Ooststellingwerf, 28 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Schriftelijke vragen
Nummer # S-018 Datum 28 september 2026 Uiterste beantwoordingsdatum 28 oktober 2026
Steller vragen H. Slagter/VPO, B. Leistra/CU, N. van den Berg/DO, I. Minnema/D66, B. Oostra/Lijst Oostra Onderwerp Schriftelijke vervolgvragen ex artikel 41 Reglement van Orde naar aanleiding van de beantwoording van S-013 over De Nieuwe Miente
Aanleiding, Op 8 september 2026 heeft het college de 21 schriftelijke vragen S-013 beantwoord. Om herhaling te voorkomen, beperken wij ons hieronder tot onderwerpen die niet zijn beantwoord of waarop het antwoord een concrete nieuwe vraag oproept. Waar om aanvulling op een eerder antwoord wordt gevraagd, vermelden wij dat uitdrukkelijk.
Deze vervolgvragen lopen niet vooruit op een oordeel over individuele personen. Zij zijn gericht op een feitelijke en controleerbare reconstructie van de rolwisselingen, de financiële besluitvorming, de integriteitsafweging en de toepassing van eerdere rekenkamerlessen.
Vragen
1. Ontstaan van de rolwisselingen vóór 9 juni 2026
In antwoord op de oorspronkelijke vragen 4 en 9 schrijft het college dat de burgemeester en het college op 9 juni 2026 kennisnamen van het mogelijke voorzitterschap van mevrouw Verhagen. Daarmee is nog niet duidelijk wanneer en bij wie dit voornemen voor het eerst is ontstaan. Kan het college, op basis van gemeentelijke stukken en gesprekken met de betrokkenen, aangeven:
1. wanneer voor het eerst is gesproken over de mogelijkheid dat de heer Broersma wethouder zou worden; 2. wanneer voor het eerst is gesproken over de mogelijkheid dat mevrouw Verhagen hem als voorzitter van Stichting De Miente zou opvolgen; 3. wanneer mevrouw Verhagen hiervoor is benaderd of zich beschikbaar heeft gesteld en wie bij die gesprekken betrokken waren; 4. of de mogelijke opvolging vóór 9 juni 2026 bekend was bij individuele collegeleden, formateurs of betrokken ambtenaren; 5. of de mogelijke opvolging al aan de orde was vóór de ondertekening van de aannemingsovereenkomst of tijdens eerdere financiële besluitvorming, en zo ja, wat daarover is vastgelegd?
Als het college niet over informatie van de stichting beschikt, verzoeken wij dat uitdrukkelijk te vermelden en aan te geven welke feiten het college zelf heeft vastgesteld.
2. Aanvulling op de gevraagde besluitvormingschronologie
De oorspronkelijke vraag 15 verzocht om een chronologisch overzicht van de belangrijkste bestuurlijke beslismomenten rond het accommodatiebeleid en De Nieuwe Miente. Het antwoord bevat uitsluitend gebeurtenissen vanaf begin mei 2026 en geeft daarmee niet het gevraagde overzicht van de eerdere inhoudelijke en financiële besluitvorming.
Kan het college het ontbrekende deel van de chronologie alsnog verstrekken, vanaf het eerste inhoudelijke besluit over De Nieuwe Miente tot begin mei 2026? Graag per college- en raadsbesluit vermelden:
1. de datum, het bestuursorgaan en de openbare vindplaats; 2. het oorspronkelijke en het aanvullend gevraagde of beschikbaar gestelde bedrag; 3. de financiële en inhoudelijke onderbouwing; 4. de rol van mevrouw Verhagen als toenmalig portefeuillehouder en van de heer Broersma als voorzitter van Stichting De Miente bij de voorbereiding en totstandkoming; 5. de financiële, juridische en contractuele verplichtingen die toen al waren aangegaan; 6. de onderzochte alternatieven en financiële risico’s, waaronder de gevolgen van uitstel, aanpassing of het niet beschikbaar stellen van aanvullende middelen; 7. wanneer deze informatie bij het college bekend was en wanneer zij aan de raad is verstrekt. Op welke concrete gronden is destijds aangedrongen op een spoedige bouwstart en welke reële keuzemogelijkheden had de raad op dat moment nog?
