Rotterdam, 12 augustus 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Schriftelijke vragen Morkoç over Gevolgen nieuwe stikstofplannen voor de Rotterdamse haven
Partij: PRO
Aan
het
college
van
burgemeester
en
wethouders
Coolsingel
40
3011
AD
Rotterdam
Rotterdam,
12
augustus
2026
SCHRIFTELIJKE
VRAGEN
GEVOLGEN
NIEUWE
STIKSTOFPLANNEN
VOOR
DE
ROTTERDAMSE
HAVEN
Geacht
college,
Op
26
juni
kwam
het
kabinet
met
hernieuwde
stikstofplannen
voor
Nederland.
Daarin
kondigt
het
kabinet
verschillende
maatregelen
aan
om
vergunningverlening
weer
mogelijk
te
maken
en
tegelijkertijd
het
herstel
van
de
natuur
te
bevorderen.
De
Rotterdamse
haven
wordt
daarbij,
samen
met
Brainport,
genoemd
als
prioritair
economisch
cluster.
Wat
ons
betreft
bieden
deze
plannen
zowel
perspectief
voor
de
natuur
als
de
industrie.
Wij
willen
graag
weten
wat
deze
plannen
concreet
betekenen
voor
de
Rotterdamse
haven.
Daarom
stellen
wij
de
volgende
vragen:
1.
Op
welke
wijze
zijn
het
college
en
het
Havenbedrijf
Rotterdam
betrokken
geweest
bij
de
totstandkoming
van
deze
plannen
en
maatregelen?
2.
Hoe
wordt
de
bestuurlijke
vertegenwoordiging
en
betrokkenheid
van
Rotterdam
geborgd
bij
de
verdere
uitwerking
van
de
stikstofplannen,
in
het
bijzonder
bij
de
interbestuurlijke
uitvoeringsplannen
voor
het
cluster
Rotterdamse
Haven?
Welke
afspraken
zijn
hierover
inmiddels
gemaakt
tussen
het
Rijk,
de
provincie
Zuid-Holland,
de
gemeente
Rotterdam
en
het
Havenbedrijf
Rotterdam?
3.
Is
al
bekend
in
hoeverre
de
aangekondigde
maatregelen
aansluiten
bij
de
Havenvisie
2050
en
de
daaropvolgende
Haventransitieplan?
Verwacht
het
college
dat
deze
naar
aanleiding
van
deze
plannen
moeten
worden
aangepast
of
bijgestuurd?
4.
Wat
is
de
stand
van
zaken
van
de
gesprekken
met
de
provincie
Zuid-Holland
over
de
uitwerking
en
uitvoering
van
deze
plannen
voor
de
Rotterdamse
haven?
Hoe
verhouden
de
Rijksmaatregelen
zich
tot
de
provinciale
aanpak,
zoals
het
Samenhangende
Aanpak
Natuurherstel
en
Economie
(SANE),
en
worden
deze
plannen
op
elkaar
afgestemd?
5.
Hoe
beoordeelt
het
college
de
reacties
uit
de
haven
zelf
op
de
nieuwe
stikstofplannen?
6.
Op
welke
wijze
dragen
de
aangekondigde
stikstofmaatregelen
concreet
bij
aan
het
mogelijk
maken
en
versnellen
van
verduurzamingsprojecten
in
de
Rotterdamse
haven?
7.
Wordt
er
daarbij
voorzien
in
een
aparte
aanpak
of
prioritering
voor
projecten
die
aantoonbaar
leiden
tot
een
structurele
vermindering
van
stikstofuitstoot,
zodat
deze
sneller
door
de
vergunningverlening
kunnen
worden
geleid?
8.
Beschikt
de
gemeente
over
voldoende
capaciteit
en
expertise
om
de
nieuwe
stikstofplannen
uit
te
voeren,
onder
meer
voor
vergunningverlening,
toezicht
en
samenwerking
met
betrokken
partners?
9.
Hoe
wordt
gemonitord
of
de
maatregelen
daadwerkelijk
leiden
tot
minder
stikstofuitstoot,
natuurherstel
en
meer
ruimte
voor
vergunningverlening?
Hoe
wordt
geborgd
dat
deze
effecten
ook
juridisch
houdbaar
kunnen
worden
benut?
In
de
plannen
wordt
gesproken
over
gerichte
natuurmaatregelen
rond
de
Rotterdamse
haven,
met
als
doel
ruimte
te
creëren
voor
economische
ontwikkelingen.
10.
Is
al
bekend
op
welke
natuurgebieden
en
natuurprojecten
deze
maatregelen
betrekking
hebben?
Zo
ja,
om
welke
gebieden
en
projecten
gaat
het?
11.
Met
welke
natuurorganisaties,
terreinbeheerders
en
andere
betrokken
partijen
wordt
afgestemd
welke
maatregelen
nodig
zijn
en
welke
projecten
prioriteit
krijgen?
12.
Is
al
bekend
welke
concrete
maatregelen
voor
de
Rotterdamse
haven
worden
voorbereid?
Zo
ja,
welke
maatregelen
zijn
dit
en
wanneer
worden
deze
naar
verwachting
uitgevoerd?
Het
kabinet
is
daarnaast
voornemens
om
voor
de
Rotterdamse
haven
een
impulsbudget
beschikbaar
te
stellen.
13.
Hoe
verhoudt
dit
impulsbudget
zich
tot
de
voorgenomen
Rijksbijdrage
aan
het
haveninvesteringsfonds?
Hoe
wordt
gewaarborgd
dat
beide
budgetten
elkaar
aanvullen
en
niet
overlappen
of
elkaar
in
de
weg
zitten?
14.
Is
al
bekend
hoe
hoog
het
impulsbudget
voor
de
Rotterdamse
haven
zal
zijn,
aan
welke
voorwaarden
dit
wordt
verbonden
en
waarvoor
het
budget
kan
worden
ingezet?
15.
Kan
het
college
toezeggen
dat
eventuele
stikstofruimte
die
als
gevolg
van
deze
maatregelen
beschikbaar
komt,
evenals
middelen
uit
het
impulsbudget,
zoveel
mogelijk
wordt
ingezet
voor
de
versnelling
van
de
duurzame
transitie
van
de
Rotterdamse
haven
en
niet
voor
nieuwe,
uitbreiding
van
of
aanpassingen
aan
fossiele
activiteiten?
Zo
nee,
waarom
niet?
In
een
van
de
verdiepingslijnen
bij
de
plannen
geeft
het
Rijk
aan
ernaar
te
streven
om
50%
van
de
eigen
voedselinkoop
biologisch
en
lokaal
te
laten
zijn.
PRO-raadsleden
Kockelkoren
en
Bruin
hebben
eerder
met
hun
initiatiefvoorstel
‘Visie
op
een
gezonde
voedselomgeving
in
Rotterdam’
aandacht
gevraagd
voor
de
verduurzaming
van
de
gemeentelijke
voedselinkoop.
16.
Is
het
college
bereid
te
onderzoeken
hoe
deze
Rijksambitie
ook
binnen
de
gemeente
Rotterdam
kan
worden
toegepast
en
daarbij
te
bezien
of
een
vergelijkbare
doelstelling
voor
biologische
en
lokale
inkoop
kan
worden
opgenomen
in
het
Rotterdamse
inkoopbeleid?
Wij
zien
de
antwoorden
op
deze
vragen
met
veel
belangstelling
tegemoet.
Hoogachtend,
Mina
Morkoç
PRO