Smallingerland, 25 augustus 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Bijlage 1 beantwoording raadsvragen 14-07-2026.
1 . Oorzaken exploitatietekort
Kan het college de documenten verstrekken waarin de oorzaken van het exploitatietekort van Kort zijn vastgesteld, inclusief:
- de financiële impact per oorzaak;
- de gehanteerde berekeningen;
- de afwijkingen ten opzichte van de uitgangspunten van de aanbesteding;
- de analyses van Forseti. Indien dergelijke documenten niet bestaan, verzoeken wij dit expliciet aan te geven.
Antwoord: De Kostprijsanalyse CVV Smallingerland is het belangrijkste document waarin de oorzaken van de modelmatig berekende onderdekking van het Wmo-vervoer zijn uitgewerkt. Forseti berekent over 69.844 ritten een omzet van € 1.046.871 en geschatte kosten van € 1.644.683. Het modelmatige tekort over 2026 bedraagt daarmee € 597.812, oftewel een onderdekking van 36,3%.
Tariefstructuur: het lineaire kilometertarief bevat geen toereikende opstartcomponent en geen afzonderlijke opslagen voor bepaalde indicaties. Vooral korte ritten waren daardoor verlieslatend. Ritstructuur: 52.080 ritten, 74,6% van het totaal, waren korter dan 5 kilometer. Deze ritten hadden volgens Forseti een geschatte dekkingsgraad van circa 44,9%. Productiviteit: 37,4% van de werkelijke inzettijd was declarabel. Forseti rekende 46,7% toe aan leegloop tussen ritten en 15,8% aan berekende aanrijtijd. Combinatie: 31,9% van de ritten werd gecombineerd uitgevoerd. Forseti zag theoretisch onbenut combinatiepotentieel, maar merkte op dat daadwerkelijke combinatie ook routeoverlap en de beperkingen uit indicaties vereist. Forseti kwantificeert niet welk deel van het modelmatige tekort afzonderlijk wordt veroorzaakt door de tariefstructuur, de ritstructuur, productiviteit, combinatiegraad of andere factoren. De interne financiële beoordeling van de conceptjaarrekening 2025 laat daarnaast een bedrijfsbreed verlies van € 746.706 zien bij een totale omzet van circa € 4,7 miljoen, waarvan € 981.707 Wmo-omzet. In die beoordeling wordt juist de vraag gesteld in hoeverre ook andere bedrijfsactiviteiten en activiteiten in andere regio’s verlieslatend waren. Daarmee kan het bedrijfsbrede verlies niet zonder nadere analyse volledig aan de Wmo-opdracht Smallingerland worden toegerekend.
De analyse van Forseti bevat geen volledige financiële impact per afzonderlijke oorzaak en ook geen volledige parameter-voor-parametervergelijking met de oorspronkelijke aanbestedingsuitgangspunten.
2. Financiële beoordeling Kort
Welke financiële analyses heeft Forseti uitgevoerd met betrekking tot:
- liquiditeit;
- solvabiliteit;
- rentabiliteit;
- kasstromen;
- continuïteit? Welke conclusies zijn hieruit getrokken? Zijn daarbij signalen vastgesteld die wezen op een dreigend faillissement?
Kan het college de onderliggende analyses en rapportages verstrekken?
Antwoord: Forseti heeft geen afzonderlijke beoordeling uitgevoerd van de liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit, kasstromen of continuïteit van Personenvervoer Kort als onderneming. De raadsbrief van 8 juli 2026 vermeldt expliciet dat Forseti geen oordeel heeft gegeven over de financiële gezondheid van de onderneming. Dit was ook geen onderdeel van de opdracht.
Forseti heeft de uitvoering van het Wmo-vervoer modelmatig onderzocht op basis van de ritadministratie, de ontvangen omzet en een normatief kostprijsmodel. Daaruit volgt een geschatte jaarlijkse onderdekking van € 597.812, maar geen oordeel over de financiële positie van de gehele onderneming en geen afzonderlijke faillissementssignaalanalyse.
Los van Forseti heeft de gemeentelijke organisatie de conceptjaarrekening beoordeeld. Die interne beoordeling signaleert onder meer een bedrijfsbreed verlies van € 746.706, een negatief eigen vermogen van € 745.706, vrijwel geen liquide middelen (€ 1.879), openstaande vorderingen van € 364.431 en een omvangrijke schuldenpositie. Deze constateringen zijn gebaseerd op conceptcijfers en vormen geen door Forseti uitgevoerde analyse of definitieve accountantsbeoordeling.
3. Financiële analyse gemeente
Heeft de gemeente zelf een financiële beoordeling uitgevoerd van de positie van Kort?
Zo ja, kan het college de documenten verstrekken, waaronder:
- liquiditeitsanalyse;
- solvabiliteitsanalyse;
- kasstroomanalyse;
- continuïteitsanalyse;
- risicobeoordeling.
Indien geen analyse is uitgevoerd, op basis van welke informatie is dan besloten een structurele tariefverhoging toe te kennen?
Ja. De afdeling Financiën heeft de conceptjaarrekening van Personenvervoer Kort beoordeeld.
De conceptjaarrekening vermeldde een verlies van € 746.706 en een negatief eigen vermogen van € 745.706. De interne beoordeling vermeldde een totale schuldenpositie van circa € 1,4 miljoen, openstaande vorderingen van € 364.431 en liquide middelen van € 1.879. In de conceptjaarrekening stond goodwill ter waarde van € 180.000. Uit de stukken kon de herkomst daarvan niet worden vastgesteld. De totale omzet bedroeg circa € 4,7 miljoen, waarvan € 981.707 betrekking had op Wmovervoer. De interne beoordeling stelde daarom de vraag in hoeverre het bedrijfsbrede verlies ook samenhing met andere omzetstromen. De interne analyse bevat geen uitgewerkte, afzonderlijk benoemde liquiditeits-, solvabiliteits-, kasstroom- en continuïteitsrapportages.
De structurele tariefaanpassing is niet uitsluitend gebaseerd op deze ondernemingsanalyse. De raadsbrief en het collegevoorstel baseren de tariefaanpassing vooral op het Mentizonderzoek, de actuele ritgegevens, de Kostprijsanalyse van Forseti, de geconstateerde rekenkundige onjuistheid in de eerdere opbrengstberekening en de noodzaak om de continuïteit van het vervoer te waarborgen.
4. Risico-analyse continuïteit
Kan het college de risico-analyse verstrekken die ten grondslag lag aan de beoordeling van de continuïteit van het Wmo-vervoer? Graag inclusief:
- datum van opstelling;
- kans op en impact van uitval;
- gevolgen voor reizigers;
- financiële gevolgen voor de gemeente;
- mitigerende maatregelen;
- uitgewerkte scenario’s.
