De Ronde Venen, 23 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Gemeenteraad De Ronde Venen Vragen vanuit de Raad aan het College – Technische vragen B
A. Schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 40 Reglement van orde (beantwoording binnen 30 dagen) B. Technische vragen vergadering (beantwoording zo snel mogelijk) C. (Technische vragen overig)
Indiener: Marja Becker
Fractie: Seniorenpartij
Datum van Indienen: 14/09/2026 Onderwerp: Weigering verklaring van geen bedenkingen bijgebouw Wilnisse Zuwe 15D
Portefeuillehouder: Anja Vijselaar. Behandelend ambtenaar: -. Datum beantwoording: 17 september 2026 Volgnummer: n.v.t. Inleiding: n.v.t.
Er is een complex dossier voorgelegd aan de politieke commissie tijdens de vergadering van 10 september 2026. Dit dossier heeft betrekking op het Raadsvoorstel ´ Weigering verklaring van geen bedenkingen bijgebouw Wilnisse Zuwe 15D. In dit raadsvoorstel wordt er een verzoek van college van B&W aan de gemeenteraad gedaan om geen ´verklaring van geen bedenkingen´ af te geven voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een logiesgebouw op het perceel Wilnisse Zuwe 15D te Wilnis.
Vragen
- Is het betreffende bedrijf te scharen onder de definitie ´grondgebondenbedrijf´? Zo ja
waarom wel, zo nee waarom niet?
Antwoord Nee, het bedrijf is niet te scharen onder de definitie ‘grondgebonden’. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna RvS) van 24 juni 2026 (20250409/1/R4) heeft de RvS geconcludeerd dat het bedrijf/paardenkraamhotel aan de Wilnisse Zuwe 15D niet aan te merken is als een agrarisch bedrijf omdat het niet gericht is op het voortbrengen van producten, maar dat het verzorgingselement voorop staat. Het bedrijf is ook niet aan te merken als paardenfokkerij of paardenhouderij en voldoet hiermee niet de definitie van agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied-West. Nu geen sprake is van een agrarisch bedrijf, kom je ook niet toe aan de toetsing of sprake is van een grondgebonden bedrijf of niet.
- Op welke wijze interpreteert de gemeente ´het weiden van paarden´ door bedrijven, wordt
dat binnen het Omgevingsrecht beschouwd als grondgebonden bedrijfsvoering? Zo ja waarom wel, zo nee waarom niet?
Antwoord Zie antwoord op vraag 1
- Mocht het bedrijf niet-grondgebonden zijn, is het college zich ervan bewust dat een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering eveneens kan voldoen aan `het bestemmingsplan Agrarisch met waarden-landschapswaarden´ van de gemeente?
Antwoord Zie antwoord op vraag 1
- Op welke manier geeft de gemeente interpretatie aan de uitspraak van de Algemene bestuursrechter, ABRS 26 september 2012 NR 201012079/1/R2 ?
Antwoord Deze uitspraak is niet relevant voor de casus Wilnisse Zuwel 15D, De uitspraak waaraan gerefereerd wordt heeft betrekking op de vraag of het weiden van paarden onderdeel is van de bedrijfsvoering van een grondgebonden agrarisch bedrijf _._ Nu geen sprake is van een agrarisch bedrijf, is deze uitspraak voor de casus van Wilnisse Zuwe 15D niet van belang. Zie ook antwoord op vraag 1
- Het college van B&W geeft aan dat er sprake dient te zijn van een versterking van ´de
landschappelijke kwaliteit´, dat eist de Structuurvisie De Ronde Venen 2030, en dat het bedrijf met het initiatief tot het doen van de betreffende aanvraag voor een verklaring van geen bedenkingen voor een bijgebouw, hieraan niet voldoet.
Wij missen hierin de argumentatie van het college hieromtrent, ofwel op basis van welke afwegingen en overwegingen is het college van B&W tot de conclusie gekomen dat het bedrijf niet voldoet aan de eis van ´versterking van de landschappelijke kwaliteit´?
Antwoord In de voorgestelde beantwoording van de zienswijze, die als bijlage 17 bij de stukken zit, heeft het college uitvoerig beargumenteerd dat het bedrijf niet voldoet aan de eis van ‘versterking van de landschappelijke kwaliteit. Ten overloede is de argumentatie hieronder nogmaals opgenomen. _De gemeente stelt dat het verzoek niet bijdraagt aan het behoud en versterking van de_ _landschappelijke kwaliteit van het veenweidegebied. Openheid en beleefbaarheid van het_ _veenweidelandschap is een belangrijk gegeven en een karakteristiek in onze gemeente. De locatie_ _is gelegen aan de rand van de bestaande bebouwing in het veenweide- landschap. De kavels in_ _deze zone liggen ingeklemd tussen de N212 en de Wilnisse Zuwe. De Wilnisse Zuwe is een van_ _de oude ontginningsassen die in het verleden dwars door het oorspronkelijke veenmoeras liepen._ _Het zicht vanaf de N212, op het open landschap aan de westzijde, is afwisselend maar beperkt._ _Op de locatie staat één grote loods en verschillende kleine (illegale) gebouwtjes. Deze liggen_ _verscholen achter opgaande beplanting. Door het toestaan van een logiesfunctie ontstaat een_ _verrommeling van de locatie. Dit heeft een negatief effect op de beleefbaarheid van het open_ _landschap en is daarmee niet in overeenstemming met gemeentelijk beleid._
- Wanneer is volgens het college van B&W wel sprake van ´landschappelijke kwaliteit´?
