijd met de ambitie voor een betere doorstroming, onder andere op de Groene Kruisweg. Volgens de indiener zouden beide ambities kunnen worden gerealiseerd door de Groene Kruisweg verdiept aan te leggen, eventueel met een tunnel.
Antwoord De gemeente denkt dat een betere doorstroming op het wegenetwerk samen kan gaan met de inrichting van de Groene Kruisweg als stadsstraat. Zodra er concretere plannen worden uitgewerkt voor de inrichting van de Groene Kruisweg als stadsstraat zal met aspecten als de verkeersdoorstroming, bereikbaarheid én leefbaarheid rekening worden gehouden.
Zienswijze 5.2.D Mobiliteit algemeen Verdichten van het stedelijk gebied is volgens de indiener niet wenselijk. Autobezit is, vanwege de ligging van Nissewaard, volgens de indiener noodzakelijk om te kunnen werken. Er is volgens hem voldoende ruimte voor de auto in het bebouwd gebied nodig. Daarnaast leidt verdichting volgens de indiener tot grotere verkeersdrukte en past minder verdichten bij de wens om hittestress te voorkomen. Investeren in het openbaar vervoer zou volgens de indiener een oplossing kunnen zijn. Veel werk in de zorg en de haven vraagt openbaar vervoer dag en nacht. De indiener vraagt zich af of dit rendabel is. Er moet volgens de indiener een goede en realiseerbare balans tussen de verschillende vormen van mobiliteit worden vastgesteld.
Antwoord De gemeente herkent het belang van ruimte voor de auto voor inwoners die hiervan afhankelijk zijn, bijvoorbeeld omdat zij in de haven werken. Om die reden werkt de gemeente samen met de partners aan een betere bereikbaarheid van Nissewaard per fiets en openbaar vervoer, juist ook richting de Rotterdamse haven.
De gemeente zet in op verdichting op plekken die goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer of langs de hoofdinfrastructuur. Door op deze plekken te verdichten wordt optimaal gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur voor de (regionale) behoefte aan woningen en stedelijke voorzieningen en beperken we de ruimtelijke druk op het landelijk gebied. Per ontwikkeling zal worden onderzocht op welke wijze de parkeerbehoefte kan worden ingepast. De behoefte is vanwege de ligging nabij het openbaar vervoer lager dan elders in de gemeente.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘verdichten en vergroenen’ (paragraaf 2.4).
Nota van beantwoording 37 Omgevingsvisie Nissewaard
| ienswijze 5.2.E Watervoorziening olgens de indiener is een kwalitatief hoogwaardige watervoorziening alleen mogelijk als de oeveelheid stikstof in het milieu voldoende laag is. Dit staat volgens hem haaks op de uitspraak in | Col2 |
|---|---|
| oeveelheid stikstof in het milieu voldoende laag is. Dit staat volgens hem haaks op de uitspraak in e ontwerp-omgevingsvisie dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met stikstofgevoelige | oeveelheid stikstof in het milieu voldoende laag is. Dit staat volgens hem haaks op de uitspraak in e ontwerp-omgevingsvisie dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met stikstofgevoelige |
| atuur. Er is volgens de indiener een Nissewaard haalbaar is. | duidelijk stikstofbeleid nodig om te bepalen of watervoorziening |
| ntwoord | |
| ij de ruimtelijke keuze ‘metropolita pzichte van andere gebieden in Ne | an landschap’ staat dat een voordeel van het gebied ten derland is dat er geen stikstofgevoelige natuurgebieden in de |
| irecte omgeving zijn. Hier wordt be e vastgestelde doelen niet stikstofg evolgen kan hebben voor de kwalit | doeld dat de Natura 2000-gebieden in de omgeving op basis van evoelig zijn. Dat neemt niet weg dat de depositie van stikstof eit van het water en de natuur in de gemeente. Om verwarring |
| voorkomen wordt de zin uit de on e verder de thematische beantwoo | twerp-omgevingsvisie geschrapt. rding onder ‘Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied’ |
