Vijfheerenlanden, 2 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Gemeente Vijfheerenlanden T.a.v. de leden van de Gemeenteraad Postbus 11 4140 AA LEERDAM Land
Ons kenmerk 16.2026 – 1812383 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen CDA over BOPA’s J.W. van Puttestraat te Ameide Datum 2 september 2026
Geachte leden van de raad,
Onderstaand vindt u de vragen die zijn gesteld door de heer Van Snippenberg van het CDA over de BOPA’s (buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) aan de J.W. van Puttestraat te Ameide, en het antwoord van burgemeester en wethouders op deze vragen.
Inleiding Hartelijk dank voor de beantwoording van onze technische vragen over de participatie bij o.a. de woningbouwontwikkeling aan de J.W. van Puttestraat in Ameide. Het antwoord op vraag 13 roept vragen op bij de CDA-fractie over de wijze waarop het college invulling geeft aan de door de raad vastgestelde aanwijzingslijst voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Daarbij gaat het niet alleen om de formele toepassing van de bevoegdheidsverdeling, maar ook om de bestuurlijke afweging die het college maakt bij samenhangende en maatschappelijk gevoelige woningbouwontwikkelingen. Daarom stelt de CDA-fractie de volgende schriftelijke vragen.
Gemeente Vijfheerenlanden / Postbus 11, 4140 AA Leerdam / 088 – 599 7000 1 vijfheerenlanden.nl / info@vijfheerenlanden.nl
Vraag 1: Beschouwt het college de herontwikkeling van de J.W. van Puttestraat, bestaande uit de noord- en zuidlocatie, als één samenhangende gebiedsontwikkeling of als twee zelfstandige ontwikkelingen? Op basis van welke criteria is deze afweging gemaakt?
Antwoord vraag 1 :
De herontwikkeling aan de J.W. van Puttestraat is ruimtelijk gezien één ontwikkeling en kan daarmee gezien worden als één samenhangende gebiedsontwikkeling.
Vraag 2: Heeft het college bij de keuze om uit te gaan van twee afzonderlijke BOPA- procedures betrokken dat sprake is van één initiatiefnemer, één straat, één herstructureringsopgave, één participatietraject en een gezamenlijke ruimtelijke ontwikkeling? Zo ja, op welke wijze heeft dit meegewogen?
Antwoord vraag 2 :
In het geval van de ontwikkeling aan de J.W. van Puttestraat is er door de initiatiefnemer gekozen om twee afzonderlijke BOPA-procedures te doorlopen. Het staat de initiatiefnemer vrij om dit te doen. De reden hiervoor is dat de noord-locatie gelegen is direct naast de Lekdijk. Het zgn. profiel van Vrije Ruimte dat Waterschap Rivierenland hier hanteert brengt naast technische, ook procedurele uitdagingen met zich mee. De initiatiefnemer wil de andere locatie (zuid-locatie ter hoogte van de begraafplaats) hier niet op laten wachten en vraagt daarom een aparte procedure aan. Het college heeft hierin geen keuze gemaakt en daarom zijn er ook geen afwegingen gemaakt vanuit het college.
Vraag 3: De raad heeft in 2022 de aanwijzingslijst vastgesteld waarin is bepaald dat woningbouwontwikkelingen van meer dan 20 woningen binnen bestaand stedelijk gebied onder het bindend adviesrecht van de raad vallen. Is het college van mening dat het opdelen van deze ontwikkeling in twee BOPA-procedures recht doet aan de bedoeling van dit raadsbesluit? Graag motiveren.
Antwoord vraag 3:
In het aanwijzingsbesluit is het volgende opgenomen: _Het bouwen van_ _meer dan_ _20_ _woningen_ _binnen_ _bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is_ _met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader._ De locatie van de bovengenoemde ontwikkeling is opgenomen in de dorpswoonvisie van Ameide en daarmee een vastgesteld beleidskader. Om deze reden zou het adviesrecht
2
ook niet van toepassing zijn geweest als de aanvrager gekozen had voor het doorlopen van één procedure.
Vraag 4: Is het college van oordeel dat de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke gevoeligheid van deze woningbouwontwikkeling, de omvang van de participatie en de grote betrokkenheid vanuit de omgeving aanleiding hadden kunnen zijn om de raad, los van de formele bevoegdheidsverdeling, een rol te geven in de besluitvorming? Waarom wel of niet?
