Heemstede, 1 oktober 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Van: Verzonden: vrijdag 18 september 2026 20:31 Aan: Raadsgriffier Heemstede CC: Gemeente Heemstede Onderwerp: 83. Inwoner - Reactie op beantwoording wethouder 16 september — locatie Cruquiusbrug
Leden van de griffie,
Ik verzoek u onderstaande onderbouwing te documenteren en te delen met de commissie, als reactie op de woorden van wethouder Meerhoff-Dekker tijdens de commissievergadering van 16 september 2026.
Opnieuw wordt de juistheid van de door mij aangedragen informatie in twijfel getrokken, met de suggestie dat dit zou berusten op een misverstand of onvoldoende kennis van de rapporten. Ik verzoek de commissie dan ook met klem het overhandigde rapport en de daarin aangehaalde stukken zorgvuldig te bestuderen. Ter onderbouwing geef ik hieronder nogmaals een aantal voorbeelden.
Aan de leden van de raadscommissie Samenleving Betreft: reactie op de beantwoording van wethouder Meerhoff-Dekker, commissievergadering 16 september 2026
Heemstede, 18 september 2026
Geachte commissieleden,
Naar aanleiding van de commissievergadering van woensdag 16 september reageer ik op de stelling van de wethouder dat de door mij ingebrachte informatie niet zou kloppen, en dat de relevante informatie in drie rapporten staat. Ik deel die conclusie niet en licht dat hieronder toe aan de hand van acht concrete voorbeelden. Niet om te herhalen dát er vragen openstaan, maar om te laten zien wát er misgaat wanneer je de rapporten naast de vragen legt: op punt na punt blijkt de onderbouwing oppervlakkig, of ontbreekt de toetsing aan het onderwerp waarover de vraag gaat.
Wat mij daarbij het meest opvalt, is niet wat er tegenover mijn bevindingen wordt gesteld, maar dat er niets tegenover wordt gesteld. De onderbouwing luidt telkens dat het in de rapporten staat. Nergens wordt aangegeven wáár het daar staat, en op geen van de passages die ik aanhaal wordt ingegaan. Datzelfde patroon kenmerkt de rapportage zelf: het raadsvoorstel verwijst naar de bijlagen, en de bijlagen zeggen op de aangehaalde punten iets anders, iets zwakkers, of niets.
Ik vraag u daarom één onderscheid scherp te houden: tegenspreken is geen weerlegging. Wie zich op een onderzoek beroept, hoort aan te geven waar in dat onderzoek het gestelde is terug te vinden. Zolang dat niet gebeurt, is er geen verschil van inzicht over de feiten, maar uitsluitend over de vraag of de feiten beantwoord moeten worden. Relativeren, ontkennen of wijzen op de omvang van het uitgevoerde onderzoek zijn geen dragende argumenten — het zijn reacties op de vraagsteller in plaats van op de vraag. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verlangt dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. Een verwijzing naar een rapport is pas een motivering wanneer dat rapport de conclusie ook feitelijk draagt.
1
Het onderzoek waarnaar wordt verwezen, presenteert zichzelf niet als eindpunt
Bijlage 1 — _Rapportage Locatieonderzoek Heemstede, vervolg locaties in Beschermd Landschap_, Sweco, 26 juli 2026 — sluit op pagina 26 af met deze aanbeveling over de locatie Weiland Ringvaart/Oude Slot:
_"De aanbeveling is om deze locatie verder te onderzoeken op de technische haalbaarheid en_ _wenselijkheid."_
En in dezelfde alinea:
_"Het is nu aan de gemeente om een afweging te maken van de kansrijkheid van deze_ _locaties i.r.t. de leefbaarheid en maatschappelijke belangen. Er zijn diverse_ _vervolgonderzoeken en aandachtspunten/voorwaarden bij de locaties naar voren gekomen_ _uit de verdiepende analyses (…) die in een verdere uitwerking van een locatie aandacht_ _vereisen."_
Het rapport stelt de geschiktheid van deze locatie dus niet vast. Het beveelt aan haar verder te onderzoeken — op haalbaarheid én op wenselijkheid, en die tweede vraag is precies de vraag die aan u voorligt. Op pagina 24 somt hetzelfde rapport op welke punten voor deze locatie nog openstaan. Het zijn er dertien: flora en fauna; stikstofdepositie; oppervlaktewater en compensatie; waterveiligheid; bodemverontreiniging; ophogingen; bodemzetting; de ontheffing Beschermd Landschap; wegverkeerslawaai; de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer; akoestisch onderzoek waterwinbedrijf; de aansluiting van waterleiding en riolering — _"omdat deze nu afwezig zijn in de nabije omgeving"_ - en het ophogen bij het bouwrijp maken vanwege inklinking. Daarbovenop staat op pagina 23 één punt in de categorie potentiële showstoppers: _"Netcongestie vormt een groot risico voor alle drie de locaties."_
Ik trek daaruit geen conclusie over de geschiktheid van de locatie. Ik stel vast dat het stuk waarnaar het voorstel verwijst, zichzelf uitdrukkelijk als tussenstap presenteert, en dat u wordt gevraagd op 1 oktober een stap te zetten die dat stuk zelf niet zet.
