Waterland, 2 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 – Inzet in en rond kwetsbare n de jaren vanaf 2028 – en moeten daarom aanvullende atuur- en in wa- het kabinet om ver- pectief te bieden aan ie een gedegen on- ze verdieping worden ectief en verdienver- uk. Zolang geen dui- kunnen nieuwe ver- unningen kwetsbaar oor de vergunningver- ervoor zorgen dat ten daarmee meerwaarde voor alle deelnemende gemeenten te creëren. In de Visie Economisch Vestigingsklimaat is opgenomen dat wordt onderzocht op welke wijze de inwonerbijdrage op termijn kan worden afgebouwd tot een niveau waarop de apparaatslasten en een deel van de investeringslasten worden gedekt. Daarbij staat voor het algemeen bestuur voorop dat eventuele aanpassingen van de inwonerbijdrage zorgvuldig worden afgewogen, waarbij eventuele afbouw afhankelijk is van mogelijkheden van alternatieve financiering. Het algemeen bestuur blijft hierover met de gemeenten in gesprek, met als uitgangspunt een doelmatige inzet van middelen én het behoud van voldoende slagkracht om de gezamenlijke opgaven efef ctief uit te voeren. tergebieden De gebiedsgerichte inzet vormt een onmisbaar onderdeel van de aanpak van gunningverlening stapsgewijs los te trekken, de natuur te herstellen en pers de landbouw in Nederland. Het is tegelijkertijd ook een impactvolle aanpak d derbouwing en uitvoering vereist, inclusief een concreet vervolgproces. In de deze elementen verder toegelicht en geconcretiseerd. _Zones rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden_ Niet alleen de natuur in Natura 2000-gebieden, maar ook het toekomstpersp mogen van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden staan onder dr delijke keuzes worden gemaakt en er geen geborgd zicht op natuurherstel is gunningen niet tot nauwelijks verleend worden en zijn bestaande natuurverg voor intrekkings- en handhavingsverzoeken. Om mogelijkheden te creëren v lening moet een totaalpakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen tergebieden De gebiedsgerichte inzet vormt een onmisbaar onderdeel van de aanpak van gunningverlening stapsgewijs los te trekken, de natuur te herstellen en pers de landbouw in Nederland. Het is tegelijkertijd ook een impactvolle aanpak d derbouwing en uitvoering vereist, inclusief een concreet vervolgproces. In de deze elementen verder toegelicht en geconcretiseerd. _Zones rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden_ Niet alleen de natuur in Natura 2000-gebieden, maar ook het toekomstpersp mogen van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden staan onder dr delijke keuzes worden gemaakt en er geen geborgd zicht op natuurherstel is gunningen niet tot nauwelijks verleend worden en zijn bestaande natuurverg voor intrekkings- en handhavingsverzoeken. Om mogelijkheden te creëren v lening moet een totaalpakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen
| minste (dreigende) verslechtering van Natura 2000-gebieden kan worden uit biedsgerichte maatregelen rondom Natura 2000-gebieden kan achteruitgang Om de achteruitgang te stoppen te voorkomen en toe te werken naar een gu standhouding. Om perspectief op vergunningverlening te creëren en intrekki verzoeken te kunnen afwijzen dient deze aanpak ook aantoonbaar geborgd e aard te zijn. Het hoofddoel van deze aanpak is het breed verminderen van de impact van verbonden aan de landbouw en grondgebruik en daarmee te komen tot syste Het gaat hierbij om een inzet op stikstof, hydrologie, waterkwaliteit, gewasb en uitbreiding van leefgebied van soorten. Daarbij legt het kabinet nu een a | gesloten. Zonder ge- niet worden gestopt.1 nstige staat van in- ngs- en handhavings- n niet vrijblijvend van drukfactoren die zijn emherstel per gebied. eschermingsmiddelen ntal beleidsvoorne- |
mens voor over het ruimtelijk begrenzen van de zoneringsgebieden en over het ambitieniveau van de regels, die op een later moment worden gevat in instructieregels voor de provinciale omgevingsverordening, en eventueel algemene regels vanuit het Rijk. Dit beleidsvoornemen wordt het
| komende halfjaar met medeoverheden en maatschappelijke partners verder | geconcretiseerd. |
|---|---|
| _Selectie gebieden_ In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden op land en water. Zonering is n den een proportioneel middel om te komen tot natuurherstel en het kabinet i van de impact van een zone met aanvullende maatregelen op boeren. Een d bieden voor zonering vereist daarom een zorgvuldig proces, in afstemming m en maatschappelijke partijen. Deze eerste selectie gebieden en afbakening v gemeen beleidsvoornemen gebaseerd op de inzichten uit natuurdoelanalyses schappelijke studies naar drukfactoren in relatie tot Natura 2000-gebieden. | iet voor al deze gebie- s zich zeer bewust efinitieve selectie ge- et medeoverheden an de zone is een al- en andere weten- Allereerst zijn er 41 |
zoneringsaanpak. Het gaat hier om 31 niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en 10 grote wateren. Voor de overige 121 stikstofgevoelige gebieden zijn natuurdoelanalyses uitgevoerd die inzichtelijk maken welke knelpunten lokaal spelen en moeten worden opgelost om herstel mogelijk te maken. Binnen de selectie van 121 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is vervolgens een verdere selectie gemaakt op basis van agrarische activiteit. Hieruit valt het Natura 2000-gebied Wapendal & Westduinpark af omdat er geen agrarische emissies zijn in een zone van 500 meter. [2]
De komende maanden wordt een proces doorlopen met medeoverheden en maatschappelijke partijen om binnen de resterende 120 gebieden te komen tot een scherpere selectie van Natura 2000gebieden. Dit op basis van een tweetal criteria:
1) Op basis van specifieke ecologische informatie kan (dreigende) verslechtering voor een Natura 2000-gebied worden uitgesloten.
2) Wanneer sprake is van (dreigende) verslechtering is dit (deels) het gevolg is van agrarische activiteiten.
1 PBL, Deltares, RIVM & WUR (2025). Reflectie op MCEN-maatregelenpakket spoor 2, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, Delft: Deltares, Bilthoven: Rijksinstituut voor Voedselveiligheid en Milieu, Wageningen: Wageningen University en Research. 2 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2025). _Emissies en deposities uit zones rondom Natura 200-gebieden._ 10.21945/RIVMKN-20250016
~~1~~
Als sprake is van (dreigende) verslechtering én agrarische activiteiten binnen de zone hierin een rol spelen is er dus aanleiding voor zonering, met als doel systeemherstel van de natuur en bijdrage aan het lostrekken van vergunningverlening. Ook als aan deze criteria wordt voldaan dan kan alsnog in zeer specifieke gevallen onderbouwd worden dat niet tot zonering wordt overgegaan. Provincies hebben namelijk gebiedsspecifieke kennis over de agrarische sector in de zone en de verwachte ontwikkelperspectieven. Dit kan, zeker voor gebieden met beperkte agrarische activiteit in de zone, leiden tot een alternatieve aanpak waarbij geborgd een vergelijkbaar integraal doelbereik wordt gerealiseerd binnen de financiële kaders. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gebieden waar 2 van de 3 agrariërs in de zone geen bedrijfsopvolger hebben en waarmee afspraken gemaakt kunnen worden over bedrijfsbeëindiging. Om te komen tot deze brede afweging wordt een afwegingskader op basis van meerdere criteria opgesteld.