Indien geen risicoanalyse is opgesteld, verzoeken wij dit expliciet te bevestigen.
Antwoord: over de periode vóór het faillissement bevatten de stukken geen afzonderlijke, volledig uitgewerkte en gekwantificeerde kans-impactanalyse van de levensvatbaarheid van Personenvervoer Kort. De raadsbrief van 8 juli 2026 vermeldt reeds dat geen volledige risicoanalyse naar de levensvatbaarheid van de onderneming is uitgevoerd.
Het collegevoorstel van 17 juli 2026 bevat wel een afzonderlijke paragraaf “Risico’s” voor de situatie na het faillissement en de voorgenomen opvolging. Daarin zijn de volgende risico’s en gevolgen benoemd:
continuïteitsrisico: zonder tariefverhoging en voorschot was geen benaderde vervoerder bereid of in staat om per 1 augustus 2026 in te stappen; gevolgen voor reizigers: mogelijke onderbreking van vervoer naar sociale contacten, dagbesteding, medische afspraken en andere essentiële voorzieningen; financiële gevolgen: incidenteel ingekocht commercieel vervoer zou naar verwachting substantieel duurder zijn dan gecontracteerd vervoer; juridische risico’s: mogelijke aansprakelijkheids- en bezwaarprocedures bij aantoonbaar nadeel voor inwoners en de noodzaak wijzigingen transparant vast te leggen; bestuurlijke en communicatieve risico’s: maatschappelijke en politieke onrust, raadsvragen en negatieve publiciteit. Als mitigerende maatregelen zijn genoemd: gesprekken met meerdere vervoerders, keuze voor de enige vervoerder die aansluitend kon overnemen, een verhoging van het starttarief van € 9,72 met 10%, een voorschot ter grootte van één maandfactuur als tijdelijk werkkapitaal, publicatie van de wijziging op TenderNed en actieve communicatie. Het collegevoorstel is gedateerd 17 juli 2026.
5. Ritten korter dan 1,5 kilometer
Kan het college het aantal ritten korter dan 1,5 kilometer over de gevraagde periode verstrekken?
Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn:
- waarom niet;
- op basis van welke gegevens het contracttarief is vastgesteld;
- welke ritafstanden wel beschikbaar zijn.
Antwoord: Het exacte aantal ritten korter dan 1,5 kilometer is niet opgenomen in de kostprijsanalyse. Forseti heeft deze afstandscategorie niet afzonderlijk gerapporteerd. Wel blijkt uit het onderzoek dat in de analyseperiode 23.525 ritten korter waren dan 2 kilometer. Dit betreft 33,7% van het totale aantal ritten. De gemiddelde afstand binnen deze categorie bedroeg circa 1,1 kilometer.
Daarnaast waren 52.080 ritten korter dan 5 kilometer. Dit betreft 74,6% van alle ritten. De gemiddelde afstand van deze ritten bedroeg 2,20 kilometer. Omdat de categorie korter dan 2 kilometer onderdeel uitmaakt van de categorie korter dan 5 kilometer, mogen deze aantallen niet bij elkaar worden opgeteld.
Op basis van de beschikbare gegevens kan geen exact aantal ritten korter dan 1,5 kilometer worden verstrekt.
6. Onderbouwing conclusie “geen aanvullende middelen nodig”
Op welke documenten, berekeningen en prognoses is de conclusie gebaseerd dat geen aanvullende financiële middelen noodzakelijk waren voor de continuïteit van de uitvoering?
Graag ontvangen wij de volledige onderbouwing inclusief:
- actuele financiële positie;
- omvang van het tekort;
- liquiditeitsontwikkeling;
- continuïteitsrisico’s;
- vergelijking tussen aanbestedingsuitgangspunten en gerealiseerde cijfers.
Op welke datum is deze conclusie vastgesteld?
Antwoord: In de raadsbrief van 8 juli 2026 staat dat het college op dat moment niet verwachtte dat in de komende jaren opnieuw aanvullende financiële steun nodig zou zijn in de vorm van de verstrekte voorschotten. De reden hiervoor is dat gewerkt is aan een tarief aanpassing die zou moeten leiden tot een gezonde vervoerssituatie.
De gemeente is niet in het bezit van een volledige prognose waarin deze conclusie is onderbouwd met de actuele balans, liquiditeitsontwikkeling, een meerjarige kasstroomprognose, continuïteitsscenario’s en een volledige vergelijking tussen aanbestedingsuitgangspunten en gerealiseerde cijfers.
Het collegevoorstel van 17 juli 2026 voorziet daarnaast in een verdere verhoging van het tarief met 10% en in een voorschot ter grootte van één maandfactuur, geraamd op ongeveer € 150.000, voor de opstart van de opvolgende vervoerder. Het voorschot is volgens het voorstel tijdelijk werkkapitaal en geen dekking van een exploitatietekort.
7. Diffuus financieel beeld
Het college spreekt over een “diffuus financieel beeld”. Wie heeft deze kwalificatie gebruikt?
Kan het college de documenten verstrekken waarop deze kwalificatie is gebaseerd, inclusief:
- beschikbare financiële gegevens;
- ontbrekende informatie;
- geconstateerde tegenstrijdigheden;
- eventuele alternatieve interpretaties.
Antwoord: De kwalificatie “diffuus financieel beeld” is in de raadsbrief namens het college gebruikt.
De beoordeling van de stukken maakt inzichtelijk waarom het financiële beeld niet eenduidig was. Beschikbaar waren onder meer voorlopige cijfers over het bedrijfsbrede verlies, het negatieve eigen vermogen, de schulden, de vorderingen, de liquide middelen, goodwill en de verdeling van de omzet. Tegelijkertijd ontbraken een definitieve jaarrekening, een controleverklaring, een uitgewerkte kasstroomprognose, een onderbouwde toelichting op de goodwill en een verdeling van het resultaat over de verschillende vervoersactiviteiten.
Een belangrijke alternatieve interpretatie betreft de toerekening van het verlies. Forseti berekende modelmatig een tekort van € 597.812 op de Wmo-uitvoering, terwijl de conceptjaarrekening een bedrijfsbreed verlies van € 746.706 liet zien bij een totale omzet van circa € 4,7 miljoen, waarvan € 981.707 Wmo-omzet. Zonder nadere segmentatie kan het daadwerkelijke bedrijfsverlies niet volledig aan de Wmo-opdracht worden toegerekend.
8. Structurele kostendekkendheid
Kan het college de berekeningen verstrekken waaruit blijkt dat de jaarlijkse kostenstijging van € 275.000 voldoende is voor een structureel kostendekkende uitvoering?
Graag inclusief:
- benodigd tariefniveau;
- verwachte opbrengsten;
- resterend tekort of overschot;
- effecten van efficiëntieverbeteringen;
- meerjarige prognose;
- gehanteerde aannames over loon- en prijsontwikkelingen.