3. Reikwijdte van de integriteitstoets en controle op de beheersmaatregelen
In de antwoorden 7 tot en met 10 schrijft het college dat Bureau Necker de overgang van de heer Broersma van stichtingsvoorzitter naar wethouder heeft beoordeeld. Tegelijkertijd blijkt uit antwoord 5 dat het mogelijke voorzitterschap van mevrouw Verhagen niet afzonderlijk is beoordeeld. Het gesprek met Bureau Necker vond op 22 mei plaats, terwijl de burgemeester volgens de beantwoording pas op 9 juni van dat mogelijke voorzitterschap hoorde.
Heeft Bureau Necker uitsluitend de overgang van de heer Broersma beoordeeld, of ook de samenhang met het mogelijke voorzitterschap van mevrouw Verhagen? Als ook die samenhang is beoordeeld, wanneer en op basis van welke aanvullende informatie is dat gebeurd? Als dat niet is gebeurd, waarom is de beoordeling na 9 juni niet aangevuld en is het college bereid de volledige samenhang alsnog onafhankelijk te laten beoordelen?
In de antwoorden 11 tot en met 14 noemt het college als maatregelen de portefeuilleverdeling, het niet deelnemen aan beraadslaging en besluitvorming en het verlaten van de vergadering. Over de controle daarop wordt alleen verwezen naar de reguliere werkwijze. Kan het college daarom nog aangeven:
1. of wethouder Broersma stukken over De Nieuwe Miente ontvangt of kan inzien; 2. hoe wordt omgegaan met informele besprekingen, ambtelijke contacten en bredere dossiers waarvan De Nieuwe Miente onderdeel is; 3. waar zijn onthouding van deelname en het verlaten van de vergadering worden vastgelegd; 4. wie op de naleving toeziet en hoe de raad deze achteraf kan controleren?
4. Toepassing van artikel 2.2, eerste lid, van de gedragscode
Mevrouw Verhagen heeft haar wethouderstermijn afgemaakt en is niet tussentijds afgetreden. Artikel 2.2, tweede lid, van de lokale gedragscode lijkt daarom niet rechtstreeks van toepassing. Artikel 2.2, eerste lid, bepaalt wel dat burgemeester en wethouders tijdens de uitoefening van hun ambt niet zodanig handelen dat zij vooruitlopen op een functie na aftreden.
Heeft het college, aan de hand van de chronologie bij vraag 1, beoordeeld of mevrouw Verhagen tijdens haar ambtsperiode nog bij gesprekken, voorbereidingen of besluitvorming over De Nieuwe Miente betrokken was nadat haar mogelijke voorzitterschap aan de orde kwam? Zo ja, wie heeft dit beoordeeld, welke handelingen en besluiten zijn daarbij betrokken en wat was de zakelijke conclusie? Zo nee, waarom heeft geen beoordeling aan artikel 2.2, eerste lid, plaatsgevonden? Welke schriftelijke vastlegging bestaat hierover?
5. Aanvulling op de beantwoording over de Biosintrumlessen
In de oorspronkelijke vraag 2 is het college verzocht per genoemd uitgangspunt aan te geven hoe de lessen uit het rekenkameronderzoek naar het Biosintrum bij De Nieuwe Miente zijn toegepast. Het antwoord noemt alleen de integriteitstoets van kandidaat-wethouders en de maatregelen rond wethouder Broersma. Daarmee is de oorspronkelijke vraag slechts gedeeltelijk beantwoord. Kan het college alsnog per relevante aanbeveling uit het Biosintrumonderzoek aangeven:
1. of en op welke wijze deze bij De Nieuwe Miente is toegepast; 2. in welk document en op welke datum dit is vastgelegd; 3. wanneer de raad hierover is geïnformeerd; 4. welke gemotiveerde afweging is gemaakt als een aanbeveling niet is toegepast of niet relevant is geacht?
Wij verzoeken daarbij in ieder geval aandacht te besteden aan de projectorganisatie en dossiervorming, onafhankelijke financiële controle, risicoanalyses, alternatieve scenario’s waaronder een worstcasescenario, vaste evaluatiemomenten en de bestuurlijke overdracht. Voor de financiële besluitvorming kan het college verwijzen naar het bij vraag 2 gevraagde overzicht, zodat dezelfde informatie niet tweemaal hoeft te worden verstrekt.
Wij verzoeken u iedere hoofd- en deelvraag afzonderlijk, feitelijk en controleerbaar te beantwoorden. Waar het college verwijst naar een procedure, afspraak of document, verzoeken wij de titel, datum en openbare vindplaats te vermelden en het stuk bij te voegen als dit nog niet openbaar is, voor zover wettelijke beperkingen zich daar niet tegen verzetten.