1. Locaties vallen af zonder dat de reden is vastgelegd — en de redenen die wél mondeling zijn gegeven, blijken zelf geen absolute belemmering te zijn
Van de zevenenveertig onderzochte locaties ontbreekt in de schriftelijke stukken de motivering waarom de meeste zijn afgevallen. Drie voorbeelden zijn inmiddels wél mondeling gegeven, op drie verschillende informatieavonden:
- Leidsevaartweg 73 viel af op _"ondergrondse leidingen (…) waardoor je niet overal kan bouwen."_ Bijlage 6 zelf specificeert dit: een middenspanningskabel en een PWN-waterleiding met buffers, waarbinnen niet gebouwd of opgehoogd kan worden. Maar diezelfde bijlage concludeert vervolgens: _"Bij hergebruik van de bestaande bebouwing op het perceel zou de totale_ _oppervlaktevraag ontwerp-technisch ingepast kunnen worden."_ Sweco noemt de leidingen zelf dus geen showstopper maar _"aanzienlijke beperkingen, die nader onderzocht zouden moeten worden"_
- een moeilijker ontwerpopgave, geen categorische afwijzing. Dat nadere onderzoek heeft niet plaatsgevonden.
- Vrijheidsdreef viel af op ligging in Natuurnetwerk Nederland, met de kwalificatie _"een aanvraag_ _daar zou kansloos zijn."_ NNN kent, net als Beschermd Landschap, een "nee, tenzij"-regime met een compensatie- en alternatievenroute — geen automatische afwijzing. Voor Beschermd Landschap doorloopt de gemeente die route nu zelf voor Cruquiusbrug; voor NNN is dezelfde route bij deze locatie kennelijk niet verkend voordat zij als kansloos werd bestempeld.
- De binnenstedelijke locaties (SEIN, Binnenweg 160, Constantijn Huijgenslaan) vielen af op omvang: te klein voor de opgave. De onderliggende analyse betreft echter iets anders dan de opgave die nu voorligt. Bijlage 3 beschrijft voor Terrein SEIN uitsluitend _"de variant met circa 50 plekken die in_
2
_2024 is onderzocht"_ - _"in het bestaande monumentale pand"_ - en stelt vast dat daarvoor _"bebouwing van minimaal twee lagen"_ nodig was. Voor Binnenweg geldt hetzelfde uitgangspunt van circa vijftig plekken. De vraag die voor Cruquiusbrug wél is beantwoord — hoeveel bouwlagen zijn nodig voor circa honderdzestig plekken en is dat op deze locatie inpasbaar — is voor de binnenstedelijke locaties niet gesteld; de enige doorrekening die er ligt, gaat over vijftig. In de aanbevelingen van datzelfde stuk staat vervolgens wél een uitspraak over de volledige opgave: _"Voor de volledige opgave zou bij de locatie Terrein SEIN het gehele perceel gebruikt moeten_ _worden, waarbij de maatschappelijke functie (groen en spelen) verdwijnt."_ Dat is geen constatering dat het niet kan; het is een constatering dat het ten koste van iets anders zou gaan — en de analyse waarop die uitspraak steunt, ontbreekt in het rapport.
In alle drie de gevallen is de gegeven reden een reëel obstakel, maar geen van drieën is het absolute obstakel waarvoor het wordt aangezien: telkens ontbreekt de vervolgstap die het rapport voor Cruquiusbrug wél toepast, maar bij de alternatieven niet heeft onderzocht voordat zij afvielen.
