Horst aan de Maas, 15 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Raadsvragen ten behoeve van de technische behandeling op de raadsavond d.d. 1 september 2026 en aanvullende vragen voorafgaand aan de raadsavond + beantwoording
_De aanvullende vragen op de gegeven antwoorden voorafgaand aan de raadsavond zijn in rood in onderstaand_ _document toegevoegd, evenals de bijbehorende beantwoording._
Essentie
Vraag 1 _De provincie Limburg vindt het plan op dit moment niet in overeenstemming met haar (voorgenomen) beleid en_ _regelgeving en hierover lopen nog gesprekken. Wat is concreet het juridische risico van vaststelling zolang_ _daarover nog geen overeenstemming bestaat? Wanneer verwacht het college duidelijkheid over de aangekondigde_ _bestuursafspraken en kunnen die afspraken ertoe leiden dat dit plan na vaststelling opnieuw aangepast moet_ _worden?_
Beantwoording vraag 1: De provincie kan een beroep bij de Raad van State indienen. De Raad van State zal het TAM-omgevingsplan en het beroep van de provincie tegen elkaar afwegen en kan dan een uitspraak doen om het TAMomgevingsplan te vernietigen. De behandeling van beroepen bij de Raad van State duurt echter circa een jaar. Die periode kan worden benut om samen met de provincie te komen tot overeenstemming in bestuursafspraken. De provincie Limburg is bezig met het voorbereiden van aanpassingen in het Omgevingsverordening ten aanzien van de tijdelijke huisvesting van werknemers. De regiogemeenten in Noord-Limburg hebben een gezamenlijke zienswijze op de Ontwerp Omgevingsverordening ingediend. Provinciale Staten hebben dit echter nog niet vastgesteld. 1 september 2026 vindt een ambtelijk overleg plaats tussen provincie en gemeenten.
Vraag 2 _Hoe wordt na vergunningverlening daadwerkelijk gecontroleerd op het maximum van twintig bewoners, de_ _minimale woonoppervlakte en vooral de eis dat alle bewoners daadwerkelijk werkzaam zijn voor het betreffende_ _agrarische bedrijf? Het voorstel stelt dat dit binnen de bestaande handhavingscapaciteit kan worden opgevangen;_ _waarop is die inschatting gebaseerd?_
Beantwoording vraag 2 Na vergunningverlening vindt toezicht plaats binnen de reguliere handhavingstaken van de gemeente. Daarbij kan zowel naar aanleiding van meldingen als via gerichte controles worden beoordeeld of wordt voldaan aan de vergunningsvoorwaarden. Voor het maximumaantal bewoners en de minimale woonoppervlakte geldt dat deze aspecten relatief eenvoudig controleerbaar zijn tijdens een fysieke inspectie van de locatie. Daarnaast starten we met een pilot voor het verplicht bijhouden van een nachtregister. De eis dat bewoners daadwerkelijk werkzaam zijn voor het betreffende agrarische bedrijf kan worden gecontroleerd aan de hand van de administratie van de vergunninghouder. Hierbij kan onder meer worden gevraagd naar arbeidsovereenkomsten, uitzendovereenkomsten, loonadministratie of andere documenten waaruit de arbeidsrelatie met het betreffende bedrijf blijkt. Indien daar aanleiding toe bestaat, kan nader onderzoek plaatsvinden.
Hoewel controle op de arbeidsrelatie meer inspanning vraagt dan een fysieke controle op bewoningsaantallen of oppervlakte, wordt vooralsnog niet verwacht dat dit leidt tot een onevenredige extra belasting van de handhavingsorganisatie. Ook onder het ‘parapluplan huisvesting arbeidsmigranten’ zijn voorwaarden opgenomen waar de huisvesting aan moet voldoen. Het controleren van die voorwaarden ligt ook al bij Toezicht & Handhaving. De opgave is daarmee niet veranderd.