Kan het college tevens aangeven over welke periode deze kostendekkendheid werd verwacht?
Antwoord: De stukken bevatten geen berekening waaruit blijkt dat een jaarlijkse kostenstijging van € 275.000 op zichzelf voldoende was om de uitvoering structureel kostendekkend te maken. In de raadsbrief van 8 juli 2026 wordt juist aangegeven dat zowel aanpassing van de tariefstructuur als verbetering van de vervoersuitvoering nodig was.
De € 275.000 was een eerdere raming van de maximale financiële impact van de verhoging van het starttarief. Na correctie van een rekenkundige onjuistheid is het starttarief met terugwerkende kracht per 1 juni 2026 vastgesteld op € 9,72. Het collegevoorstel van 17 juli 2026 stelt dat dit tarief nodig was om een kostendekkende tariefstructuur te realiseren en dat voor een opvolgende vervoerder vanwege de korte implementatietermijn en noodzakelijke investeringen nog een verhoging van 10% nodig was.
Voor deze aanvullende 10%-verhoging wordt uitgegaan van een maximaal effect van € 150.000 per jaar. De structurele effecten van de toekomstige aanbesteding waren volgens het collegevoorstel nog niet in te schatten. Het voorstel bevat daarom geen meerjarige prognose waaruit volgt dat de uitvoering als geheel gedurende een bepaalde periode structureel kostendekkend is.
9. Onderbouwing tariefverhoging
Welke analyses, berekeningen en beleidsafwegingen lagen ten grondslag aan de structurele tariefverhoging? Welke alternatieven zijn onderzocht? Kan het college de onderliggende stukken verstrekken?
Antwoord: De tariefaanpassingen zijn in de aangeleverde stukken als volgt onderbouwd:
per 1 juni 2026 verhoging van het starttarief van € 3,74 naar € 7,66, gebaseerd op het oorspronkelijke kostprijsonderzoek van Mentiz inclusief indexatie; na constatering van een rekenkundige onjuistheid in de eerdere gemeentelijke opbrengstberekening, verhoging naar € 9,72 met terugwerkende kracht per 1 juni 2026; dit bedrag sluit volgens het collegevoorstel aan bij de prognose van Forseti en was nodig voor een kostendekkende tariefstructuur; per 1 augustus 2026 een verhoging van het starttarief van € 9,72 met 10%, omdat de enige vervoerder die binnen de beschikbare termijn aansluitend kon overnemen in de opstartfase nog niet volledig efficiënt kon werken en op korte termijn in voertuigen, personeel en ondersteunende diensten moest investeren; een voorschot ter grootte van één maandfactuur, circa € 150.000, als tijdelijk werkkapitaal voor de opstart van de opvolgende vervoerder.
Als alternatieven zijn onderzocht: de bestaande tariefstructuur ongewijzigd laten en geen voorschot verstrekken, incidenteel commercieel vervoer inkopen, een minimumaantal kilometers per rit hanteren, zeer korte ritten via beleid of verordening beperken, ritten doelmatiger plannen en andere vervoerders benaderen.
Ongewijzigde tarieven zonder voorschot hebben wij beoordeeld als niet realistisch. Incidentele commerciële inkoop is duurder en zien wij niet als structurele oplossing. Meerdere vervoerders konden niet tijdig instappen wegens onder meer capaciteit, vestigingsplaats, schaalgrootte, bestaande verplichtingen en investeringsbehoefte.
Er zijn naast de reeds verstrekte stukken en collegevoorstellen geen aanvullende stukken.
10. Onafhankelijke beoordeling bedrijfsvoering
Is voorafgaand aan de structurele tariefverhoging een onafhankelijke bedrijfskundige beoordeling of audit van de bedrijfsvoering van Kort overwogen?
Zo ja welke varianten en kan het college de betreffende stukken verstrekken; zo nee, waarom is hiervoor niet voor gekozen?
Antwoord: Forseti heeft onafhankelijk de uitvoeringspraktijk en tariefstructuur van het Wmovervoer onderzocht, maar heeft geen oordeel gegeven over de financiële bedrijfsvoering van Personenvervoer Kort, dit is ook geen gemeentelijke verantwoordelijkheid.
11. Vergelijking met andere vervoerders
Kan het college geanonimiseerd inzicht geven in de vergelijking met andere vervoerders, waaronder:
- tarieven;
- ritvolumes;
- geanonimiseerde kostprijsgegevens, voor zover beschikbaar;
- benuttingsgraad;
- combinatiegraad;
- geconstateerde verschillen.
Antwoord: De benchmark met vergelijkbare vervoersopdrachten is meegegeven in de onderzoeksopdracht aan Forseti.
De aangeleverde Kostprijsanalyse bevat echter geen uitgewerkte, geanonimiseerde vergelijking per vervoerder met tarieven, ritvolumes, kostprijsgegevens, benuttingsgraad en combinatiegraad. Een kwantitatieve benchmark op de gevraagde onderdelen kan daarom niet worden verstrekt. De vergelijking is ook weinig relevant gebleken omdat de voorwaarden en het gebied afwijken ten opzichte van Smallingerland.
12. Informatievoorziening
Kan het college een chronologisch overzicht verstrekken van:
- eerste signalen;
- interne beoordelingen;
- momenten waarop de portefeuillehouder is geïnformeerd;
- momenten waarop het college is geïnformeerd;
- bestuurlijke besluitvorming;
- momenten waarop de raad is geïnformeerd.
Tijdlijn dossier Wmo-vervoer (zaaknummer 2026-008828)
Antwoord:
Datum Gebeurtenis
November 2025
Januari – april 2026
7 april 2026
15 april 2026
Eind april 2026
Eind april / begin mei 2026
Mei 2026
Personenvervoer Kort geeft aan dat het Wmo-vervoer onder de huidige contractvoorwaarden niet kostendekkend kan worden uitgevoerd en dat sprake is van financiële problemen.
De gemeente Smallingerland verstrekt op basis van een voorschotovereenkomst in totaal € 200.000 om de continuïteit van het Wmovervoer gedurende een onderzoeksperiode te waarborgen.
Afwijzen aanvullende financiering (2026-008828)
Het college besluit het verzoek van Personenvervoer Kort voor aanvullende financiering op het Wmo-vervoerscontract af te wijzen.
Gesprek Personen vervoer Kort, portefeuillehouder, teammanager Maatschappelijke ontwikkeling en contractmanager Wmo en beide advocaten. Met als doel om te kijken naar de onderliggende problematiek. Afspraak Kort doet een voorstel met oplossingsrichtingen.
Personenvervoer Kort dient een voorstel in om een minimumaantal kilometers per rit te hanteren en de meerkosten deels door te berekenen aan reizigers.