Voor Natura 2000-gebieden in grensgebieden kan er ook vanuit het buitenland een significante bijdrage geleverd worden aan verslechtering. Tegelijkertijd geldt ook voor deze Natura 2000-gebieden dat een integrale aanpak van meerdere drukfactoren in de zone aan de Nederlandse kant belangrijk is om te komen tot natuurherstel en vergunningverlening. Voor deze gebieden is de inzet om een binnenlandse bijdrage te leveren, ook vanuit de zone, conform de zoneringsaanpak. Aanvullend gaan we in gesprek met buurlanden over de inzet die vanuit het buitenland kan worden geleverd qua natuurherstel.
Het kabinet verwacht hiermee dat er voor ongeveer 100 van de 120 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden nut en noodzaak is om te komen tot zonering. De keuze voor gebieden en afbakening van de zone is een algemeen beleidsvoornemen gebaseerd op de inzichten uit natuurdoelanalyses. Provincies hebben op basis van aanvullende systeemanalyses, gebiedskennis over de agrarische sector en landschapsecologische analyses per Natura 2000-gebied. Die inzichten zijn bruikbaar om het komende halfjaar per gebied tot aanscherpingen van het rijksbeleid te komen. Meerdere provincies hebben daarbij de afgelopen periode al stappen gezet op zonering en natuurherstel ten behoeve van vergunningverlening. Het kabinet is de provincies hiervoor zeer erkentelijk. Daarbij start het Rijk nu vanuit een beleidsvoornemen voor zones in en rondom 120 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op land (bijlage 1), binnen Nederlandse landsgrenzen, wetende dat de definitieve selectie zal wijzigen.
_Omvang van de zones_ Het kabinet maakt binnen de selectie Natura 2000-gebieden onderscheid tussen 2 breedtes van de zones. Hierbij is onderscheid te maken tussen ca. 85 gebieden met een zonering van 500 meter en voor 15 gebieden waar een zone van 1000 meter passender is op basis van de drukfactor stikstof. Stikstofdepositie is in veel gebieden een van de belangrijkste drukfactoren om weg te nemen voor natuurherstel en vergunningverlening. Emissiereductie in de nabijheid van Natura 2000-gebieden is daarvoor effectiever, omdat het reduceren van stikstofemissies in de nabijheid van Natura 2000gebieden een groter effect heeft op natuurherstel, doordat een groter deel van de emissie neerslaat op Natura 2000-gebieden. Op basis van analyses van het RIVM is de hoeveelheid emissies, bedrijven en landbouwgrond in zones rond Natura 2000-gebieden bekend [3] . Uit deze gegevens blijkt dat een zone van 1000 meter ongeveer 2.5x zo effectief is voor het bereiken van natuurherstel als generieke emissiereducties. Het kabinet heeft ervoor gekozen om op basis van 2 criteria de nut en noodzaak van een grotere zone te onderbouwen.
1) Allereerst moeten agrarische activiteiten in de zone relatief veel stikstof emitteren. Aanvullend beleid is immers alleen effectief als er ook daadwerkelijk emissiereductie te bereiken is in de zone.
2) Ten tweede moet de drukfactor stikstof een probleem zijn voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Voor gebieden die de komende jaren al voor een groot deel onder de KDW komen is aanvullende emissiereductie in de zone minder nodig.
Op basis van deze criteria is een analyse gemaakt van alle emissies in - en deposities vanuit - de zones, met als invulling minimaal 100 ton N-emissie en minder dan 50% van het areaal onder de KDW in 2030 [4] . Dit resulteert in een selectie van 20 gebieden waarbij een grotere zone voor stikstof effectief is. Vervolgens is er per gebied bekeken in hoeverre een aanvullende zone tot 1000 meter vanuit stikstof nut en noodzaak heeft. Dit heeft geleid tot een verdere aanscherping van 5 gebieden waarvoor er geen nut en noodzaak is voor uitbreiding van de zone naar 1000 meter,
3 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2025). _Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden._ 10.21945/RIVMKN-2025-0016
4 [Op basis van de meest recente monitoringscijfers van het RIVM: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 | RIVM](https://eur01.safelinks.protection.outlook.com/?url=https%3A%2F%2Fwww.rivm.nl%2Fpublicaties%2Fmonitor-stikstofdepositie-in-natura-2000-gebieden-2025&data=05%7C02%7Ct.t.m.lam%40minlnv.nl%7Cb28e925bc42a472d816408decba288a1%7C1321633ef6b944e2a44f59b9d264ecb7%7C0%7C0%7C639172096142458881%7CUnknown%7CTWFpbGZsb3d8eyJFbXB0eU1hcGkiOnRydWUsIlYiOiIwLjAuMDAwMCIsIlAiOiJXaW4zMiIsIkFOIjoiTWFpbCIsIldUIjoyfQ%3D%3D%7C0%7C%7C%7C&sdata=zipZtAen8tiNC1JcVfHXSjoC0YS7YWGVUa%2FldaNwTdQ%3D&reserved=0)
~~2~~
| Col1 | hoewel ze wel aan bovenstaande criteria voldoen. Allereerst zijn er 2 Natura | Col3 | 2000-gebieden met vangrijk zijn. Het isperveld & Kalverpol- naar 1000 meter niet de grens met een zeer an het areaal reeds e gebieden is een uit- bieden is wel een ge- k), aanpak kwetsbare Dank voor uw positieve reactie op het samenvoegen van de twee mobiliteitsprogramma’s. |
|---|---|---|---|
| een zeer klein areaal stikstofgevo gaat om_Eilandspolder_ (ca. 2,5 ha | lige natuur terwijl de gebieden zelf wel om stikstofgevoelige natuur) en_Wormer- en J_ | vangrijk zijn. Het _ isperveld & Kalverpol-_ | |
| _der_(ca. 17 ha stikstofgevoelige n proportioneel. Ten tweede zijn er | tuur). Hier is een uitbreiding van de zone 2 omvangrijke Natura 2000-gebieden aan | naar 1000 meter niet de grens met een zeer | |
| groot aandeel stikstofbelasting uit onder de KDW komt in 2030. Het | het buitenland en waarvan bijna de helft v gaat om_Geuldal en Dinkelland._Ook in dez | an het areaal reeds e gebieden is een uit- | |
| breiding van de zone voor de agra combineerde inzet nodig vanuit de | rische sector niet proportioneel. In deze ge drukfactor waterkwalitet (zoneringsaanpa | bieden is wel een ge- k), aanpak kwetsbare | |
| watergebieden en de natuurherst gebieden waarbij vanwege de stik | lverordening. Ten derde is de Veluwe een stofbelasting uit de zone een zonering van | van de Natura 2000- 1000 meter passend | |
| zou zijn vanuit de gehanteerde rij pen periode een zorgvuldig proces | kscriteria. Tegelijkertijd heeft de provincie doorlopen met maatschappelijke partners | Gelderland de afgelo- om te komen tot een | |
| strokenbeleid van 500 meter rond gebiedsgerichte Aanpak Veluwe w tuurherstel en fysiek beekdalherst | de Veluwe in combinatie met een bredere aarmee ook wordt ingezet op geborgde em el. Het Rijk vindt het belangrijk aan te sluit | interbestuurlijke en issiereductie en na- en bij deze initiatie- | |
| ven en tegelijkertijd te bewaken d rond de Veluwe om te komen tot | at er een gelijk speelveld is voor boeren. D een zone van 500 meter conform rijkskade | aarom is de inzet rs. Bredere inzet op | |
| emissiereductie, natuurherstel en Hier wordt met de provincie Gelde gebied afgesproken, dus ook buite Voor de verwachte ca. 85 Natura ring van 500 meter vanaf de rand | fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven rland naast de zonering 65-69% emissiere n de zones. 2000-gebieden is daarmee de inzet om te k van het gebied. Voor een selectie van 15 | via de Aanpak Veluwe. ductie over een groter omen tot een zone- Natura 2000-gebieden | |
| is de inzet om te komen tot een zone van 1000 meter vanaf de rand van het Het kabinet werkt aanvullend aan deze verschillende begrenzingen rond Natu | is de inzet om te komen tot een zone van 1000 meter vanaf de rand van het Het kabinet werkt aanvullend aan deze verschillende begrenzingen rond Natu | is de inzet om te komen tot een zone van 1000 meter vanaf de rand van het Het kabinet werkt aanvullend aan deze verschillende begrenzingen rond Natu | |