Eén punt verdient daarbij afzonderlijk uw aandacht. Bijlage 3 stelt dat de locaties Terrein SEIN en Binnenweg _"door de gemeenteraad niet geschikt geacht"_ worden. In de ambtelijke notitie van 28 mei 2026 van gemeente, provincie en Sweco staat over diezelfde locatie dat deze _"formeel nog 'in de ijskast' staat"_ en dat er _"nog geen formeel raadsbesluit over is genomen om deze definitief af te schrijven."_ Twee stukken uit hetzelfde dossier, over dezelfde locatie, met een tegengestelde strekking. Die notitie behoort niet tot de aan u verstrekte stukken.
2. Het getal waarmee alternatieven worden afgewezen, is een beleidscijfer van het COA, geen wettelijke norm, en de geschiedenis ervan is niet transparant
Het raadsvoorstel zelf stelt: _"Het COA hanteert circa 150 plekken als ondergrens voor reguliere opvang. Op_ _kleinere locaties kunnen zij niet alle voorzieningen treffen, die wel wenselijk zijn."_ Bij deze bewering ontbreken brondocument, datum en vindplaats. De geschiedenis van het getal roept bovendien vragen op: op 26 juni 2025 verwierp de raad zelf een amendement om de omvang te verbreden naar circa 100; op 17 maart 2026 schreef het college nog dat over de omvang _"nog geen keuze [is] gemaakt"_ en dat 150+ of 200+ op één locatie _"op dit moment niet aan de orde"_ is; op 27 februari 2026 kwam de capaciteitsraming al uit op 172 plekken. Tussen "niet aan de orde" in maart en "de ondergrens is 150" in augustus zit een besluit dat nergens is gepubliceerd.
3. De onderliggende onderzoeken rekenen niet met hetzelfde aantal personen
Bijlage 5, 6 en 7 — de milieuanalyses — gaan uit van 50 opvangplekken, terwijl het raadsvoorstel zelf 160 noemt. Dat aantal bepaalt rechtstreeks hoeveel oppervlak nodig is: Bijlage 1 zelf rekent voor 170 plekken met circa 10.000 m², ruim twee keer zoveel als de 4.000 m² waarop de milieuanalyses zijn gebaseerd. Dat verschil bepaalt of de opvang binnen het bestaande, reeds aangetaste werkterrein past of dat er dieper het onaangetaste weiland in moet worden gebouwd, en of dat op één bouwlaag kan of over twee lagen moet — en raakt daarmee de kern van de landschappelijke beoordeling waarop de locatie is geselecteerd.
4. Het uitgangspunt "reeds aangetast terrein" is door de wethouder zelf weersproken
Bijlage 4 en 7 scoren de locatie gunstig op landschappelijke aantasting omdat het een bestaand werkterrein zou betreffen. Op 10 september erkende de wethouder desgevraagd dat er, in westelijke richting langs de N201, méér ruimte nodig is dan het huidige verharde terrein — dus dat de opvanglocatie het onaangetaste weiland ingaat. Dat ondergraaft rechtstreeks de landschappelijke score waarop de locatie is geselecteerd.
5. Onderzoek dat behoort te bestaan vóór een locatiekeuze, bestaat nog niet
3
Akoestisch onderzoek, een ecologische quickscan, een calamiteitenplan, een actueel bodemonderzoek, een afgeronde watertoets: geen van deze vijf is op dit moment uitgevoerd. De schriftelijke beantwoording van 11 september bevestigt dat een onderzoek er nog niet is, zonder een datum te noemen waarop het er wel is. Dat is geen verwijt aan de opstellers — Bijlage 1 benoemt deze punten zelf, in de opsomming van dertien hierboven. Het is een vaststelling over het moment waarop u wordt gevraagd te besluiten.
6. De rapporten claimen meer dan zij zelf onderbouwen
Het participatieplan (Bijlage 9) stelt dat de locatie Cruquiusbrug _"het meest geschikt is voor de opvang van_ _asielzoekers."_ In de eigen puntentelling van Bijlage 1 komt deze locatie uit op een totaalscore van 2, gedeeld met locatie 37, achter Leidsevaartweg 73 met een totaalscore van 3. Het rapport noemt haar vervolgens _"meest kansrijk"_ binnen een shortlist van drie locaties — dat is iets anders dan de meest geschikte locatie van Heemstede.