De gemeente concludeert dat dit voorstel juridisch niet uitvoerbaar is. Hierdoor blijft de huidige ritstructuur gehandhaafd en lijkt een hoger tarief voor de vervoerder noodzakelijk.
De gemeente verstrekt aan onderzoeksbureau Forseti een spoedopdracht om op basis van actuele ritgegevens een marktconform tarief voor het Wmovervoer vast te stellen.
De gemeente biedt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan in afwachting Mei 2026 van de uitkomsten van het onderzoek.
Personenvervoer Kort geeft aan dat € 50.000 onvoldoende is en verzoekt om Mei 2026 een voorschot van minimaal € 100.000 .
Datum Gebeurtenis
18 mei 2026 [Collegevoorstel 2026-008828:] [ afwijzing van het verzoek om aanvullende ] financiering.
20 mei 2026
Personenvervoer Kort reageert op het gemeentelijke standpunt en verzoekt het eerder aangeboden voorschot van € 50.000 alsnog beschikbaar te stellen. Tevens meldt Kort dat het personeel op 21 mei zal worden geïnformeerd dat het vakantiegeld niet kan worden uitbetaald.
21 mei 2026 [Collegevoorstel 2026-008828:] [ afwijzing van het verzoek om een aanvullend ] voorschot.
Eind mei Oplevering van het onderzoek van Forseti naar een marktconform tarief voor 2026 het Wmo-vervoer.
Collegevoorstel 2026-008828: afwijzing van het tweede verzoek om een 1 juni 2026 aanvullend voorschot.
1 juni 2026
Op basis van de uitkomsten van het Forseti-onderzoek wordt besloten tot aanpassing/verhoging van het starttarief voor het Wmo-vervoer ingaande 1 juni 2026 om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.
Brief naar Kort: Ophogen starttarief naar € 7,66 per 1 juni 2026, onderzoek 3 juni 2026 aanpassing Wmo verordening en het dringende advies aan Kort tot het effectiever organiseren van het vervoer.
versturen raadsbrief (2026-008828)
15 juni 2026
15 juni 2026
Het college stelt bijgevoegde raadsbrief vast met informatie over Personenvervoer Kort Drachten B.V.
Gesprek Personen vervoer Kort, portefeuillehouder, teammanager Maatschappelijke ontwikkeling en contractmanager Wmo en beide advocaten. Afspraak Kort komt met een berekening over het effect van het aangepaste starttarief. Gemeente legt dit naast haar eigen berekening om te kijken waar het verschil zit.
18 juni 2026 Kort stuurt haar berekening, deze is juist.
22 juni 2026
Gemeente doet een extra voorstel tot het verhogen van het start tarief van € 7,66 naar € 9,72. Op deze manier komt de extra uitgave uit op € 210.000,conform de eerdere inschatting. Kort geeft aan dat deze extra toezegging de situatie niet zal veranderen. Het geplande gesprek voor 22 juni hoeft niet door te gaan en wordt geannuleerd.
Personenvervoer Kort vraagt het eigen faillissement aan. De gemeente treedt 23 juni 2026 in overleg met de curator. De continuïteit van het Wmo-vervoer heeft daarbij de hoogste prioriteit.
Datum Gebeurtenis
Juni – juli 2026
7 juli 2026
17 juli 2026
De gemeente voert gesprekken met meerdere vervoerders over de overname van het Wmo- en leerlingenvervoer. Andere vervoerders kunnen niet binnen de beschikbare termijn instappen, onder meer vanwege capaciteitsgebrek, de schaalgrootte van het contract, bestaande verplichtingen en de korte implementatietermijn. Taxi Dorenbos blijkt de enige vervoerder die het volledige Wmo-vervoer aansluitend kan overnemen.
Het college besluit het starttarief te verhogen van € 7,66 naar € 9,72 per rit, met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2026. Tevens wordt besloten om per 1 augustus 2026 het opstaptarief voor inwoners te verhogen van € 1,30 naar € 2,70 en de bijdrage per gereden kilometer van € 0,16 naar € 0,20.
Het college besluit het starttarief van € 9,72 voor het Wmo-vervoer per 1 augustus 2026 met 10% te verhogen. Ook wordt besloten om Taxi Dorenbos voor augustus 2026 een voorschot ter hoogte van één maandfactuur te verstrekken. Het voorschot is bedoeld als tijdelijk werkkapitaal voor de aanschaf van voertuigen en het inrichten van de dienstverlening en niet voor het dekken van een exploitatietekort.
De gemeenteraad wordt per raadsbrief geïnformeerd over de overname door 20 juli 2026 Taxi Dorenbos, de verhoging van het Wmo-tarief met 10% en het voorschot ter hoogte van één maandfactuur. Voor het Wmo-vervoer wordt uitgegaan van een maximaal financieel effect van € 150.000 per jaar.
1 augustus 2026
Taxi Dorenbos treedt op als enige Wmo-vervoerder voor de gemeente Smallingerland. Vanaf deze datum geldt de verhoging van 10% over het tarief van € 9,72. Ook gaan het verhoogde opstaptarief en de verhoogde kilometerbijdrage voor inwoners in.
13. Kostprijsopbouw
Kan het college inzicht geven in de volledige kostprijsopbouw van het contracttarief, inclusief een vergelijking tussen:
- aanbestedingsuitgangspunten;
- werkelijke kostprijs;
- financiële verschillen.
Antwoord: Forseti berekent een kostprijs van € 41,48 per werkelijk inzetuur. Deze bestaat uit € 26,07 aan loonkosten per inzetuur, € 13,43 aan overige kosten van de vervoerder en een winstmarge van 5%. Over de analyseperiode worden de totale kosten geschat op € 1.644.683 tegenover € 1.046.871 aan opbrengsten. Het modelmatige verschil bedraagt € 597.812. Forseti kwantificeert niet welk deel van het modelmatige tekort afzonderlijk wordt veroorzaakt door de tariefstructuur, de ritstructuur, productiviteit, combinatiegraad of andere factoren. Daarnaast is het oorspronkelijke kostrpijsonderzoek van Mentiz gebruikt als uitgangspunt en is de markt geconsulteerd over een passende tariefstelling.
14. Operationele gegevens
Welke operationele gegevens kunnen privacyveilig worden verstrekt, waaronder:
- ritvolumes;
- reizigersaantallen;
- ritafstanden;
- rolstoelritten;
- wachttijden;
- punctualiteit;
- ritduur;
- combinatiegraad;
- benuttingsgraad.
Antwoord: De Forseti analyse kan privacy technisch worden verstrekt. De onderliggende rittenbak kan niet worden verstrekt aangezien deze clientgegevens bevat.
15. Onderbouwing continuïteit
Op basis van welke documenten concludeerde het college dat de continuïteit van het vervoer niet werd bedreigd? Tot welke datum gold deze conclusie? Kan het college de volledige onderbouwing verstrekken?
