Rotterdam, 16 juli 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Schriftelijke vragen Van Eikeren ea over een toekomstige invulling van de locatie aan de Sluisjesdijk
Partij: PRO
Aan het college van burgemeester en wethouders Coolsingel 40 3011 AD Rotterdam
Rotterdam, 16 juli 2026 SCHRIFTELIJKE VRAGEN | VERTREK RET-BUSLOCATIE SLUISJESDIJK / DOKLAAN BIEDT GOUDEN KANS VOOR CHARLOIS EN DE MAASHAVEN ZUID Geacht college,
Ons bereiken signalen dat de RET voornemens is de buslocatie aan de Sluisjesdijk/Doklaan in de komende jaren te verlaten. Deze locatie van 23.000 m2 ligt op een mooie plek tussen Oud-Charlois en de Doklaan. Het vertrek van de RET biedt mogelijk kansen om deze locatie tijdelijk of permanent een nieuwe functie te geven die bijdraagt aan een levendige en aantrekkelijke stadsrand. De fractie van PRO heeft daarom de volgende vragen.
1. Is het college bekend met de voorgenomen verhuizing van de RET vanaf de locatie aan de Sluisjesdijk en klopt dit? 2. Klopt het dat deze verhuizing rond 2028 wordt voorzien? Zo nee, welke planning is bij het college bekend? 3. Is het college reeds in gesprek met de RET over de toekomst van deze locatie? 4. Wie is eigenaar van de grond en de opstallen van deze locatie? Betreft dit de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam, de RET of een andere partij? 5. Heeft het college al een visie op de toekomstige invulling van deze locatie na vertrek van de RET? 6. Welke mogelijkheden ziet het college om leegstand na het vertrek van de RET te voorkomen? 7. Is het college bereid om samen met de RET, de eigenaar van de locatie en het gebied een plan op te stellen zodat direct na vertrek een tijdelijke of permanente invulling mogelijk is? 8. Ziet het college kansen om deze locatie in te zetten voor placemaking, creatieve makers, cultuur, horeca, sport, recreatie, het realiseren van groen of andere maatschappelijke functies die bijdragen aan een levendige Maashaven en Doklaan? 9. Hoe verhoudt een dergelijke ontwikkeling zich tot de ambities uit het nieuwe coalitieakkoord om de stad aantrekkelijker te maken, de openbare ruimte beter te benutten en gebiedsontwikkeling te combineren met levendigheid? 10. Op welke wijze kunnen bewoners van Oud-Charlois, ondernemers en wijkorganisaties worden betrokken bij de toekomstige invulling van deze plek? 11. Kan het college de gemeenteraad informeren over de vervolgstappen zodra meer duidelijkheid bestaat over het vertrek van de RET? 12. Is het college bereid om deze locatie niet uitsluitend vanuit vastgoedontwikkeling te benaderen, maar ook vanuit de maatschappelijke meerwaarde die tijdelijke
programmering en placemaking kunnen bieden voor Oud-Charlois en als kernlocatie kan functioneren om de ontwikkeling aan de Maashaven-Zuid te ontwikkelen?
Wij zien de antwoorden op deze vragen met veel belangstelling tegemoet.
Hoogachtend,
Kevin van Eikeren Jelle Jaspar Josephine Báan PRO PRO PRO