Vraag 3 _Volgens artikel 2.6 wordt een bedrijfswoning expliciet begrepen onder de bedrijfsgebouwen. Artikel 4 sluit_ _vervolgens wel plattelandswoningen, kampeermiddelen en stacaravans uit, maar geen bedrijfswoningen. Is het_ _daarmee bewust mogelijk om een agrarische bedrijfswoning op grond van deze regeling voor kamerverhuur aan_ _maximaal twintig werknemers te gebruiken? En zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt van deze_ _regeling?_
Beantwoording vraag 3 Een bedrijfswoning mag worden gebruikt voor de huisvesting van werknemers. Echter, geldt daarbij wel het minimale gebruiksoppervlak uit artikel 4, tweede lid, onder h van de planregels. De bedrijfswoning zal dus groot genoeg moeten zijn om 20 werknemers te kunnen huisvesten. Dit zal in de meeste gevallen niet het geval zijn. De regeling voorziet in het mogelijk maken van kamerverhuur voor werknemers van agrarische bedrijven. Of dit plaatsvindt in de bedrijfswoning of een ander bedrijfsgebouw, is daarbij niet van belang.
Vraag 4 _In het raadsvoorstel staat expliciet dat het plan zich richt op huisvesting in bestaande gebouwen en dat het TAM-_ _plan geen bouwregels bevat. In artikel 4 van de planregels staat echter alleen dat de huisvesting in_ _“bedrijfsgebouwen” moet plaatsvinden. Waar is juridisch geborgd dat niet eerst een nieuw agrarisch_ _bedrijfsgebouw kan worden gebouwd om dit vervolgens voor kamerverhuur te gebruiken?_
Beantwoording vraag 4 Het TAM-omgevingsplan bevat geen regels om nieuwe bebouwing mogelijk te maken maar dat wil niet zeggen dat nieuwbouw niet mogelijk is. De regels uit het onderliggende bestemmingsplan (veelal het bestemmingsplan buitengebied als onderdeel van het tijdelijk deel omgevingsplan Horst aan de Maas) zijn hiervoor van toepassing. Het kan dus zijn dat voor een initiatief nieuwbouw mogelijk is. Als dat op grond van de geldende bouwregels in het omgevingsplan is toegestaan kan een omgevingsvergunning voor bouwen worden verleend en op basis van het TAM-omgevingsplan de omgevingsvergunning voor de tijdelijke huisvesting.
Vraag 5 _In de planregels staat dat de kamerverhuur uitsluitend bestemd is voor “werknemers van het op dat perceel_ _gevestigde agrarisch bedrijf”. Vallen hieronder ook mensen die formeel in dienst zijn van een uitzendbureau, maar_ _feitelijk bij het betreffende agrarische bedrijf werken? Zo ja, waar is dat juridisch voldoende geborgd?_
Beantwoording vraag 5 _Het moet gaan om personen die feitelijk werkzaam zijn voor het bedrijf dat ter plaatse gevestigd is. Kortom:_ _personen die voor dat bedrijf werkzaamheden verrichten. Welke arbeidsrechtelijke constructie daar onder ligt_ _en/of zij ingehuurd worden is ruimtelijk niet relevant._
Vraag 6 _De woning is rechtstreeks gekoppeld aan het werken voor het betreffende agrarische bedrijf. Hoe kijkt het college_ _naar de afhankelijkheidsrelatie die daarmee ontstaat tussen werknemer en werkgever, waarbij verlies van werk_ _mogelijk tegelijkertijd verlies van huisvesting betekent? En hoe wordt in de praktijk omgegaan met een werknemer_ _van wie het dienstverband eindigt: geldt bijvoorbeeld een redelijke overgangstermijn om andere huisvesting te_ _vinden?_
Beantwoording vraag 6 Het college onderkent dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen wonen en werken. Deze koppeling is echter bewust gelegd, omdat daarmee ook een duidelijke verantwoordelijkheid bij de ondernemer wordt neergelegd. De ondernemer is verantwoordelijk voor goed werkgeverschap en kwalitatief goede huisvesting voor zijn werknemers.