Antwoord: Het college heeft geen conclusie getrokken dat de continuïteit niet werd bedreigd. De voorschotten zijn juist verstrekt om de continuïteit tijdens de onderzoeksperiode te waarborgen.
16. Contractnaleving
Kan het college aangeven op welke onderdelen Kort:
- voldeed aan de contractvoorwaarden;
- daarvan afweek;
- welke maatregelen daarop zijn genomen.
Antwoord: Er zijn geen systematische schendingen van de contractnaleving door Personenvervoer Kort. De kostprijsanalyse constateert wel dat 1.472 ritten langer dan 25 kilometer zijn uitgevoerd. Dergelijke ritten zijn contractueel toegestaan wanneer sprake is van een indicatie voor een groter vervoersgebied of een Valys-aansluiting. Op basis van het Forseti onderzoek is een dringend advies gegeven aan Kort om separaat van de tariefverhoging te kijken naar de effectiviteit van de organisatie.
17. Maatregelen bij uitblijven herstel
Welke maatregelen had het college voorbereid indien de financiële positie van Kort verder zou verslechteren? Is daarbij een scenario uitgewerkt waarbij het vervoer acuut zou uitvallen? Wanneer zijn deze scenario’s opgesteld?
Graag ontvangen wij de bijbehorende documenten.
Antwoord: Voorafgaand aan het faillissement zijn de volgende maatregelen en opties genoemd: voorschotten over januari tot en met april 2026, een aangeboden aanvullend voorschot van € 50.000 over de maand mei, een onafhankelijk kostprijsonderzoek (Forseti), verhoging van het starttarief, onderzoek naar aanpassing van de Wmo-verordening en het dringende advies om het vervoer effectiever te organiseren. De gemeente is steeds uitvoerig in gesprek gebleven met Personenvervoer Kort. Daarnaast zijn er in het voorjaar gesprekken gevoerd met andere vervoerders om te kijken of deze indien het mis zou lopen hun dienstverlening in Smallingerland aan zouden kunnen bieden.
18. Rapportages contractperiode
Kan het college de beschikbare managementrapportages, financiële rapportages en voortgangsrapportages over de contractperiode verstrekken, inclusief relevante risicoanalyses en prognoses?
Antwoord: Over de contractperiode zijn geen afzonderlijke managementrapportages, financiële rapportages, risicoanalyses of prognoses beschikbaar.
De vervoerder leverde maandelijks een overzicht van de uitgevoerde ritten aan in de vorm van een CSV-bestand. Daarnaast vond ten minste eenmaal per jaar een voortgangsgesprek plaats. Indien ontwikkelingen of signalen daartoe aanleiding gaven, werd vaker overleg gevoerd.
Tot 28 november 2025 heeft de vervoerder gedurende de looptijd van de overeenkomst geen signalen afgegeven waaruit bleek dat sprake was van liquiditeitsproblemen of andere financiële risico’s die de continuïteit van de dienstverlening konden bedreigen. Gelet op het ontbreken van dergelijke signalen, bestond voor de gemeente geen aanleiding om aanvullende financiële rapportages, risicoanalyses of prognoses bij de vervoerder op te vragen.
19. Operationele aannames Forseti
Kan het college de onderliggende berekeningen, aannames en databronnen van Forseti verstrekken met betrekking tot:
- benuttingsgraad;
- combinatiegraad;
- kostprijs;
- tekortberekeningen;
- efficiëntieanalyses.
Antwoord: Het rapport van Forseti ligt ter inzage bij de Griffie. De onderliggende ritgegevens kunnen niet worden verstrekt in het kader van de AVG.
20. Combinatiegraad
Op welke wijze zijn indicaties en beperkingen van reizigers meegenomen bij de analyse van de combinatiegraad?
Kan het college de uitgangspunten en berekeningen verstrekken?
Antwoord: Forseti heeft ritten met de indicatie “niet combineren” uitgesloten bij de berekening van het theoretische combinatiepotentieel. Het aandeel niet combineren bedraagt op basis van de ritgegevens 0,3%.
De gemeten combinatiegraad bedraagt 31,9%. Het Forseti rapport bevat geen norm voor een minimaal of maximaal acceptabel percentage en geen volledige berekening per indicatiecategorie als het gaat om het combinatiepotentieel. Wel geeft Forseti aan dat in algemene zin de combinatiegraad in andere gebieden en bij andere vervoerders hoger is.
21. Theoretisch tekort
Kan het college aangeven welk onderscheid wordt gemaakt tussen:
- het door Forseti berekende theoretische tekort;
- het daadwerkelijke bedrijfsresultaat van Kort?
Heeft Forseti geconcludeerd dat het volledige verlies uitsluitend werd veroorzaakt door de Wmo-opdracht? Kan het college de onderliggende berekeningen verstrekken?
Antwoord: Het bedrag van € 597.812 in de Kostprijsanalyse is een modelmatig berekende jaarlijkse onderdekking van de onderzochte Wmo-uitvoering. De omzet is gebaseerd op de ritadministratie, terwijl de kosten zijn berekend met normatieve bedragen over onder meer cao-loon, werkgeverslasten, ziekteverzuim, overige exploitatiekosten en winstmarge.
Het daadwerkelijke bedrijfsresultaat uit de conceptjaarrekening is een ander gegeven. De interne financiële beoordeling vermeldt een bedrijfsbreed verlies van € 746.706 bij een totale omzet van circa € 4,7 miljoen. Daarvan had € 981.707 betrekking op Wmo-vervoer. De interne beoordeling stelt uitdrukkelijk de vraag of ook andere activiteiten verlieslatend waren, het Wmvervoer Smallingerland is hierin slechts 1 onderdeel van de bedrijfsvoering. Wel is er op dit onderdeel faillissement aangevraagd.
Forseti heeft niet geconcludeerd dat het volledige daadwerkelijke bedrijfsverlies uitsluitend door de Wmo-opdracht is veroorzaakt. Forseti kwantificeert evenmin de verdeling van het modelmatige Wmo-tekort over tariefstructuur, operationele productiviteit en overige oorzaken. Het modelmatige tekort en het bedrijfsbrede resultaat mogen daarom niet zonder nadere segmentanalyse aan elkaar worden gelijkgesteld.
Voor een definitieve vergelijking zijn de definitieve jaarrekening, een resultatenrekening per bedrijfsactiviteit, de onderliggende grootboekgegevens en de volledige financiële analyse nodig. Deze stukken zijn niet aangeleverd.
22. Voorschot € 50.000
Waarom is het eerder toegezegde voorschot van € 50.000 uiteindelijk niet verstrekt? Op basis van welk besluit is hiervan afgezien? Wie heeft uiteindelijk besloten het voorschot niet te verstrekken? Kan het college alle relevante correspondentie, besluiten en onderliggende stukken verstrekken?