| aragraaf 2.6). enswijze 5.2.F Kennis in Nissewaa de ontwerp-omgevingsvisie staat uurzame verandering van de Rotter en duidelijke strategie nodig om de pleidingsniveau van de inwoners te ntwoord et ondernemers en onderwijs is in ectoren techniek en zorg(technolog orden met het realiseren van een o ericht op jongeren die het vak nog ee moeten kunnen met de laatste gionale agenda’s voor talentontwi enswijze 5.2.G Hittestress en leefb olgens de indiener staat de ambitie | rd dat in Nissewaard het vakmanschap aanwezig is voor de damse haven. Om dit waar te maken is er volgens de indiener specialistische kennis te verwerven en te ontwikkelen en het verhogen. gezet op een leer- en werkomgeving in Nissewaard waarin de ie) een plek hebben. Dit zal de komende periode versterkt pleidingsaanbod, van skills- tot HBO-trajecten. Dit aanbod is moeten leren en voor degenen die al in de industrie werken en ontwikkelingen en transities. Hiervoor sluiten we aan bij de kkeling en een leven lang ontwikkelen. aarheid om te verdichten haaks op de ambitie om de openbare ruimte |
| imaatadaptief in te richten en hitte oe een afweging wordt gemaakt tu 0-300 regel of een percentage groe m hittestress tegen te gaan. ntwoord e gemeente is ervan overtuigd dat | stress en wateroverlast te voorkomen. De indiener vraagt zich af ssen verdichten en vergroenen. De indiener stelt voor om de 3- n in bebouwd gebied te hanteren en aan te sluiten bij richtlijnen verdichten samen kan gaan met vergroenen en |
| imaatadaptatie. Naast de keuze vo mgevingsvisie opgenomen. Hierond eze keuzes moeten in samenhang | r verdichting is de ruimtelijke keuze ‘de mens centraal’ in de er valt een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. worden gelezen. De gemeente is ervan overtuigd dat verdichten |
| n vergroenen samen kunnen gaan, ergroenen’ (paragraaf 2.4). | zie thematische beantwoording onder ‘verdichten en |
| et opnemen van regels als de 3-30- bstractieniveau van de omgevingsv | 300 regel of een verplicht percentage groen past niet bij het isie. Zie thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ |
(paragraaf 2.1).
Nota van beantwoording 38 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 5.2.H Recreatie Volgens de indiener zal groen en ruimte, tegen de achtergrond van de industrie, niet zorgen voor meer recreanten, zeker niet van buiten Nissewaard. Om ervoor te zorgen dat het gebied toch uitnodigt om te recreëren stelt de indiener voor om te investeren in o.a. horeca, musea, plekken om actief bezig te zijn, een evenementenlocatie. De indiener stelt voor om een informatiepunt/platform te creëren waar de recreatiemogelijkheden in Nissewaard eenvoudig te vinden zijn.
Antwoord De gemeente herkent zich in de ambitie om ruimte te bieden aan meer recreatiemogelijkheden in de gemeente. Daarvoor is in de ontwerp-omgevingsvisie opgenomen dat we met ondernemers in het stadscentrum werken aan een breed aanbod van activiteiten (ruimtelijke keuze ‘ontmoetingsplekken’), we ruimte bieden aan lokale evenementen (ruimtelijke keuze ‘ontmoetingsplekken’) en we initiatieven die het landschap een bezoekje waard maken aanmoedigen (ruimtelijke keuze ‘metropolitaan landschap’).
Op de website van Marketing OP Voorne-Putten kunnen recreanten kennisnemen van het recreatief aanbod op Voorne-Putten en in Nissewaard.
Zienswijze 5.3.A Verzachten overgang stad/land De visiekaart is volgens de indiener heel erg wazig. Dit had volgens hem duidelijker moeten zijn omdat nu niet zichtbaar wordt op welke plekken wat gaat gebeuren. De indiener maakt zich zorgen over de ambitie om de overgang van stad naar land te verzachten. Dit heeft volgens hem extreme impact op de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven op die plek. Volgens de indiener wordt iedere keer de grens van de stad verlegd ten koste van het polderlandschap. Volgens hem moet het polderlandschap intact blijven zodat mensen hier een rondje kunnen wandelen/fietsen en niet wordt vervangen door een nieuw landschap dat qua onderhoud en verzorging moeilijk te onderhouden is.
Antwoord De visiekaart is bewust globaal gehouden omdat het een denkrichting visualiseert. Zodra er plannen zijn voor het verzachten van de stads- en dorpsranden vindt de gemeente het belangrijk dat deze zorgvuldig worden vormgegeven, samen met de belanghebbenden.