Vanuit de ABU- en NBBU-cao is voor arbeidsmigranten een overbruggingstermijn van vier weken geregeld, zodat sprake is van een zorgvuldige overgang naar andere huisvesting. Een arbeidsmigrant hoeft niet direct de woonruimte te verlaten als het dienstverband eindigt. Naleving daarvan ligt primair bij de verhuurder. Toezicht op de naleving gebeurt vanuit de uitzendorganisatie. De gemeente heeft handhavingsmogelijkheden op basis van de Wet goed verhuurderschap. Meldingen op grond van de Wet goed verhuurderschap lopen via de website van de gemeente. Daarnaast heeft ook de arbeidsinspectie handhavingsmogelijkheden.
Vraag 7 _Maakt het college binnen deze regeling onderscheid tussen shortstay en longstay van individuele bewoners? Zo_ _nee, waarom niet? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat een werknemer gedurende vele jaren op basis van deze regeling_ _in een bedrijfsgebouw woont, zolang hij of zij bij het betreffende bedrijf werkzaam blijft?._
Beantwoording vraag 7 Het huisvesten van werknemers die zich permanent in Horst aan de Maas willen vestigen, is niet mogelijk binnen de voorliggende planregeling. Zij zijn aangewezen op de reguliere woningvoorraad. Het is echter niet op voorhand vast te stellen of een werknemer zich permanent in onze gemeente wil vestigen. Deze wens kan ook tijdens een tijdelijk verblijf ontstaan. Dit proces is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de mate van sociale binding met de gemeente en externe ontwikkelingen, bijvoorbeeld de economische situatie in het land van herkomst.
Onderscheid tussen shortstay en stay Het college maakt onderscheid tussen ‘short stay’ en ‘stay’ en kiest ervoor om de Wet Basisregistratie Personen (BRP) hierin leidend te laten zijn. Op grond van deze wet is sprake van een hoofdverblijf als iemand gedurende een periode van zes maanden ten minste vier maanden op dezelfde plaats verblijft, of als diegene de intentie heeft daar gedurende die periode te verblijven. Op dat moment ontstaat de wettelijke verplichting om zich in te schrijven in de BRP.
Met de inschrijving in de BRP verandert de positie van de werknemer. De werknemer verblijft dan niet langer uitsluitend tijdelijk in Nederland om hier te werken (‘shortstay’), maar registreert zich als inwoner van Nederland. Vanaf dat moment spreken wij over ‘stay’. Van personen die zich als inwoner van Horst aan de Maas vestigen, verwachten wij ook een actievere rol in de lokale samenleving. Daarnaast informeren wij hen over de mogelijkheden om zich in te schrijven voor een sociale huurwoning.
Doorstroom naar de reguliere woningvoorraad Met goede informatievoorziening willen wij bevorderen dat werknemers die zich permanent in Horst aan de Maas willen vestigen, zich tijdig inschrijven voor een (sociale) huurwoning en uiteindelijk kunnen doorstromen naar de reguliere woningvoorraad.
Daarbij hebben wij geen maximale verblijfsduur gekoppeld aan het verblijf in een huisvestingsvoorziening. Op dit moment zijn er onvoldoende alternatieve huisvestingsmogelijkheden om werknemers na een bepaalde periode naar een andere woonvorm te laten doorstromen. Wij vinden het bovendien niet bijdragen aan goede woon- en leefomstandigheden als een werknemer iedere paar maanden naar een andere huisvestingsvoorziening moet verhuizen. Dit geldt temeer omdat de huisvesting binnen de planregeling is gekoppeld aan het bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt.
Het is daarom binnen de voorgestelde planregeling mogelijk dat een werknemer meerdere achtereenvolgende jaren op een huisvestingslocatie verblijft, zolang hij of zij bij het betreffende bedrijf werkzaam is.