Antwoord: Het aangeboden voorschot van € 50.000,- over de maand mei 2026 is door Personenvervoer Kort afgewezen met de mededeling dat dit onvoldoende was, er was minimaal € 100.000 nodig. Op 20 mei vroeg Kort het eerder aangeboden bedrag van € 50.000 alsnog beschikbaar te stellen.
Op 21 mei 2026 besloot het college het aanvullende voorschot van € 100.000,- af te wijzen omdat het lopende kostprijsonderzoek werd afgewacht. Op 1 juni 2026 werd ook het tweede verzoek afgewezen, omdat de tarieven op basis van het Forseti-onderzoek zouden worden verhoogd waardoor er een meer structurele oplossing ontstond.
23. Tariefafspraken curator
Welke juridische adviezen en analyses lagen ten grondslag aan de tariefafspraken met de curator en de huidige vervoerder?
Is daarbij expliciet getoetst aan:
- de Aanbestedingswet;
- de Wmo 2015;
- het gelijkheidsbeginsel;
- staatssteunregels?
Is hierover extern juridisch advies ingewonnen? Kan het college de betreffende adviezen of samenvattingen daarvan verstrekken?
Antwoord: De curator heeft de uitvoering tijdelijk voortgezet op basis van de bestaande overeenkomsten en ontving geen afwijkende vergoeding. De structurele tariefwijziging gold voor de gehele overeenkomst.
Er is gedurende het proces met regelmaat extern advies is gebruikt van Bout Advocaten en Inkoopadviesbureau Oranjewoud. De tarief aanpassingen zijn in lijn met bestaande wet en regelgeving, de tariefaanpassingen zijn tweemaal via TenderNed gepubliceerd. Hiermee is tevens voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en aanbestedingswetgeving.
24. Vergelijking aanbesteding en praktijk
Kan het college een overzicht verstrekken waarin de uitgangspunten uit de aanbesteding worden vergeleken met de gerealiseerde praktijk, waaronder:
- ritlengtes;
- ritvolumes;
- combinatiegraad;
- reizigersprofiel;
- rolstoelvervoer;
- benuttingsgraad.
Graag inclusief een analyse van de financiële gevolgen van de geconstateerde afwijkingen.
Antwoord: Uit de vergelijking blijkt dat de uitvoeringspraktijk in 2025/2026 op onderdelen afwijkt van de ritgegevens die ten grondslag lagen aan het kostprijsonderzoek van Mentiz. Mentiz baseerde zich op circa 47.000 ritten over 2022, terwijl Forseti over een periode van twaalf maanden 69.844 ritten heeft geanalyseerd. Het ritvolume is daarmee circa 49% hoger. Ook de ritstructuur is gewijzigd. In het onderzoek van Mentiz was 68% van de ritten korter dan 5 kilometer. In de door Forseti onderzochte praktijk bedroeg dit aandeel 74,6%. Het aandeel ritten korter dan 2 kilometer nam toe van circa 21% in het Mentiz-onderzoek naar 33,7% in de analyse van Forseti. De gemiddelde ritafstand over alle ritten daalde van 5,57 kilometer naar 4,81 kilometer.
Daarnaast bestaat een belangrijk verschil in de berekening van de productiviteit. Mentiz hanteerde een modelmatige verhouding tussen beladen en onbeladen tijd en ging op basis van benchmarks uit van een vermindering van de inzeturen met 20% vanwege ritcombinaties. Forseti heeft de feitelijke inzet gereconstrueerd en constateert dat 37,4% van de werkelijke inzettijd declarabel was. De overige tijd bestond uit leegloop tussen ritten en aanrijtijd.
De vergelijking laat daarmee zien dat sprake is van een hoger ritvolume, een groter aandeel korte ritten en meer niet-productieve inzet dan uit de oorspronkelijke gegevens en aannames van Mentiz naar voren kwam.
25. Bestuurlijke handelingsopties
Welke alternatieven heeft het college onderzocht om de continuïteit van het Wmo-vervoer te waarborgen vóór het faillissement van Kort?
Graag ontvangen wij de documenten waaruit blijkt:
- wanneer deze alternatieven zijn onderzocht;
- welke opties zijn afgewogen (zoals een versnelde aanbesteding, tijdelijke overbrugging of andere noodvoorzieningen);
- welke alternatieven zijn afgevallen en waarom;
- waarom uiteindelijk voor de gekozen aanpak is gekozen.
Antwoord: Vóór het faillissement zijn verschillende handelingsopties onderzocht en deels ook toegepast. Het ging onder meer om het verstrekken van tijdelijke voorschotten, het aanbieden van een aanvullend voorschot, het invoeren van een minimumaantal kilometers per rit, het gedeeltelijk doorberekenen van meerkosten aan reizigers, het laten uitvoeren van een onafhankelijk kostprijsonderzoek, het aanpassen van het starttarief, het onderzoeken van mogelijkheden om zeer korte ritten te beperken, het verbeteren van de doelmatigheid van de vervoersuitvoering en het voeren van gesprekken met andere vervoerders.
Het voorstel om een minimumaantal kilometers per rit te hanteren en een deel van de meerkosten door te berekenen aan reizigers is juridisch beoordeeld door Bout Advocaten. Uit deze beoordeling bleek dat dit voorstel niet uitvoerbaar was, omdat daarmee de kern van de oorspronkelijke aanbestedingsopdracht zou worden gewijzigd. Dit zou kwalificeren als een wezenlijke wijziging van de opdracht.
Naar aanleiding van het kostprijsonderzoek is het starttarief per 1 juni 2026 aangepast. Vervolgens heeft de gemeente op 22 juni 2026 een aanvullende verhoging naar € 9,72 per rit aangeboden, eveneens met ingang van 1 juni 2026.
Daarnaast is gesproken met andere vervoerders (marktconsultatie de aanbesteding 2028) over mogelijke toetreding of overname van een deel van de uitvoering. Deze vervoerders hebben aangegeven dat het naast elkaar uitvoeren van het Wmo-vervoer door meerdere partijen binnen Smallingerland onvoldoende doelmatig en financieel niet aantrekkelijk is. Het verzorgingsgebied is volgens hen te beperkt om het vervoer efficiënt over meerdere vervoerders te verdelen, waardoor de opdracht voor afzonderlijke vervoerders onrendabel kan worden. Bij de oorspronkelijke aanbesteding was aanvankelijk sprake van twee gecontracteerde vervoerders. De tweede vervoerder is om dezelfde reden uiteindelijk uit de overeenkomst gestapt.
Via raadsbrieven hebben wij de gemeenteraad geïnformeerd over de ontwikkelingen betreffende het Wmo vervoer.