| waar zonering gaat gelden een al de hydrologie en waterkwaliteit va | emene instructieregel uit die provincies vr n Natura 2000-gebieden een passend wer | aagt met het oog op kingsgebied vast te | |
| stellen. Binnen dit werkingsgebied teiten gaan gelden die relevant zij | kunnen provincies bepalen welke regels v n voor hydrologisch herstel van het betreff | oor agrarische activi- ende gebied. Dit | |
| werkingsgebied omvat ten minste zijn langs de kenmerken van het h | de grens van de zone, en zal op sommige ydrologisch systeem (bijv. aansluitend bij | plekken uitgebreider een beekloop). In en | |
| rond het Natura 2000-gebied zulle genomen moeten worden. Deze s | n daarnaast op specifieke plekken systeem steemherstelmaatregelen zullen deels vall | herstelmaatregelen en binnen de aange- | |
| wezen zonering maar kunnen ook | op specifieke plekken buiten de zones noo | dzakelijk zijn. Ook | |
| hierover zullen bindende afsprake | n gemaakt worden met provincies. | ||
| _Maatregelen binnen de zone_ Het kabinet ziet twee routes voor vanuit de zone en het bijdragen a | zich om toe te werken naar systeemherste an het lostrekken van vergunningverlening | l per N2000-gebied . In veel regio’s heb- | |
| ben de afgelopen jaren provincies en boeren de handen ineengeslagen om g | ben de afgelopen jaren provincies en boeren de handen ineengeslagen om g | ben de afgelopen jaren provincies en boeren de handen ineengeslagen om g |
aan systeemherstel. Het Kabinet heeft veel waardering voor al deze initiatieven. Tegelijkertijd is er
| Col1 | Col2 |
|---|---|
| stand te brengen om de drukfacto nemen en toe te werken naar een | ren op het nabijgelegen Natura 2000-gebied substantieel weg te gunstige staat van instandhouding. Deze maatregelen moeten in |
| de zones een aanvullende emissie der gebied is echter anders en de | reductie opleveren van landelijk gemiddeld 20 procentpunt. Ie- precieze benodigde emissiereductie per zone wordt later dit jaar |
| vastgesteld. Hierbij wordt rekenin sche activiteiten reeds extensief zi doelbereik en borging van de oplo | g gehouden met de aard van het gebied, de mate waarin agrari- jn en de staat van de natuur. De precieze voorwaarden voor ssingen uit gebieden werkt het kabinet nog nader uit. |
| Niet in ieder gebied zal het echter | mogelijk zijn om voor 1 januari 2028 een geborgde aanpak tot |
| stand te brengen die leidt tot syst stantieel weg te nemen, dan zulle niveau gaan gelden. Deze regels w 2035 in werking treden. De aanpa reik kennen, met hetzelfde financi worden gepubliceerd. Om de druk | eem herstel. Lukt het niet om via deze weg de drukfactoren sub- n de door het kabinet vastgestelde regels en normen op bedrijfs- orden in januari 2027 gepubliceerd en zullen uiterlijk per 1-1- k vanuit het gebied moet eenzelfde mate van borging en doelbe- ële beslag, als de Rijksregels op bedrijfsniveau die januari 2027 factoren in het gebied in voldoende mate weg te nemen zullen |
Gebiedsprocessen spelen dus zowel bij de aanpak vanuit het gebied als bij de Rijksregels een belangrijke rol. In de volgende passages geeft het Kabinet aan welke regels het voornemens is te gaan vaststellen voor de zone.
~~3~~
In de zone gelden de generieke regels voor agrarische bedrijven in de vorm van bedrijfsspecifieke emissienormen (hoofdlijn 1). Met bedrijfsspecifieke emissienormen wordt in heel Nederland, ook in de zones, ingezet op het maximaal technisch haalbare potentieel voor individuele bedrijven door middel van managementmaatregelen en technische maatregelen. Aanvullend wordt als onderdeel van de zoneringsaanpak een pakket aan regels ontwikkeld voor plantaardige teelten en grondgebonden veehouderijsystemen (primair melkveehouderij). De komende periode gaat het kabinet in afstemming met medeoverheden en maatschappelijke partners aan de slag met het verder concretiseren van de regels. Het kabinet denkt aan drie typen regels: 1) regels die zich richten op het extensiveren van grondgebruik in de grondgebonden veehouderij; 2) regels die breder sturen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en (kunst-)mestgebruik, waarbij regels voor gewasbescherming in samenhang met en ter invulling van een landelijk beleidskader worden ontwikkeld; 3) regels die zich richten op het voorkomen van afwenteling en het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen, ook in relatie tot de invoering van de rekenkundige ondergrens.
Het ambitieniveau van deze regels richt zich op een extensivering van de landbouwpraktijk. Voor regels ten behoeve van extensivering denkt het kabinet aan een verlaagde vee-bezetting en/of een verlaagde mestplaatsingsruimte. Voor de uitwerking van de verlaagde vee-bezetting bezien we de relatie met de generieke grondgebondenheidsnorm, de inpasbaarheid van de norm voor biologische bedrijven en de gevolgen voor natuurherstel. Voor kunstmestgebruik bezien we bij het ontwerpen van de regel de relatie met de regels van het strokenbeleid in Gelderland en de inpasbaarheid bij reeds extensieve bedrijven. Voor gewasbeschermingsmiddelen komt een landelijk beleidskader om de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen in en om Natura 2000-gebieden als drukfactor te minimaliseren. Dit beleidskader zal in het traject van het convenant gewasbeschermingsmiddelen worden uitgewerkt met de convenantspartijen. Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan de instandhouding en het herstel van Natura 2000-gebieden, zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. In het traject van het convenant gewasbeschermingsmiddelen is het daarnaast de inzet van het rijk om afspraken te maken over het verder voorkomen van drift van niet-biologische naar biologische bedrijven in Natura 2000-gebieden en in de zones rondom Natura 2000-gebieden. Voor regels ten aanzien van ongewenste ontwikkelingen en afwenteling kijkt het kabinet onder meer naar het strokenbeleid van de provincie Gelderland met regels ten aanzien van veranderend grondgebruik en vestiging en uitbreiding van veehouderijen. Vanuit het oogpunt van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid moet ook bezien worden welke koppeling en gemaakt moet worden tussen regels op perceels- en bedrijfsniveau. Ook hier lopen reeds meerdere provincies voorop in het ontwerpen van deze regels.
Het ambitieniveau voor de regels sluit aan op een toekomstperspectief voor een extensieve bedrijfsvoering, met een ruime en uiterste invoeringstermijn van 2035 langs verschillende ingroeipaden. We zetten de komende maanden met provincies stappen om te kijken onder welke voorwaarden er mogelijkheden zijn om het ingroeipad regionaal te versnellen en daarmee eerder stappen te zetten om vergunningverlening los te trekken. Voor regels met betrekking tot stalemissies uit de melkveehouderij en de intensieve veehouderijsectoren wordt aangesloten bij de doelsturingssystematiek. Dit brengt een proces op gang waarbij boeren de tijd krijgen en zorgvuldig kunnen afwegen welke opties zij hebben om landbouwactiviteiten en grondgebruik passend te gaan maken. Boeren maken daar zelf keuzes over de ontwikkelrichting van de extensieve bedrijfsvoering, waarbij het voldoen aan de regels centraal staat. Bij het instellen van de regels en normen krijgen ondernemers de komende jaren de mogelijkheid om stapsgewijs de bedrijfsvoering aan te passen, waarbij zij zelf beslissen welke aanpassingen naar extensieve bedrijfsvoering nodig zijn om aan deze normen en regels de voldoen. Daarbij zijn meerdere transitiepaden mogelijk.