7. De stukken over het werkterrein en de herstelplicht ontbreken volledig
Van alle documenten die zijn opgevraagd, is dit de groep waarvan tot op heden niets is ontvangen: de vergunning of overeenkomst waarop het gebruik als werkterrein berust, de nulsituatierapportage van vóór die ingebruikname, het herstelplan, en de correspondentie tussen gemeente en provincie over het aanhouden van dat herstel. Precies met deze stukken is vast te stellen of de landschappelijke aantasting waarop de locatiekeuze rust, het gevolg is van een verplichting die niet is nagekomen.
8. Wat publiek wordt gezegd, wijkt op meerdere punten af van wat in de stukken staat
De aanvraag bij de provincie is volgens het participatieplan al ingediend — _"Het college heeft hiervoor een_ _aanvraag gedaan bij de provincie"_ - en volgens de wethouder op 26 augustus nog niet. De realisatiedatum is in de stukken Q1 2028, en volgens de wethouder 30 juni 2027. Het bouwmateriaal op het terrein is volgens de wethouder weggehaald, terwijl de stukken juist vermelden dat het op verzoek van de gemeente is blijven liggen.
Tot slot: een suggestie in plaats van een bezwaar
Op 8 september is, in antwoord op een vraag uit de zaal over de regeling voor duurzame gemeentelijke opvang (DGO), meegedeeld dat die optie niet wordt verkend:
_"Als je dat als gemeente aangaat, dan ga je ook de verantwoordelijkheid aan voor_ _kwetsbare mensen, goede begeleiding daarvan waar expertise voor nodig is. De gemeente_ _Heemstede heeft die expertise niet en kiest er om die reden voor om die optie nu niet te_ _verkennen."_
Dat is een begrijpelijke overweging. Zij is echter uitsluitend mondeling gegeven en in geen stuk vastgelegd, en expertise laat zich inkopen.
In dat verband leg ik u één concrete gedachte voor: het voormalige Dr. A.M. Lorentz de Haas Laboratorium. Een bestaand gemeentelijk monument dat leegstaat. De gemeente heeft adaptief hergebruik van dit pand eerder zelf laten onderzoeken, voor een onderwijsfunctie, bij collegebesluit 602770 van 26 mei 2020. Waarom dat traject niet is doorgezet, weet ik niet: de stukken die ik daarover heb opgevraagd, heb ik nog niet ontvangen.
Ik beweer niet dat dit pand geschikt is voor opvang — dat zou een onderzoek vergen dat niemand heeft gedaan. Wat ik u vraag is dit:
4
- Is dit pand in de locatieverkenning betrokken? Onder deze naam komt het in de longlist niet voor, terwijl een aantal locaties daarin is opgenomen als _"niet openbare locatie"_ . Zo ja: onder welk nummer, en op welke grond is het afgevallen? Zo nee: waarom is een leegstaand bestaand gebouw buiten de verkenning gebleven, terwijl de verkenning zich voor het overige op onbebouwde percelen richtte?
- Naar ik begrijp is de asbestsanering in dit pand grotendeels afgerond en zijn de nutsvoorzieningen aanwezig. Dat zijn twee punten die bij de Cruquiusbrug juist als risico en als _"beperkende factor_ _voor de voorgenomen functie"_ in de stukken staan. Kan het college dat bevestigen of weerspreken?
- De DGO-regeling kent een rijksvergoeding per opvangplek per etmaal. Is berekend wat die vergoeding over de beoogde termijn en voor de beoogde omvang oplevert, en of daaruit zowel de ontbrekende expertise als de herontwikkeling van bestaand vastgoed te bekostigen zou zijn? Zonder die berekening is "wij hebben de expertise niet" een constatering en geen afweging.
Dit is geen pleidooi voor dit pand. Het is een voorbeeld van de toets die bij de voorkeurslocatie wel is uitgevoerd en bij mogelijke alternatieven niet — en van de bereidheid aan onze kant om mee te denken over een oplossing, in plaats van alleen bezwaar te maken.
Wat ik u vraag
Dit zijn acht voorbeelden uit een breder patroon. In totaal staan er, verdeeld over achttien onderwerpen, 123 schriftelijk gestelde vragen open — genummerd en per onderwerp na te lezen in het overzicht dat op 16 september aan de commissie is overhandigd. Ik vraag u niet mij op mijn woord te geloven, maar de rapporten te leggen naast die 123 vragen, onderwerp voor onderwerp, vóór 1 oktober.
Ik ben graag beschikbaar voor een nadere toelichting.
Met vriendelijke groet,
Namens een groep van 150 belanghebbenden uit De Slottuin en Cruquius en BCN, Heemstede
5