Antwoord Het is aan initiatiefnemer om aan te tonen dat sprake is van landschappelijke kwaliteit bij de ontwikkeling. Hierbij kan initiatiefnemer gebruik maken van allerlei gemeentelijke en provinciale beleidsdocumenten, zoals de omgevingsvisie, de landschapsnota, de kwaliteitsgids utrechtse lanschappen. Wanneer iniatiefnemer een voorstel indient, toetst de gemeente dit voorstel en worden indien mogelijk aandachtspunten meegegeven voor verbetering.
Overigens is het goed om te melden dat in deze casus al vanaf het begin van de planvorming (2020) aan initiatiefnemer is medegedeeld dat bebouwing buiten het bouwvlak destijds en in de toekomst niet mogelijk was.
- In het Raadsvoorstel is te lezen dat, omdat er geen duiding was over ´het feitelijk gebruik
van het bijgebouw´ van de aanvrager, de aanvraag niet in behandeling kan dan wel kon worden genomen.
Antwoord Het is goed om te benoemen dat de stelling in de vraag dat de aanvraag niet of wel in behandeling kan worden genomen niet juist is. De aanvraag is in behandeling genomen en na uitvoerige beoordeling geweigerd.
- Onze vraag aan het college van B&W, is of en in hoeverre de gemeente als partij niet
verplicht is om in de beginfase een verduidelijkingsvraag te stellen aan de aanvrager in het
geval dat de door de aanvrager aangeleverde informatie bij de gemeente niet duidelijk dan wel niet volledig is voor zijn of haar aanvraag?
Antwoord Uiteraard is het zowel in belang van de gemeente als initiatiefnemer dat er duidelijkheid is over wat het initiatief precies inhoudt. Immers een vergunning kan alleen verleend worden als sprake is van een concreet en afgebakend initiatief (vaste jurisprudentie). Wanneer er onduidelijkheden en/of sprake is van onvolledigheid, vraagt de gemeente aanvullende informatie. Een vergunning kan dus alleen verleend worden bij een volledige aanvraag en als ook duidelijkheid is welke plannen er zijn. Er is gedurende het gehele proces veelvuldig contact geweest met initiatiefnemer en haar vertegenwoordiger over de plannen. Zoals in het raadsvoorstel is aangegeven, zijn gedurende het proces wisselende verklaringen, door de initiatiefnemer afgelegd over het beoogde gebruik van het gebouw. Het probleem is dus niet zozeer het ontbreken van informatie, maar dat door de uiteenlopende verklaringen gedurende het proces over de wijze waarop het gebouw feitelijk gebruikt gaat worden er geen zorgvuldige ruimtelijke beoordeling gemaakt kan worden.
- Geldt er op basis van geldende wetgeving, Staats- en Bestuursrecht, en jurisprudentie bij
het hele aanvraagtraject tussen het bestuursorgaan (de gemeente) en de aanvrager, niet een haal- en brengplicht wat betreft de benodigde en relevante informatie? Zo nee, waarom niet, zo ja waarom wel?
Antwoord Zie bovenstaand antwoord
- Mocht dat wel het geval zijn, waarom is er niet geanticipeerd door college van B&W om
eerst de informatie volledig te krijgen over het feitelijke gebruik van het bijgebouw bij de aanvrager alvorens de aanvraag verder in behandeling (te laten) nemen?
Antwoord Zie bovenstaand antwoord
- Aangegeven werd door het college van B&W dat het bedrijf niet ´een agrarische
bedrijfsvoering´ kent.
- Wanneer is volgens het college van B&W sprake van een agrarische bedrijfsvoering?
Antwoord De definitie van agrarische bedrijfsvoering is opgenomen in art 1.6 van de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied-West: _een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten_ _door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waaronder_ _tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan_ _een manege;_
- Wij missen een volledige argumentatie hierover. Op basis van welke overwegingen, wet en regelgeving en jurisprudentie komt het college van B&W tot deze conclusie dat in casu niet wordt voldaan aan deze definitie?
Antwoord Zie antwoord vraag 1
- We constateren dat er een geruime tijd zit tussen de tussenuitspraak van de RvS d.d. 24
juni 2026 en de behandeling van het dossier in de politieke commissie d.d. 10 september 2026. Gezien de tijdsplanning tussen deze tussenuitspraak en de behandeling en besluitvorming over het dossier VVGB Wilnisse Zuwe 15-D door het bestuursorgaan (gemeenteraad) op 23 september 2026, is het college van B&W op de hoogte van de doorlooptijden conform de wet- en regelgeving en jurisprudentie?
Antwoord In de tussenuitspraak van de RvS is het college opgedragen om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft ervoor gekozen om gelet op de omvang van het dossier, de lange voorgeschiedenis en de wens om te komen tot een finale geschilbeslechting de gemeenteraad voor te leggen de Verklaring van geen Bedenkingen te weigeren. Gelet op de aanlevertijden en het zomerreces is deze vergadercyclus van de gemeenteraad van 23 september 2026 de eerste mogelijkheid. Hiermee wordt de termijn van orde enkele weken overschreden en het college heeft de RvS hierover ingelicht.
- Waarom is er gekozen voor zo een ruime tijdspanne tussen de tussenuitspraak van de
ABRvS d.d. 24 juni 2026 en de gevraagde besluitvorming van de gemeenteraad d.d. 23 september 2026 over dit dossier?
Antwoord Zie bovenstaand antwoord