26. Onderzoek van Forseti
In het rapport van Forseti wordt geconcludeerd dat de huidige tariefstructuur onvoldoende aansluit bij de werkelijke uitvoeringskosten. Daarbij blijkt dat slechts 37,4% van de inzettijd declarabel is, wat neerkomt op gemiddeld 22,4 minuten per uur. Welke maatregelen gaat het college nemen naar aanleiding van deze conclusie?
In de reactie van het college lijkt deze conclusie anders te worden geïnterpreteerd. Kan het college toelichten waarom het tot een andere lezing komt?
Welke gevolgen heeft deze conclusie volgens het college voor de tarieven van de huidige uitvoerder van het Wmo-vervoer?
Verder geeft het college in de brief aan dat ritten beter gecombineerd moeten worden. Het college noemt hierbij een gecombineerd ritpercentage van 11%, terwijl Taxi Kort aangeeft dat dit percentage in de praktijk 32% bedraagt. In zowel de eerdere als de recent uitgezette open-house aanbesteding wordt door de gemeente een gecombineerd ritpercentage van 11% als uitgangspunt gehanteerd. Acht het college niet dat de door de gemeente zelf vastgestelde voorwaarden hierbij leidend horen te zijn?
Welk percentage gecombineerd vervoer beschouwt het college op dit moment als acceptabel en realistisch? Op welke gegevens, ervaringen of uitgangspunten baseert het college dit percentage?
Welke invloed heeft Carins volgens het college op het al dan niet kunnen realiseren van een hoger percentage gecombineerd vervoer?
Kan het college toelichten welke rol Carins hierin speelt en welke belemmeringen er zijn waardoor niet meer dan circa 32% van de ritten gecombineerd kan worden uitgevoerd?
Antwoord: Het college onderschrijft de conclusie van Forseti dat de toenmalige tariefstructuur onvoldoende aansloot bij de kosten van de uitvoering. Het onderzoek laat echter ook zien dat de kostendekkendheid niet uitsluitend door het tarief wordt bepaald. Ook de relatief lage productiviteit en het grote aantal zeer korte ritten hebben een belangrijk effect op de uitvoerbaarheid van de opdracht. Dat slechts 37,4% van de feitelijke inzettijd declarabel was, moet daarom in samenhang met deze verschillende oorzaken worden bezien. Het college komt daarmee niet tot een andere lezing van het onderzoek, maar beschouwt de uitkomsten als een samenhangend vraagstuk.
Een toekomstbestendige uitvoering vraagt om maatregelen op drie onderdelen, een passende tariefstructuur, het verminderen van het aantal zeer korte ritten, waar dit verantwoord en mogelijk is en het doelmatiger organiseren en combineren van het vervoer.
Binnen zijn bevoegdheden heeft het college de tarieven voor het Wmo-vervoer aangepast. Daarnaast zijn het opstaptarief en de bijdrage per gereden kilometer voor inwoners verhoogd. Ook onderzoekt het college of het aantal zeer korte ritten kan worden verminderd, bijvoorbeeld door aanpassing van de Wmo-verordening en / of voor ritten waarvoor dat passend is meer gebruik te maken van algemene of voorliggende vervoersvoorzieningen. Een eventuele aanpassing van de verordening wordt aan de gemeenteraad voorgelegd. Daarbij blijft de individuele situatie van de inwoner leidend.
Het doelmatiger organiseren van de ritten is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de vervoerder. Van de vervoerder wordt verwacht dat deze de beschikbare vervoersstromen waar mogelijk efficiënt plant en combineert. De huidige vervoerder heeft de beschikking gekregen over de beschikbare rittengegevens en heeft op basis daarvan een uitvoerige analyse kunnen maken van de haalbaarheid van de opdracht. De vervoerder heeft aangegeven dat de opdracht met de inmiddels doorgevoerde aanpassingen en tariefverhogingen uitvoerbaar is. De gemeente blijft hierover via het contractmanagement periodiek met de vervoerder in gesprek.
Het percentage van 11% waarnaar in de vraag wordt verwezen, betreft de historische combinatiegraad van Kijlstra zoals deze in het programma van eisen is benoemd. Dit percentage moet niet worden gelezen als een door de gemeente vastgestelde maximale of gewenste combinatiegraad.
Personenvervoer Kort realiseerde met circa 32% een hogere combinatiegraad dan de genoemde 11%. Uit zowel het oorspronkelijke kostprijsonderzoek van Mentiz als het onderzoek van Forseti volgt echter dat er ruimte is voor een hogere doelmatigheid. Mentiznoemt in haar onderzoek een combinatiegraad in de orde van 45% tot 55% gangbaar kan zijn. Forseti heeft mondeling toegelicht dat deze bandbreedte ook in de huidige situatie nog als reëel kan worden beschouwd. Het daadwerkelijk haalbare percentage is afhankelijk van onder meer de spreiding van de ritten, de bestemming en het tijdstip van de ritten, de geldende indicaties en de mogelijkheden om verschillende vervoersstromen met elkaar te combineren.
Het college stelt daarom niet één absoluut percentage vast dat in alle omstandigheden moet worden gehaald. Wel acht het college een verbetering ten opzichte van de door Kort gerealiseerde combinatiegraad wenselijk en mogelijk. De vervoerder moet daarbij aantonen op welke wijze de planning en uitvoering worden geoptimaliseerd.
Carins heeft geen directe verantwoordelijkheid voor de dagelijkse ritplanning of het combineren van ritten. Die verantwoordelijkheid ligt bij de vervoerder. Carins heeft wel indirect invloed, omdat Carins binnen het indicatieproces beoordeelt welke
vervoersvoorziening passend is en of bijzondere voorwaarden of beperkingen noodzakelijk zijn.
Het college staat open voor voorstellen van de vervoerder en Carins die kunnen bijdragen aan een doelmatiger uitvoering, voor zover deze passen binnen de Wmo en geen afbreuk doen aan de individuele ondersteuningsbehoefte van inwoners. De gemeente richt zich daarbij zelf in het bijzonder op de mogelijkheden om het aantal zeer korte ritten te verminderen, omdat juist deze ritten lastig efficiënt te combineren zijn.
27. Conclusie Forseti
Forseti concludeert dat sprake is van een geschat jaarlijks tekort van € 597.812. Uit het rapport blijkt echter dat dit een berekend tekort betreft, gebaseerd op cao-beloning van personeel, CBS-gegevens en het huidige aantal ritten.
- Hoe beoordeelt het college deze conclusie?
- Erkent het college dat het genoemde bedrag een modelmatige berekening betreft en niet het daadwerkelijk vastgestelde exploitatietekort?
- Deelt het college de opvatting dat een modelmatige berekening niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan het daadwerkelijk gerealiseerde exploitatietekort?
- Heeft het college het rapport ook op deze wijze gelezen en geïnterpreteerd?
