Bladel, 10 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
ANTWOORDEN TECHNISCHE VRAGEN
BT inzake R26.040 Participatieverordening en -beleid VRAGEN: 02-09-2026 ANTWOORD: 08-09-2026
1. Hoe wordt “spoedeisendheid” objectief vastgesteld (art 3.3.c in Participatieverordening Bladel 2026?
ANTWOORD: Dat is een afweging die het bevoegde bestuursorgaan maakt op basis van de specifieke situatie en de daarbij behorende omstandigheden. Daar zijn geen objectieve beoordelingscriteria voor vastgesteld. Ook niet in de modelverordening van de VNG.
2. Hoe kan worden gesteld dat het voorstel geen financiële consequenties heeft, terwijl tegelijkertijd wordt aangegeven dat uitvoering extra tijd, inzet, deskundigheid en bij hogere participatieniveaus extra geld en middelen vraagt? Is hiervoor bestaande capaciteit beschikbaar en zo ja, hoeveel capaciteit is hiervoor geraamd?
ANTWOORD: De participatieverordening en het participatiebeleid hebben op zichzelf geen financiële consequenties omdat deze de (juridische) kaders voor participatie scheppen. De keuzes voor het inzetten van participatietrajecten bij beleid, ontwikkelingen e.d. kunnen die consequentie wel hebben wanneer er wordt gekozen voor participatieniveaus en vormen die meer tijd en middelen vragen. Die keuze vraagt dus ook om het zorgen dat daarvoor dan de middelen beschikbaar komen. Ook de inzet van een participatiecoach voor het implementeren en borgen van dit beleid en het begeleiden van participatie in de eerste periode na vaststelling van het beleid vraagt extra middelen. In het uitvoeringsbeleid is rekening gehouden met de inzet van de participatiecoach voor een periode van twee jaar voor een bedrag van € 35.000 per jaar. Deze middelen worden meegenomen in de begroting 2027.
3. In het participatiebeleid wordt aangegeven dat jaarlijks via de begroting en het jaarverslag over de uitvoering van het participatiebeleid wordt gerapporteerd. Welke concrete informatie en indicatoren worden jaarlijks aan de raad verstrekt om te kunnen beoordelen of het participatiebeleid daadwerkelijk succesvol en effectief is?
ANTWOORD: Dit wordt meegenomen in het uitvoeringsbeleid en de implementatie daarvan. Indicatoren die daarvoor worden meegenomen zijn: het bereiken van de beoogde doelgroepen en belanghebbenden, de representativiteit van de deelnemersgroep, de tevredenheid van de deelnemers, de mate waarin het participatieniveau passend was, de kwaliteit van de terugkoppeling aan de deelnemers en de in de evaluatie opgehaalde verbeterpunten.
4. Waarom wordt in artikel 8 lid 4 specifiek de Europese aanbestedingsdrempel genoemd? Welke aanbestedings- en inkoopregels gelden voor verzoeken onder deze drempel?
ANTWOORD: De aanbestedingsdrempel wordt genoemd omdat boven deze drempel sprake is van verplichte aanbesteding. Onder deze drempel gelden de gemeentelijke inkoopregels. Bij het maken van de afweging over een verzoek om uitdaagrecht kunnen de gemeentelijke inkoopregels worden meegenomen.
5. Wanneer ontvangt de raad het uitvoeringsbeleid?
ANTWOORD: Het uitvoeringsbeleid wordt door het college vastgesteld in de periode nadat de verordening en het participatiebeleid door de gemeenteraad zijn vastgesteld. Een exact moment is nog niet bepaald. Na het vaststellen door het college wordt de raad over het uitvoeringsbeleid geïnformeerd.
6. Wordt dit uitvoeringsbeleid ter vaststelling aan de raad voorgelegd of alleen aan het college?
ANTWOORD: Het uitvoeringsbeleid wordt vastgesteld door het college. Er is echter in het Presidium besloten dat de fracties nog opmerkingen kunnen meegeven, welke indien van toepassing, zullen worden meegenomen in het uitvoeringsbeleid.