Naast een pakket aan regels en normen gericht op het landgebruik en de landbouw, is het in veel gebieden nodig om systeemherstelmaatregelen te nemen. Met systeemherstelmaatregelen kunnen belangrijke drukfactoren zoals verzuring en vermesting in de bodem en het grond- en oppervlaktewater (waterkwaliteit), verdroging en versnippering worden weggenomen. Deze drukfactoren hebben negatieve gevolgen voor de kwaliteit van Natura 2000-gebieden. Binnen de aanpak zonering worden de volgende groepen systeemherstelmaatregelen uitgevoerd: herstel van de waterhuishouding, verbeteren van de waterkwaliteit, vergroten van de waterdynamiek, het leggen van essentiële ecologische en landschappelijke verbindingen, inrichting en uitbreiding van natuurarealen (bijvoorbeeld als gevolg van de al geplande restantopgave van het Natuurnetwerk Nederland) en het verbeteren van de connectiviteit tussen natuurgebieden. Het verschilt per gebied welke maatregel nodig is. Het Rijk maakt samen met provincies en waterschappen bindende afspraken over hoe de maatregelen tijdig uitgevoerd kunnen worden. Dit is onderdeel van de bestaande en hernieuwde afspraken in het kader van het Natuurpact. Vooruitlopend op het herziene Natuurpact zal
~~4~~
in het interbestuurlijke vervolgproces nader worden bekeken hoe deze maatregelen tijdig kunnen worden uitgevoerd
_Kwetsbare watergebieden_ In de zogenoemde kwetsbare watergebieden ligt in belangrijke mate voor de landbouw een opgave om de waterkwaliteit op orde te brengen. Het gaat hierbij voor een deel van de beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden om het verminderen van de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen afkomstig uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater. Hier wil het kabinet toewerken naar extensieve vormen van landbouw. Daarvoor wordt grotendeels aangesloten bij de hierboven beschreven aanpak in zones rondom Natura 2000-gebieden en de mogelijkheden die ondersteunend beleid daar bieden. De verdere uitwerking van de aanpak vindt het komende jaar in samenwerking met medeoverheden plaats.
_Grondwaterbeschermingsgebieden_ Onderzoek laat zien dat er in 26 grondwaterbeschermingsgebieden een aanzienlijke opgave voor nutriënten vanuit de landbouw ligt voor de Nitraatrichtlijn en KRW. [5] Het Rijk stuurt in deze gebieden daarom aan op een nadere invulling van (faciliterende en normerende) maatregelen door medeoverheden, om zo extensiever agrarisch grondgebruik, aansluitend op een extensieve bedrijfsvoering, te bewerkstelligen. In het merendeel van de grondwaterbeschermingsgebieden zijn ook gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen, waarbij in sommige gevallen sprake is van een overschrijding van de drinkwaternorm en/of Kaderrichtlijn water (KRW)-norm voor de waterkwaliteit. Voor zowel de KRW als onze drinkwaterwinning is het belangrijk om regels te stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit het convenant gewasbeschermingsmiddelen wordt ingezet op het aanpakken van de brede opgaven voor gewasbeschermingsmiddelen. Of op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen aanvullende inzet nodig is in grondwaterbeschermingsgebieden wordt in samenhang met dit convenant bezien. Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (op basis van onder andere milieubelastingpunten) zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. In de overige grondwaterbeschermingsgebieden zijn vanuit deze aanpak voor wat betreft de KRW-nutriëntendoelstelling geen aanvullende maatregelen voorzien.
_Beekdalen_ De aanpak kwetsbare watergebieden is naast grondwaterbeschermingsgebieden ook gericht op beekdalen. Daarbij concentreert het kabinet zich op die beekdalen waarvoor bekend is dat nog een aanzienlijke nitraatopgave voor de landbouw ligt. Het uitgangspunt hierbij is een overstap naar agrarisch grondgebruik aansluitend op een extensieve bedrijfsvoering. Het Rijk stuurt waar nodig aan op een afbakening van gebieden en nadere invulling van (faciliterende en normerende) maatregelen met medeoverheden.
Een recent rapport van Deltares concludeert dat er in Nederland 111 beken zijn die nog niet voldoen aan de KRW-oordeelsklasse voor nutriënten. Dit wordt veroorzaakt door meerdere bronnen. Voor 65 beken is bekend dat er een aanzienlijke nutriëntenopgave voor de landbouw ligt. Binnen deze 65 beken laat het rapport zien dat voor 17 beken het instellen van een bufferzone van 250 meter aan weerszijden van de beek met extensief agrarisch landgebruik leidt tot een verbetering van de KRW-oordeelklasse voor nutriënten. Voor de 48 andere beken zijn gebiedsspecifieke analyses en maatregelen nodig om te bepalen welk type maatregelen leiden tot een verbetering van de KRW-oordeelsklasse voor nutriënten. In de 46 overige beken ligt ook een opgave voor nutriënten, maar deze opgave wordt door meer dan 50% veroorzaakt door andere bronnen (buitenland en rioolwaterzuiveringsinstallaties).
