Vijfheerenlanden, 2 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Lexmond, 31 juli 2026
Betreft: BOPA’s J.W. van Puttestraat Ameide
Geacht college,
Hartelijk dank voor de beantwoording van onze technische vragen over de participatie bij o.a. de woningbouwontwikkeling aan de J.W. van Puttestraat in Ameide. Het antwoord op vraag 13 roept vragen op bij de CDA-fractie over de wijze waarop het college invulling geeft aan de door de raad vastgestelde aanwijzingslijst voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.
Daarbij gaat het niet alleen om de formele toepassing van de bevoegdheidsverdeling, maar ook om de bestuurlijke afweging die het college maakt bij samenhangende en maatschappelijk gevoelige woningbouwontwikkelingen.
Daarom stelt de CDA-fractie de volgende schriftelijke vragen.
1. Beschouwt het college de herontwikkeling van de J.W. van Puttestraat, bestaande uit de noord- en zuidlocatie, als één samenhangende gebiedsontwikkeling of als twee zelfstandige ontwikkelingen? Op basis van welke criteria is deze afweging gemaakt?
2. Heeft het college bij de keuze om uit te gaan van twee afzonderlijke BOPA-procedures betrokken dat sprake is van één initiatiefnemer, één straat, één herstructureringsopgave, één participatietraject en een gezamenlijke ruimtelijke ontwikkeling? Zo ja, op welke wijze heeft dit meegewogen?
3. De raad heeft in 2022 de aanwijzingslijst vastgesteld waarin is bepaald dat woningbouwontwikkelingen van meer dan 20 woningen binnen bestaand stedelijk gebied onder het bindend adviesrecht van de raad vallen. Is het college van mening dat het opdelen van deze ontwikkeling in twee BOPA-procedures recht doet aan de bedoeling van dit raadsbesluit? Graag motiveren.
4. Is het college van oordeel dat de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke gevoeligheid van deze woningbouwontwikkeling, de omvang van de participatie en de grote betrokkenheid vanuit de omgeving aanleiding hadden kunnen zijn om de raad, los van de formele bevoegdheidsverdeling, een rol te geven in de besluitvorming? Waarom wel of niet?
5. Kan het college bevestigen dat de gekozen werkwijze ook bij toekomstige woningbouwontwikkelingen kan worden toegepast, waardoor samenhangende ontwikkelingen via meerdere BOPA-procedures buiten het bindend adviesrecht van de raad kunnen blijven? Acht het college deze uitkomst wenselijk vanuit de kaderstellende en controlerende rol van de raad?
6. Is het college bereid de evaluatie van de aanwijzingslijst uit 2022 te benutten om te bezien of bij samenhangende woningbouwontwikkelingen niet alleen het aantal woningen per procedure, maar ook de feitelijke samenhang van een ontwikkeling en de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke impact expliciet moeten worden betrokken bij de vraag of de raad een rol heeft?
De CDA-fractie ziet uit naar de beantwoording.
Met vriendelijke groet,