- Zo nee, waarop baseert het college dan zijn eigen interpretatie?
Sinds de benoeming van de curator zijn de tarieven aangepast.
- Waarom zijn deze tariefsverhogingen nu wel mogelijk, terwijl eerder werd aangegeven dat daarvoor juridisch geen ruimte bestond?
- Hoe beoordeelt het college deze ontwikkeling in het licht van de conclusies van Forseti?
- Kan het college toelichten waarom pas nu tot een tariefsaanpassing is overgegaan?
- Had het college deze maatregelen niet eerder kunnen of moeten nemen om de huidige situatie te voorkomen?
Antwoord: Het klopt dat het door Forseti geraamde jaarlijkse tekort van € 597.812 een modelmatige berekening betreft. De berekening is gebaseerd op marktconforme kostprijsparameters, waaronder de cao-beloning voor personeel, werkgeverslasten, CBS-gegevens en overige gangbare kostencomponenten. Het bedrag is niet vastgesteld op basis van de volledige feitelijke kostenadministratie of het daadwerkelijk gerealiseerde bedrijfsresultaat van Personenvervoer Kort.
Het college maakt daarom onderscheid tussen het door Forseti berekende tekort op de uitvoering van het Wmo-vervoer en het feitelijke exploitatieresultaat van de onderneming. Een modelmatige berekening kan niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het daadwerkelijk gerealiseerde bedrijfsverlies. Het college heeft het rapport ook op deze wijze gelezen en geïnterpreteerd.
De analyse van Forseti laat wel zien dat de uitvoering vanuit de onderzochte situatie onvoldoende kostendekkend was. Daarbij zijn drie samenhangende oorzaken in beeld:
1. de tariefstructuur sloot onvoldoende aan bij de uitvoeringskosten; 2. de effectiviteit en productiviteit van de vervoersuitvoering waren beperkt; 3. het grote aandeel korte en zeer korte ritten had een negatief effect op de kostendekkendheid.
Naar aanleiding van deze uitkomsten heeft het college maatregelen getroffen en aanvullende maatregelen in onderzoek. Het starttarief is met ingang van 1 juni 2026 aangepast. Daarnaast is de eigen bijdrage van inwoners gewijzigd. Het college onderzoekt verder welke mogelijkheden er zijn om het aantal zeer korte ritten te verminderen, onder meer door te bezien of voorliggende vervoersmogelijkheden voor een deel van deze ritten een passend alternatief kunnen bieden. Een eventuele wijziging van de Wmo-verordening wordt aan de gemeenteraad voorgelegd.
Het verbeteren van de operationele effectiviteit ligt primair bij de vervoerder. Van de aanbieder mag worden verwacht dat deze de verschillende vervoersstromen waar mogelijk doelmatig organiseert en combineert. De gemeente blijft hierover via het contractmanagement periodiek met de vervoerder in gesprek en monitort de uitvoering.
De benoeming van de curator heeft geen invloed gehad op de aanpassing van het tarief. De verhoging van het starttarief was al vóór het faillissement aan Personenvervoer Kort aangeboden. Aan Kort is een aanvullend voorstel gedaan om het starttarief met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2026 te verhogen naar € 9,72. Kort heeft vervolgens aangegeven dat deze verhoging de financiële situatie van de onderneming niet meer zou veranderen.
28. Toekomst Wmo-vervoer
Stel dat de huidige vervoerder aangeeft dat het Wmo-vervoer, ondanks de recente tariefsaanpassingen, nog steeds niet kostendekkend kan worden uitgevoerd en een onafhankelijk onderzoek, zoals dat van Forseti, deze conclusie bevestigt.
- Hoe ziet het college in dat geval het vervolgproces voor zich?
- Op welke wijze wil het college als opdrachtgever, samen met de vervoerder en met inbreng van Wmo-gebruikers, komen tot een toekomstbestendige oplossing die zowel de continuïteit als de kwaliteit van het vervoer waarborgt?
- Is het college bereid hierover tijdig met alle betrokken partijen in gesprek te gaan?
- Is het college bereid de gemeenteraad actief te informeren over de mogelijke oplossingsrichtingen en de voortgang van dit proces?
Antwoord: De eerste prioriteit van het college ligt op dit moment bij de continuïteit van het huidige Wmo-vervoer. De nieuwe vervoerder is recent gestart en in deze opstartfase doen zich nog uitvoeringsproblemen voor. De inzet is er daarom allereerst op gericht om de bereikbaarheid, planning, punctualiteit en kwaliteit van de dienstverlening op het gewenste niveau te brengen.
Daarna zal de gemeente periodiek met de vervoerder in gesprek gaan over de uitvoering van de overeenkomst. Via het reguliere contractmanagement worden de prestaties, kostenontwikkeling en eventuele knelpunten gemonitord. Wanneer de vervoerder aangeeft dat de uitvoering, ondanks de tariefsaanpassingen, niet kostendekkend is en dit door onafhankelijk onderzoek wordt bevestigd, zal het college de oorzaken daarvan samen met de vervoerder nader analyseren. Daarbij wordt gekeken naar zowel de tariefstructuur als de inrichting en doelmatigheid van de uitvoering.
Bij het zoeken naar een toekomstbestendige oplossing worden ook de ervaringen en belangen van Wmo-gebruikers betrokken. Continuïteit, toegankelijkheid en kwaliteit van het vervoer blijven daarbij leidend. Het college is bereid hierover tijdig met de vervoerder en andere relevante partijen in gesprek te gaan.
Daarnaast onderzoekt het college de mogelijkheid om het aantal zeer korte ritten te verminderen door aanpassing van de Wmo-verordening. Een eventuele wijziging wordt aan
de gemeenteraad voorgelegd. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre algemene of voorliggende vervoersmogelijkheden een passend alternatief kunnen bieden voor bijvoorbeeld ritten tot 1,5 kilometer. Voor inwoners die vanwege hun beperkingen niet van een alternatief gebruik kunnen maken, blijft maatwerk noodzakelijk.
Wanneer opnieuw substantiële problemen ontstaan die gevolgen kunnen hebben voor de continuïteit, kwaliteit of financiële uitvoerbaarheid van het Wmo-vervoer, zal het college de gemeenteraad informeren over de ontwikkelingen, mogelijke oplossingsrichtingen en de voortgang van het proces.
Slot
Met deze vervolgvragen beogen de fracties inzicht te verkrijgen in de feiten, analyses en besluitvorming die ten grondslag lagen aan het handelen van het college, zodat de gemeenteraad zijn kaderstellende en controlerende taak volledig kan uitoefenen.
Namens de fractie van de VVD, Marco Molhoek
Namens de fractie van de SGP, Berend de Boer
Namens de fractie van de FNP, Theun Wiersma
Namens de fractie van de ELP, Yntze de Vries