De bevindingen van het Deltares rapport leggen de basis voor een proces van verdere uitwerking met provincies en waterschappen. We zoeken samen met medeoverheden binnen het budgettaire kader uit wat er nodig is om te voldoen aan de nutriëntenopgave voor de landbouw in deze 65 beken. Voor de overige 46 beken wordt uitgezocht wat in deze gebieden de omvang van de landbouwopgave is en of, binnen het budgettaire kader, aanvullende inzet hierop wenselijk is. Hierbij wordt rekening gehouden met de inspanningen die bij rioolwaterzuiveringsinstallaties worden gedaan en die van het buitenland worden verwacht. Vanuit het KRW-impulsprogramma wordt een
5 Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). _Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwater-_ _beschermingsgebieden_ . (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/674737
~~5~~
| Col1 | opleidingsaanbod met de marktvraag. Op deze manier kunnen we bijdragen aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt en een aantrekkelijk verstigingsklimaat voor bedrijven. |
|---|---|
| _Faciliterend pakket_ Veel ondernemers zullen door de zoneringsaanpak en de aanpak in beekdale schermingsgebieden te maken krijgen met ingrijpende opgaven. Regels stur ring van grondgebruik, verlagen van drukfactoren in relatie tot (kunst-)mest schermingsmiddelen en het voorkomen van ongewenste afwenteling. Vaak z aanpassing van de bedrijfsvoering. Het Rijk ontwikkelt daarom, in aanvulling ciliterend pakket, een aanvullend faciliterend pakket in deze gebieden dat na om de ondernemer te ondersteunen in deze opgave en perspectief te bieden dige bedrijfsvoering. De regels en normen worden in de komende maanden in overleg met medeoverheden en maatschappelijke partijen. Het faciliterend in samenhang en in samenwerking met de sector nader uitgewerkt worden. oog voor de toereikendheid van het pakket (gebaseerd op de uiteindelijke fo | n en grondwaterbe- en aan op extensive- gebruik en gewasbe- ullen die vragen om op het generieke fa- drukkelijk is bedoeld op toekomstbesten- verder geconcretiseerd pakket zal daarmee Daarbij is nadrukkelijk rmulering van de re- |
Om duidelijkheid te scheppen over wat er op ondernemers in de zone afkomt, zullen zij geïnformeerd worden over de opgaven en wat dit concreet kan betekenen voor hun bedrijfsvoering. Hier
| HEr ectatien,v Laanu Araa lvdaenr edne, GRiiae sBsaeanr,s A, sRiaie Gmoełru vńasnk aB, eYevmon, nEev eGlirnoae Bn,i jlPeavuell dG, uSlidlveima oBnrud (indien van toepassing) | g, gCehnaknaeml dpe, MHaaracno, van |
|---|---|
| ondernemer keuzes moeten maken voor de toekomst en indien nodig een ni ken. Ieder bedrijf houdt daarbij de keuze tussen meerdere ontwikkelpaden ( richtingen): innoveren, extensiveren, verplaatsen of (vrijwillig) beëindigen. H het generieke faciliterend instrumentarium voor de intensieve veehouderijse sing van stalinnovaties en het nemen van managementmaatregelen. Voor bi sieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen kijkt het kabinet nadruk lijke gevolgen van invoering van de generieke stikstofnormering. Het kabinet den tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven ele) ondersteuning. Deels door natuurlijk verloop, maar ook als gevolg van h biedsspecifieke beleid zal een deel van de bedrijven stoppen of behoefte heb sen. Ondersteuning voor beëindiging wordt op de eerste plaats uitgewerkt al generieke instrumentarium. Specifieke invulling van instrumentarium voor d digde beëindiging en verplaatsing door gebiedsgerichte aanpak zal meelopen Binnen het ontwikkelpad extensivering is het aan de boer om, al dan niet on voor een vorm passend bij het individuele bedrijf. Voor veel bedrijven zal dit bij eenzelfde aantal dieren, gecombineerd met ontwikkelingen richting een re gische of natuurinclusieve bedrijfsvoering. Het Rijk zet zich daarbij in om sa den ook te kijken naar de combinatie mogelijkheden (en het wegnemen van | euw bedrijfsplan ma- of een combinatie van et kabinet zet met ctoren in op toepas- ologisch, natuurinclu- kelijk naar de moge- beziet of dit moet lei- of tot extra (financi- et generieke en ge- ben om te verplaat- s onderdeel van het e aanvullend beno- in gebiedsprocessen. dersteund, te kiezen gaan om meer grond generatieve, biolo- men met medeoverhe- belemmeringen) voor |
omschakeling van het bedrijf naar alternatieve bedrijfsmodellen, zoals zorgboerderijen, erfwinkels, voedselbossen of kinderopvang. Het Rijk wil boeren samen met medeoverheden actief ondersteunen en gaat om tafel met de sector om te bepalen wat daarvoor nodig is. Hierbij wordt gekeken naar bestaande instrumenten als de verschillende extensiveringsregelingen (de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) en de Samenwerkingsregeling melkvee-akkerbouw), het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL), het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (de eco-regeling in het GLB) en het agrarisch natuurbeheer (inclusief Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer ANLb), die waar passend worden benut en/of opgeschaald. Bovendien worden er nieuwe instrumenten ontwikkeld, waarbij gedacht kan worden aan een tegemoetkoming voor boeren die willen omschakelen naar biologische landbouw en een regeling voor kleine boeren die deze beweging maken.
Omschakeling naar gecertificeerde biologische bedrijfsvoering wordt nadrukkelijk geen verplichting, maar het instrumentarium en de voortzetting van het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie’ is erop gericht om boeren die dat willen de mogelijkheid te geven om te kunnen omschakelen en uitzicht te bieden op een goed verdienmodel. Daarbij is de inzet om afspraken te maken met ketenpartijen die biologische boeren perspectief bieden op structurele, voorspelbare en significante groei van de vraag naar biologische producten in lijn met de voorziene groei van het biologische landbouwareaal. Als het niet lukt om tot deze afspraken te komen dan
6 Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
~~6~~
zullen er wettelijke maatregelen getroffen worden om de vraag te stimuleren, waarvoor de juridische voorbereidingen in gang worden gezet. Deze afspraken of maatregelen gaan samen met een hoger aandeel biologische producten in het inkoopbeleid van de overheid.
Gezien de grootschaligheid van de gebiedsgerichte aanpak ligt er een opgave voor de nadere uitwerking van het faciliterend pakket in de schaalbaarheid en het creëren van samenhang tussen de verschillende instrumenten van zowel Rijk als provincie. Dit is zowel voor de uitvoerbaarheid als samenwerking met de ondernemer van belang. Randvoorwaarden zijn o.a. voldoende uitvoeringscapaciteit bij instanties zoals de RVO, NVWA, omgevingsdiensten en decentrale overheden. Waar mogelijk en nodig dient flexibiliteit in de uitvoering mogelijk gemaakt te worden. Een doel bij de gezamenlijke uitwerking is om ongeoorloofde cumulatie van betalingen en subsidies te voorkomen. Rijk en provincie zullen hier afspraken over maken en een eenduidig verhaal naar de boer communiceren.
_Grondmobiliteit_ Onder alle ontwikkelrichtingen (van extensivering tot beëindiging) ligt grondmobiliteit als bepalende succesfactor voor het realiseren van de doelen op het gebied van landbouw, natuur en stikstof. De grondmobiliteit is momenteel laag en het vinden van toekomstbestendige bedrijfslocaties buiten de zones is een complexe opgave. Ondernemers worden hierbij vaak ondersteund door agrarische bedrijfsadviseurs- en makelaars. Het kabinet faciliteert dit door de landelijke verplaatsingsregeling, de inzet van de Nationale Grondbank (NGB) samen met provincies, en inbreng van agrarische gronden en bedrijfslocaties in bezit van het ministerie van BZK/het Rijksvastgoedbedrijf. Het RVB werkt op verzoek van en via overheden die uitvoering geven aan de nationale beleidsdoelen voor het landelijk gebied. In aanvulling op het vrijwillig te koop aanbieden van bedrijfslocaties door ondernemers aan de overheid zullen rijk en provincies nagaan hoe aankoopkansen op agrarische vastgoedmarkt, binnen de mogelijkheden van de overheid, beter benut kunnen worden. Het kabinet wil de grondmobiliteit ook faciliteren door in de zones, beekdalen, grondwaterbeschermingsgebieden én ook de gebieden daarbuiten gericht gronden aan te kopen om in te kunnen zetten voor verkoop en ruil in het gebied, gericht op de blijvende boeren en grondeigenaren in een gebied. Deelnemers aan beëindigingsregelingen kunnen grond aanbieden aan de NGB. Binnen de gebieden zal de grond vervolgens vooral voor extensivering worden ingezet en daarbuiten vooral voor ruil en voor het hebben van verplaatsingslocaties.
Er wordt ingezet op een actieve grondstrategie in de gebieden zodat duidelijk wordt welke instrumenten in een specifiek gebied noodzakelijk zijn, zoals aankoop, ruil, pacht, landinrichting (vrijwillige kavelruil en wettelijke herverkaveling) en afwaardering. Het kabinet heeft voor grondaankoop de Nationale grondbank LVVN beschikbaar en zet deze samen met - of op verzoek van - provincies in. Grond van de overheid kan ook beschikbaar gesteld worden via pachtuitgifte. Het is daarbij cruciaal dat gesprekken met grondeigenaren worden gevoerd, bijvoorbeeld door zaakbegeleiders, en de wensen op het gebied van grond kenbaar zijn gemaakt; zoals omvormen, verplaatsen of stoppen.