Vraag 8 _Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan niet langer specifiek gericht op arbeidsmigranten, maar op_ _kamerverhuur aan werknemers van het agrarische bedrijf. Welke praktische gevolgen verwacht het college_ _hiervan? Verwacht het college hierdoor dat de regeling ook vaker wordt gebruikt voor werknemers die geen_ _arbeidsmigrant zijn, en kan dit leiden tot meer bewoning van agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied?_
Beantwoording vraag 8 Het is vanuit EU-wetgeving (in dit geval de Dienstenrichtlijn) niet toegestaan een onderscheid te maken tussen kamerverhuur aan bijvoorbeeld een in de agrarische sector werkzame burger van een andere EUlidstaat en kamerverhuur aan een in dezelfde sector werkzame Nederlander uit een ander deel van het land. De voorliggende planregeling richt zich dus op het stellen van regels over de huisvestingsvorm (tijdelijk wonen bij agrarische bedrijven) en niet meer op de persoon of doelgroep (arbeidsmigrant of expat) die daar gebruik van maakt. De inhoud van de beoordelingskaders is gelijk gebleven. De noodzaak voor huisvesting moet bijvoorbeeld nog steeds onderbouwd worden vanuit de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf. De voorgestelde planregeling zal dus niet leiden tot meer bewoning van agrarische gebouwen in het buitengebied ten opzichte van het TAM-omgevingsplan dat ter inzage heeft gelegen.
Vraag 9 _Is het college voornemens in 2026 een voorstel tot wijziging van de APV aan de gemeenteraad voor te leggen_ _waarin het Meedoenplan expliciet aan de exploitatievergunning wordt gekoppeld? Zo ja, wanneer wordt dit_ _voorstel aan de raad aangeboden?_
Beantwoording vraag 9 Ja, het college is voornemens om regels uit de APV die zien op de vergunningplicht omtrent de exploitatie en het toezicht op de huisvesting van arbeidsmigranten dit jaar te herzien. De herziening van deze afdeling wordt meegenomen in de algemene APV-herziening die door het college aan de raad wordt aangeboden tijdens de raadsvergadering van december 2026. Net als in het TAM-omgevingsplan Woningdelen en het voorliggende TAM-omgevingsplan is het de bedoeling om van de term 'arbeidsmigrant' af te stappen en te spreken van een vergunningplicht bij kamerverhuur aan vier om meer personen. Met deze herziening wordt beoogd het bestaande exploitatievergunningstelsel juridisch te actualiseren en beter te laten aansluiten op de Omgevingswet, de geldende en in ontwikkeling zijnde TAM-omgevingsplannen en recente jurisprudentie.
Vraag 10 _Op welke juridische grondslag wordt op dit moment van een aanvrager van een exploitatievergunning voor_ _huisvesting van arbeidsmigranten verlangd dat een Meedoenplan wordt ingediend en uitgevoerd, nu deze_ _verplichting niet is opgenomen in artikel 2:65 van de huidige APV?_
Beantwoording vraag 10 Het Meedoenplan is opgenomen als verplichte bijlage in het aanvraagformulier voor de exploitatievergunning maar is niet expliciet opgenomen als indieningsvereiste in artikel 2:65 lid 2 APV. In lid 3 van artikel 2:65 APV is wel opgenomen dat indien het college dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag hij kan verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd. Dat is nu de grondslag voor het opvragen van een Meedoen-plan bij de exploitatievergunning. Doelstelling bij de APV-herziening is om het Meedoen-plan als expliciet indieningsvereiste op te nemen in artikel 2:65 lid 2 APV in het geval van huisvesting van arbeidsmigranten.