De gemeente hecht, net als de indiener, waarde aan het polderlandschap. De gemeente ziet kansen om de ruimtelijke kwaliteit van het landschap te verbeteren door harde stads- en dorpsranden te verzachten. Het verzachten van de randen biedt de mogelijkheid om een woningbouwontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein goed landschappelijk in te passen. Tegelijk ziet zij de noodzaak voor enige uitbreiding ten behoeve van de leefbaarheid van wijken en de vitaliteit van dorpen. Om duidelijk te maken dat de gemeente ongebreidelde verstedelijking wil voorkomen is in de ontwerp-omgevingsvisie opgenomen dat maximaal 3,5% van het landelijk gebied wordt benut voor de uitbreiding van de stad en de kernen.
Zie verder de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1) en het antwoord op zienswijze 5.1.A.
Nota van beantwoording 39 Omgevingsvisie Nissewaard
Zienswijze 5.4.A Tijdstip van publiceren Het tijdstip van het publiceren van de ontwerp-omgevingsvisie in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026 is volgens de indiener ongelukkig. De inhoud moet worden vormgegeven door volksvertegenwoordigers en de verhoudingen daarin moeten voor de komende termijn van 4 jaar nog worden afgewacht.
Antwoord De gemeente ziet geen bezwaar in het tijdstip van publiceren van de ontwerp-omgevingsvisie. De omgevingsvisie wordt door de nieuwe gemeenteraad vastgesteld na 18 maart 2026.
Zienswijze 5.4.B Inhoudelijke eisen aan een omgevingsvisie De indiener wijst de gemeente op de zorgplicht van de overheid met betrekking tot de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, de uitwerking daarvan in de Omgevingswet en de inhoudelijke eisen aan een omgevingsvisie. De inhoud van de ontwerp-omgevingsvisie is volgens de indiener door de woordkeus, duiding en tekststructuur weinig dienstbaar aan de burger en de samenleving en leent zich moeilijk voor taakuitoefening en een rechtmatig omgevingsplan.
Antwoord Behoudens artikel 3.2 van de Omgevingswet is de inhoud en opzet van een omgevingsvisie vormvrij. In het hoofdstuk ‘hier zijn wij trots op’ uit de ontwerp-omgevingsvisie is de hoofdlijn van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving omschreven. Dit is aangevuld met de als bijlage bijgevoegde foto van de leefomgeving. In die foto van de leefomgeving is een nulmeting opgenomen van de staat van de fysieke leefomgeving op dit moment. In de overige hoofdstukken van de ontwerp-omgevingsvisie worden de hoofdlijnen van het te voeren beleid weergegeven aan de hand van vier opgaven en acht ruimtelijke keuzes. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 3.2 Omgevingswet.
Voor wat betreft de keuze voor een compacte en abstracte omgevingsvisie, zie de thematische beantwoording onder ‘abstractieniveau’ (paragraaf 2.1).
Zienswijze 5.4.C Risico’s van woningbouw De indiener vindt dat bij het bepalen van nieuwe woningbouwlocaties rekening moet worden gehouden met de bereikbaarheid van het eiland, externe veiligheid en risicobronnen. De indiener noemt vuurwerkopslag, munitieopslag, oorlogssituaties, windturbines, het Botlek-gebied en overstromingsrisico’s. Volgens de indiener wordt er geen aandacht besteed aan de aanleg van schuilplaatsen of vluchtmogelijkheden (artikel 5.2 lid 1 sub b Besluit kwaliteit leefomgeving). De inzet op een nieuwe oeververbinding en de bereikbaarheid per fiets en openbaar vervoer, is volgens de indiener onvoldoende concreet en uitgewerkt. Bij gebrek aan concrete uitwerking zou volgens de indiener aandacht moeten worden besteed aan de aanleg van schuilkelders en terpen.
Antwoord De bereikbaarheid van het eiland, externe veiligheid en risicobronnen hebben de aandacht van de gemeente. Voor wat betreft de bereikbaarheid staat in de ontwerp-omgevingsvisie dat de gemeente zich hard maakt voor een goede bereikbaarheid en ontsluiting, onder andere door in te zetten op een betere doorstroming op het bestaande wegennetwerk en een extra oeververbinding. Dat doet zij samen met partners zoals de MRDH, zie zienswijze 3.2.A. Externe veiligheid en risicobronnen komen aan bod bij het opstellen van het omgevingsplan of de behandeling van buitenplanse
Nota van beantwoording 40 Omgevingsvisie Nissewaard