Via een gronddrukanalyse kan snel inzicht in vraag en aanbod van grond worden verkregen. Het kabinet denkt dat het instrument landinrichting - en met name wettelijke herverkaveling - nog onvoldoende benut wordt en wil dit met provincies en Kadaster uitwerken en beoogt hiervoor middelen vrij te maken. Provincies zijn als enige bestuurslaag bevoegd om een wettelijke herverkaveling te starten. Voor een succesvolle herverkaveling leert de ervaring dat ongeveer 10% grond door de overheid wordt ingebracht. Het kabinet zorgt ervoor dat openbare gegevens over grondposities van rijk en provincies en andere overheden beschikbaar zijn voor de aanpak in gebieden. Bij de grondstrategie hoort nadrukkelijk dat grondeigenaren zelf bijdragen aan realisatie van doelen via extensivering van landbouwgrond zodat aankoop niet nodig is. Het beschikbaar stellen van ruil -en pachtgrond helpt hierbij. IPO en provincies werken met het Rijk aan een subsidieregeling voor afwaardering van landbouwgrond. Op grond van deze subsidieregeling, die door de provincies ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Europese Commissie, kunnen grondeigenaren subsidie ontvangen voor het permanent dulden of nalaten van een of meerdere van maatregelen die het toegestane landbouwgebruik wijzigen ten behoeve van natuur, klimaatadaptatie, grondwaterkwaliteit en/of bodemkwaliteit. De subsidieontvanger zal deze maatregelen opnemen in een kwalitatieve verplichting om te voldoen aan de subsidievoorwaarden.
Voor de extensivering is het van belang dat er voldoende agrarische grond beschikbaar blijft. Naast landbouw kunnen er in een zone ook andere legitieme ruimtevragers zijn. De zoneringsaanpak stuurt niet op de functietoedeling. Voor de ruimtelijke invulling binnen de zone komen heldere kaders voor de medeoverheden die richting geven voor de functiebepaling in de zones en de
~~7~~
| Artikel 4 Vaststellen subsidieplafond 1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks het subsidieplafond vast do subsidiestaat. Deze subsidieregeling kent voor onderstaande functies de subsidieplafonds: a. Cliëntenraden (artikel 5 lid a); | E I R or middel van de volgende |
|---|---|
| voorgestelde aanpak en beleidsvoornemens. Daarnaast zal het kabinet onde men met de medeoverheden en met gebiedspartijen een verdiepende analys aantal voorbeeldgebieden, om zo concreet mogelijk grip te krijgen op de uitw leidsvoornemens in de praktijk. De instructieregels voor met name extensivering (gve/ha-norm en mestplaat mestgebruik en gewasbeschermingsmiddelen worden de komende maanden concreet uitgewerkt. Tenzij een gebiedseigen oplossing mogelijk is zullen in bieden vervolgens dezelfde regels gaan gelden om helderheid en een gelijk s Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen ka van voor: 1) De geometrische begrenzing van de zone, waarbij rekening kan word staande kavel- en landschappelijke structuren. De bandbreedte voor meters zal nog nader worden bepaald. 2) Hydrologie, bijvoorbeeld afwegingsruimte ten aanzien van beperking van grondwater. Provincies en waterschappen bepalen zelf welke reg waar deze, in aanvulling op de zone voor de extensiveringsregels, ga Het kabinet biedt ruimte aan alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossinge gebiedsprocessen. Indien in een gebied uiterlijk 1 januari 2028 een alternati komt, waarmee tenminste een even grote bijdrage wordt geleverd aan het w factoren op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is hier ruimte voor. Het ka de komende maanden verdere helderheid verschaffen op de doelen voor de bied, uitgaande van aanvullende emissiereductie van landelijk gemiddeld 20 | rzoek uitvoeren en sa- e uitvoeren op een erking van de be- singsruimte), kunst- met de provincies beginsel voor alle ge- peelveld te bieden. ders. Daar is sprake en gehouden met be- deze begrenzing in en aan het onttrekken els er nodig zijn en an gelden. n voortkomend uit eve aanpak tot stand egnemen van druk- binet zal per gebied drukfactoren per ge- procentpunt. Naast |
| een vergelijkbaar doelbereik is het daarbij noodzakelijk dat de randvoorwaar boeren helder en handhaafbaar zijn en dat de aanpak te realiseren is binnen | den voor individuele de beschikbare mid- |
lang dat gelijkwaardig doelbereik, tijdigheid, uitvoerbaarheid, juridische borging en draagvlak, stevig kunnen worden onderbouwd. Het proces en de randvoorwaarden voor het toepassen van gebiedseigen oplossingen zal het kabinet de komende maanden verder uitwerken. Hiermee zoekt het kabinet voor stikstof ook aansluiting bij het bouwstenenplan van de agrarische sector en medeoverheden. In alle gevallen staat het generieke beleid (hoofdlijn 1) vast.
Daarnaast wordt het beleidsvoornemen voor het bepalen bij welke Natura 2000-gebieden zonering aan de orde is, verder uitgediept. Daarbij zal worden verkend waar zonering niet nodig of proportioneel is, omdat bijvoorbeeld verslechtering is uit te sluiten via de huidige combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid. Dat kan bijvoorbeeld mogelijk zijn als blijkt dat voldoende zeker is dat op termijn aan de kritische depositiewaarde wordt voldaan. Daarbij is van belang dat de zoneringsaanpak integraal is en ook verslechtering kan optreden door andere drukfactoren die onderdeel van de zoneringsaanpak zijn. Ook zal worden verkend of in gebieden met weinig agrarische activiteiten voldoende zicht is op de benodigde stikstofreductie door geborgde afspraken met boeren die (op termijn) willen stoppen.
~~8~~
_Veenweidegebieden_ In de veenweidegebieden zetten we de gebiedsgerichte aanpak onder regie van provincies voort gericht op behoud van de lagergelegen veengebieden en het karakteristieke veenweidelandschap met het oog op de Europese water-, natuur- en klimaatopgaven en om negatieve effecten van afwenteling door bodemdaling tegen te gaan. We bewegen op een verantwoorde manier toe naar hogere (grond)waterstanden waarbij het belangrijk is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de boeren in het gebied. Aangesloten wordt bij het hydrologisch herstel rond natuurgebieden waarbij de inzet gericht is op het behoud en stimuleren van geringe drooglegging.
_Aan de slag in de 5 prioritaire gebieden en 2 economische clusters_ In 2025 zijn het Rijk en de drie medeoverheden in lijn met ‘Naar een ontspannen Nederland’ gestart met interbestuurlijke samenwerking in vijf prioritaire gebieden: Veluwe, Peel, NoordwestOverijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart. Hier werken de vier overheden actief als één overheid samen aan de gebiedsgerichte aanpak om juist daar waar de gestapelde opgaven liggen de uitvoering te versterken en te versnellen. Aanvullend heeft het Rijk in 2025 een aanpak in de twee economische clusters aangekondigd: Brainportregio en Rotterdamse Haven. Het kabinet zet de focus en inzet om in deze gebieden met prioriteit tot uitvoering te komen voort (Kamerbief 27 maart 2026).
De interbestuurlijke samenwerking in de prioritaire gebieden en economische clusters richt zich op het leveren van resultaten in de uitvoering om bij te dragen aan de brede gebieds- en maatschappelijke opgaven (natuur/stikstof, water, klimaat, woningbouw, (energie)infrastructuur, defensie en economisch perspectief). De overkoepelende uitgangspunten van de aanpak in alle gebieden zijn:
- Focus op uitvoering: versnellen en versterken van daadwerkelijke uitvoering;
- Interbestuurlijk: met vier overheden aan de slag;
- Meerjarig: bouwen aan houdbaar resultaat;
- Pragmatisch & adaptief: we gaan aan de slag en sturen bij.