Antwoord vraag 4: Zoals aangegeven bij vraag 3 heeft de raad een rol gehad bij de besluitvorming van het vaststellen van het beleidskader (dorpswoonvisie) waarin deze locatie is opgenomen. Hierdoor zou deze locatie volgens de aanwijzingslijst adviesrecht niet meer voor bindend advies langs de raad hoeven. Zoals u aangeeft bij vraag 3 is de aanwijzingslijst een officieel raadsbesluit. Als het college de aanvraag nu toch voor bindend advies naar de raad stuurt terwijl het niet op de lijst staat, handelt het college in strijd met de wet. Dit leidt tot onnodige formele vertraging en is in strijd met de rechtszekerheid van de initiatiefnemer. Het kan er zelfs toe leiden dat de vergunning naderhand door een rechter wordt vernietigd wegens een onjuiste procedurele opzet.
Vraag 5: Kan het college bevestigen dat de gekozen werkwijze ook bij toekomstige woningbouwontwikkelingen kan worden toegepast, waardoor samenhangende ontwikkelingen via meerdere BOPA-procedures buiten het bindend adviesrecht van de raad kunnen blijven? Acht het college deze uitkomst wenselijk vanuit de kaderstellende en controlerende rol van de raad?
Antwoord vraag 5:
Zie het antwoord op vraag 2, de initiatiefnemer heeft een vrije keuze hierin. Ingaand op de wenselijkheid vanuit de kaderstellende en controlerende rol van de raad geven we graag het volgende mee: Het belangrijkste doel van de Omgevingswet is om ruimtelijke procedures voor initiatiefnemers korter, eenvoudiger en voorspelbaarder te maken. Dit vraagt om een fundamenteel andere invulling van de rollen tussen raad en college. De wet gaat uit van het principe: sturen op hoofdlijnen aan de voorkant en loslaten in de concrete uitvoering aan de achterkant. Het college deelt de opvatting dat de kaderstellende rol van de raad essentieel is en moet worden gerespecteerd. Bij deze ontwikkeling heeft de raad deze sturende rol al op twee cruciale momenten effectief ingevuld:
3
1. Beleidsmatige kaderstelling: In de dorpswoonvisie heeft de raad deze locatie expliciet aangewezen als ontwikkellocatie. Daarmee heeft de raad de ruimtelijke kaders voor dit gebied vastgesteld.
2. Procedurele kaderstelling: In het 'Aanwijzingsbesluit adviesrecht' heeft de raad vooraf objectieve en democratische criteria vastgesteld. Daarin is bepaald welke projecten wel voor bindend advies naar de raad moeten en welke niet. Deze specifieke ontwikkeling voldoet niet aan die criteria en valt er dus buiten.
Het feit dat dit initiatief nu via een reguliere procedure door het college wordt afgehandeld, is de directe en beoogde uitvoering van het beleid en de spelregels die de raad heeft vastgesteld. Het initiatief past binnen de door de raad gestelde kaders. Het college concludeert dat de huidige procedurele route juist aantoont dat de instrumenten van de Omgevingswet werken zoals ze bedoeld zijn.
Vraag 6: Is het college bereid de evaluatie van de aanwijzingslijst uit 2022 te benutten om te bezien of bij samenhangende woningbouwontwikkelingen niet alleen het aantal woningen per procedure, maar ook de feitelijke samenhang van een ontwikkeling en de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke impact expliciet moeten worden betrokken bij de vraag of de raad een rol heeft?
Antwoord vraag 6:
[De raad is op 3 april 2026 door middel van een raadsinformatiebrief](https://vijfheerenlanden.bestuurlijkeinformatie.nl/Reports/Item/6f2bafaf-f56a-4ac6-83d2-2b1c7eb7500b) geïnformeerd over de procesmatige evaluatie van de aanwijzingslijst. Deze evaluatie was met name gericht op de procedurele haalbaarheid en de doorlooptijden binnen de ambtelijke organisatie. Indien de raad de behoefte heeft aan een bredere, inhoudelijke evaluatie van de criteria dan ligt het initiatief hiertoe bij de raad zelf. Het college is uiteraard bereid om hierover met de raad in gesprek te gaan en de raad hierin te faciliteren.
Met vriendelijke groet,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden,
de secretaris, de burgemeester,
W.J. (Judith) de Jonge S. (Sjors) Fröhlich
4