Binnen de prioritaire gebieden en twee economische clusters zijn met name de gestapelde opgaven in de vier kwetsbare gebiedstypen uit de Ontwerp Nota Ruimte van belang: Overgangszones Natura 2000-gebieden, veenweiden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Specifiek met betrekking tot de zoneringsaanpak liggen er circa 50 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden binnen de zeven gebieden. De aanpak draagt daarmee ook bij aan het versnellen van de uitvoering van zoneringsaanpak in deze gebieden. De brede gebiedsaanpak, binnen en buiten de zone, versterkt het resultaat en de gronddynamiek. De aanpak richt zich daarbij op versnellen van de realisatie van samenhangende hoofddoelen natuurbehoud, –herstel en -uitbreiding (stikstof en NHV), waterkwaliteit en -kwantiteit, klimaat
~~9~~
en daarmee ruimte voor vergunningsverlening. Daarbij wordt een bijdrage geleverd aan de bredere maatschappelijke opgaven, zoals economie, woningbouw, (energie)infrastructuur en defensie.
De uitvoering van het maatregelenpakket wordt in deze gebieden gefaseerd en geconcentreerd opgepakt. Elk gebied kent daarbij zijn eigen sleutel tot versnelling: Wat in het ene gebied de doorbraak brengt, werkt elders niet. Die diversiteit vraagt om maatwerk in sturing: per gebied wordt gericht gestuurd op inzet en tempo van doelrealisatie. De aanpak in het economische cluster Rotterdamse Haven heeft een smallere reikwijdte en richt zich op gerichte natuurmaatregelen t.b.v. het lostrekken van economische projecten. Uiterlijk eind 2026 worden er voor deze gebieden adaptieve en interbestuurlijke uitvoeringsplannen en samenwerkingsovereenkomsten opgesteld. Voor het Groene Hart, Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden, Brainportregio en Rotterdamse Haven is het kabinet voornemens om een impulsbudget beschikbaar te stellen om daar met de medeoverheden met prioriteit aan de slag te gaan met de uitvoering.
Voor de Peel en de Veluwe heeft de Minister van LVVN op 17 juni jl. namens het kabinet reeds de samenwerkingsovereenkomsten en uitvoeringsplannen voor de eerder beschikbaar gestelde €300 miljoen per gebied samen met de medeoverheden ondertekend. Om hier op de Veluwe een vervolg aan te geven heeft het kabinet met de medeoverheden afgesproken om in het kader van de Aanpak Veluwe concrete invulling te geven aan het Taskforce beleid.
Parallel aan het opstellen van uitvoeringsplannen loopt de huidige aanpak in de prioritaire gebieden door én richten we ons op het versnellen en versterken van lopende uitvoering om stilstand te voorkomen en momentum te behouden. Versnelling van uitvoering in andere gebieden blijft mogelijk, mits dit de voortgang in de prioritaire gebieden niet belemmert: daar ligt de ambitie van de vier overheden om met prioriteit resultaten te behalen. Op basis van die resultaten wordt bepaald of en welke aanvullende gebieden vervolgens in aanmerking komen voor prioritering.
Bijlage 1 – Voorlopige lijst stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (naar verwachting vallen er hier nog ca. 20 vanaf)
| aquatische d Vraag 3: | ieren die nu geen drup | pel water meer in hun wa | tergangen hebben? |
|---|---|---|---|
| Groningen | Lieftinghsbroek | 500 meter | |
| Friesland | Alde Feanen | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden |
| Bakkeveense duinen | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Duinen Ameland | 500 meter | ||
| Duinen Schiermonnik- oog | 500 meter | ||
| Duinen Terschelling | 500 meter | ||
| Duinen Vlieland | 500 meter | ||
| Groote Wielen | 500 meter | ||
| Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 500 meter | ||
| Rottige Meenthe & Brandemeer | 500 meter | Grenzend aan Noordwest-Overijssel | |
| Van Oordt’s Mersken | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Wijnjeterper Schar | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Drenthe | Bargerveen | 500 meter |
~~10~~
| Col1 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | 1000 meter | Onderdeel Hart van het Noorden |
|---|---|---|---|
| Drentsche Aa-gebied | 1000 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Drouwenerzand | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Dwingelderveld | 1000 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Elperstroomgebied | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Fochteloërveen | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Holtingerveld | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Mantingerbos | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Mantingerzand | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Norgerholt | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden | |
| Overijssel | Aamsveen | 500 meter | |
| Achter de Voort, Age- lerbroek & Voltherbroek | 500 meter | ||
| Bergvennen & Brecklen- kampse Veld | 500 meter | ||
| Boetelerveld | 500 meter | ||
| Borkeld | 500 meter | ||
| Buurserzand & Haaks- bergerveen | 500 meter | ||
| De Wieden | 500 meter | Onderdeel Noordwest-Overijssel | |
| Dinkelland | 500 meter | ||
| Engbertsdijksvenen | 500 meter | ||
| Landgoederen Olden- zaal | 500 meter | ||
| Lemselermaten | 500 meter | ||
| Lonnekermeer | 500 meter | ||
| Olde Maten & Veer- slootslanden | 500 meter | Onderdeel Noordwest-Overijssel | |
| Sallandse Heuvelrug | 500 meter | ||
| Springendal & Dal van de Mosbeek | 1000 meter | ||
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 500 meter | Onderdeel Noordwest-Overijssel | |
| Vecht- en Beneden- Reggegebied | 1000 meter | ||
| Weerribben | 500 meter | Onderdeel Noordwest-Overijssel | |
| Wierdense Veld | 500 meter |
~~11~~
| Col1 | Witte Veen | 500 meter | Col4 |
|---|---|---|---|
| Gelderland | Bekendelle | 500 meter | |
| De Bruuk | 500 meter | ||
| Korenburgerveen | 500 meter | ||
| Landgoederen Brum- men | 500 meter | Onderdeel Veluwe | |
| Lingegebied & Diefdijk Zuid | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) (betreft het Zuid-Hollandse deel) | |
| Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | 500 meter | ||
| Rijntakken | 500 meter | Onderdeel Noordwest-Overijssel (betreft deelgebied Rijntakken Uiterwaarden IJs- sel) | |
| Stelkampsveld | 500 meter | ||
| Veluwe | 500 meter | Onderdeel Veluwe | |
| Willinks Weust | 500 meter | ||
| Wooldse Veen | 500 meter | ||
| Utrecht | Binnenveld | 500 meter | Onderdeel Veluwe |
| Botshol | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Kolland & Overlang- broek | 500 meter | ||
| Uiterwaarden Lek | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Zouweboezem | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Noord-Hol- land | Duinen Den Helder - Callantsoog | 500 meter | |
| Duinen en Lage Land Texel | 500 meter | ||
| Eilandspolder | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 1000 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Kennemerland-Zuid | 500 meter | ||
| Naardermeer | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Noordhollands Duinre- servaat | 500 meter | ||
| Oostelijke Vechtplassen | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Polder Westzaan | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Schoorlse Duinen | 500 meter | ||
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 500 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) |
~~12~~
| . Burgemees | ter en wethouders beslis | sen binnen 13 weken na d | E e deadlinedatum over de aanvraag. |
|---|---|---|---|
| Zuid-Hol- land | Broekvelden, Vetten- broek & Polder Stein | 500 meter | |
| Coepelduynen | 500 meter | ||
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 500 meter | ||
| Meijendel & Berkheide | 500 meter | Onderdeel Rotterdamse Haven | |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 1000 meter | Onderdeel Groene Hart (incl Laag-Holland) | |
| Solleveld & Kapitteldui- nen | 500 meter | Onderdeel Rotterdamse Haven | |
| Voornes Duin | 500 meter | Onderdeel Rotterdamse Haven | |
| Westduinpark & Wapen- dal | Geen zonering | Onderdeel Rotterdamse Haven | |
| Zeeland | Canisvliet | 500 meter | |
| Groote Gat | 500 meter | ||
| Kop van Schouwen | 500 meter | ||
| Manteling van Walche- ren | 500 meter | ||
| Vogelkreek | 500 meter | ||
| Yerseke en Kapelse Moer | 500 meter | ||
| Zwin & Kievittepolder | 500 meter | ||
| Noord-Bra- bant | Biesbosch | 500 meter | |
| Brabantse Wal | 500 meter | ||
| Deurnsche Peel & Ma- riapeel | 1000 meter | Onderdeel Peel en Brainportregio | |
| Groote Peel | 1000 meter | Onderdeel Peel en Brainportregio | |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | 1000 meter | Onderdeel Brainportregio | |
| Kempenland-West | 1000 meter | Onderdeel Brainportregio | |
| Langstraat | 500 meter | ||
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | 1000 meter | Onderdeel Brainportregio | |
| Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | 1000 meter | ||
| Oeffelter Meent | 500 meter | Onderdeel Peel | |
| Regte Heide & Riels Laag | 500 meter |
~~13~~
| Col1 | Strabrechtse Heide & Beuven | 500 meter | Onderdeel Peel en Brainportregio |
|---|---|---|---|
| Ulvenhoutse Bos | 500 meter | ||
| Vlijmens Ven, Moerput- ten & Bossche Broek | 500 meter | ||
| Limburg | Bemelerberg & Schie- persberg | 500 meter | |
| Boschhuizerbergen | 500 meter | Onderdeel Peel | |
| Brunssummerheide | 500 meter | ||
| Bunder- en Elslooërbos | 500 meter | ||
| Geleenbeekdal | 500 meter | ||
| Geuldal | 500 meter | ||
| Grensmaas | 500 meter | ||
| Kunderberg | 500 meter | ||
| Leudal | 500 meter | Onderdeel Peel | |
| Maasduinen | 1000 meter | ||
| Meinweg | 500 meter | ||
| Noorbeemden & Hoog- bos | 500 meter | ||
| Roerdal | 500 meter | ||
| Sarsven en De Banen | 500 meter | Onderdeel Peel | |
| Savelsbos | 500 meter | ||
| Sint Jansberg | 500 meter | ||
| Sint Pietersberg & Je- kerdal | 500 meter | ||
| Swalmdal | 500 meter | ||
| Weerter- en Budeler- bergen & Ringselven | 1000 meter | Onderdeel Peel en Brainportregio | |
| Zeldersche Driessen | 500 meter | ||
| Defensie | Witterveld | 500 meter | Onderdeel Hart van het Noorden |
~~14~~
Bijlage 2 – overzicht kwetsbare watergebieden
| Col1 | Col2 | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| 17 beken met buffer- zone 250 meter | 48 beken: gebiedsspe- cifieke uitwerking | Grote bijdrage RWZI (8 beken) | Grote bijdrage buiten- land (38 beken) |
| 1. Beekgraaf | 1. Wehlsebeek | 1. Zandleij | 1. Bolksbeek |
| 2. Voordeldonkse Broek- loop | 2. Beekse Bergen | 2. Bolscherbeek | 2. Dooze |
| 3. Sambeeksche Uitwate- ring | 3. Hooidonksche Beek | 3. Bornsebeek | 3. Randwaterleiding |
| 4. Molengoot | 4. Kanalen Hunze / Veen- koloniën | 4. Zijdewetering | 4. Ratumsebeek-Willink- beek |
| 5. Peelkanalen | 5. Kanalen Westerwolde | 5. Gammelkerbeek | 5. Schipbeek |
| 6. Galdersche beek | 6. Kanalen-DG hellend- gestuwd | 6. Markgraven | 6. Buurserbeek |
| 7. Merkske | 7. Leekstermeer | 7. Eyserbeek | 7. Zoddebeek |
| 8. Bakelse Aa, Oude Aa en Kaweise Loop | 8. Vechtstromen kanalen | 8. Geleenbeek | 8. Oude IJssel |
| 9. Tochtsloot | 9. Achterste Plas | 9. Boven Slinge | |
| 10. Oploosche Molenbeek | 10. Groenlose Slinge | 10. Berkel | |
| 11. Peelse Loop | 11. Beken Groesbeek | 11. Ramsbeek | |
| 12. Grote Valkse Beek | 12. Gender | 12. Boven Dommel | |
| 13. Kleine Barneveldse Beek | 13. Mark en Vliet | 13. Nieuwe Leij/Pop.L/Rov.L/Voorste Stroom | |
| 14. Selzerbeek | 14. Zoom en Bleekloop | 14. Boven Mark | |
| 15. Tungelroysebeek | 15. Chaamse beken | 15. Aa of Weerijs | |
| 16. Vlootbeek Bovenloop | 16. Strijbeekse beek | 16. Molenbeek | |
| 17. Middelsgraaf | 17. Bijloop - Turfvaart | 17. Beneden Dinkel | |
| 18. Dieze | 18. Boven Dinkel | ||
| 19. Halsche Beek en Hooge Raam | 19. Overijsselse Vecht | ||
| 20. St Jansbeek | 20. Puntbeek | ||
| 21. Tovensche Beek | 21. Radewijkerbeek | ||
| 22. Aa, Eeuwselse Loop en Kievitsloop | 22. Ruenbergerbeek | ||
| 23. Westerwoldse Aa Zuid / Ruiten Aa / Runde | 23. Schoonebeekerdiep | ||
| 24. Aa vanaf Eeuwselse Loop tot Helmond | 24. Geelebeek | ||
| 25. Bruchterbeek | 25. Midden Dinkel | ||
| 26. Elsbeek | 26. Eckeltsebeek | ||
| 27. Hierdensebeek | 27. Gelderns Nierskanaal | ||
| 28. Voorsterbeek | 28. Geul | ||
| 29. Heelsumse Beek | 29. Gulp | ||
| 30. Oude Bornschebeek | 30. Swalm | ||
| 31. Glanerbeek | 31. Worm | ||
| 32. Hagmolenbeek | 32. Haelense Beek en Uf- felsebeek | ||
| 33.Hammerwetering | 33. Itterbeek en Thorner- beek | ||
| 34. Aalsbeek | 34. Jeker | ||
| 35. AEF-bovenloopjes Midden-Limburg | 35. Lingsforterbeek |
~~15~~
| DSTUK 2 | Col2 | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| 37. Anselderbeek | 37. Roer | ||
| 38. Groote Molenbeek | 38. Vecht-Zwarte Water | ||
| 39. Tielebeek | |||
| 40. Vlootbeek Beneden- loop | |||
| 41. Keutelbeek | |||
| 42. Kwistbeek | |||
| 43. Oostrumsche Beek | |||
| 44. Putbeek en Pepinus- beek | |||
| 45. Rode Beek Brunssum | |||
| 46. Roggelsebeek | |||
| 47. Midden- en Beneden Dommel | |||
| 48. Loobeek en Molen- beek |
~~16~~
~~17~~
Bijlage 3: Kaartbeeld kwetsbare natuur- en watergebieden
_Fig. 2_ Overzicht van voorlopige selectie kwetsbare gebieden waar inzet wordt geleverd. Hier zijn weergegeven de 120 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, 65 beken met een aan te pakken landbouwopgave en de 26 grondwaterbeschermingsgebieden met een nutriëntenopgave voor de landbouw
~~18~~