Vraag 10a: Artikel 2:65 lid 3 APV biedt het college de mogelijkheid aanvullende gegevens te verlangen die nodig zijn voor de beoordeling van een aanvraag. Op welke juridische grondslag kunnen op basis van deze bepaling niet alleen gegevens worden opgevraagd, maar ook inhoudelijke verplichtingen uit het Meedoenplan aan een vergunninghouder worden opgelegd en op de uitvoering daarvan worden gehandhaafd?
Beantwoording vraag 10a De uitkomsten uit het Meedoenplan kunnen als voorwaarde bij de exploitatievergunning worden opgenomen. Het Meedoenplan is een instrument dat juist bij de eerste gesprekken over en de beoordeling van het initiatief op wenselijkheid (ruimtelijk en exploitatie) kan worden meegenomen. In deze gesprekken worden afspraken gemaakt over de uitvoering van de punten uit het Meedoenplan, die vervolgens als voorwaarde aan de vergunning worden verbonden. Handhaving kan op basis van het niet naleven van de voorwaarden uit de omgevingsvergunning, maar ook de exploitatievergunning.
Vraag 11 _In het raadsvoorstel staat dat vóór de besluitvorming nog een raadsinformatieavond wordt georganiseerd over dit_ _TAM-omgevingsplan in samenhang met het TAM-omgevingsplan Woningdelen Horst aan de Maas 2026._ _Wanneer vindt deze raadsinformatieavond plaats?_
Beantwoording vraag 11 Richting de besluitvorming over voorliggend TAM-omgevingsplan heeft op 16 juni 2026 een raadsinformatieavond plaatsgevonden. Daarbij is de raad meegenomen in het proces richting besluitvorming, is het verschil tussen de bouwsteen, het TAM-omgevingsplan en de beleidsregel toegelicht en is het onderscheid tussen een OPA en BOPA uitgelegd. Daarnaast heeft het college voorgesteld om een tweede raadsinformatieavond te organiseren om de samenhang tussen het voorliggende TAMomgevingsplan en het TAM-omgevingsplan ‘Woningdelen Horst aan de Maas 2026’ aan de raad toe te lichten. Vanwege de vele raadsavonden die vlak voor het zomerreces reeds gepland stonden is in overleg met de griffie hiervan afgezien. Dit besluit is echter genomen na de besluitvorming over het voorstel in het college. Om die reden heeft de raadsinformatieavond niet plaatsgevonden. Het spijt het college dat dit nog wél in de stukken stond vermeld.
Vraag 12 _Wat zijn de juridische en praktische gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan indien het lopende_ _overleg met de provincie niet tot overeenstemming leidt? Kan het plan in dat geval ongewijzigd worden_ _vastgesteld en uitgevoerd, of zijn daarvoor aanpassingen of aanvullende procedures noodzakelijk?_
Beantwoording vraag 12 De gemeenteraad kan het TAM-omgevingsplan vaststellen terwijl het overleg met de provincie nog niet is afgerond. Wanneer het plan niet in overeenstemming is met de regels van de provinciale verordening kan de provincie besluiten een beroep in te stellen tegen het besluit bij de Raad van State. Hiervoor wordt verder verwezen naar de beantwoording van vraag 1.
Er heeft afstemming met de provincie plaatsgevonden in de voorbereiding van het TAM-omgevingsplan. De provincie heeft echter meer tijd nodig om haar beleidslijnen te bepalen voor de tijdelijke huisvesting van werknemers. Het besluit over het TAM-omgevingsplan kan daar echter niet op wachten gezien het vervallen van de voorbeschermingsregels op 22 oktober 2026. Als voor die datum nog geen bekendmaking heeft plaatsgevonden van een besluit van de gemeenteraad dat in de plaats komt van deze voorbeschermingsregels,, wordt het Parapluplan Internationale Werknemers Horst aan de Maas 2021 weer van toepassing en zullen alle initiatieven moeten worden afgehandeld onder die regels. Ook die regels zijn niet in overeenstemming met de wensen van de provincie.
Vraag 13 _In het raadsvoorstel staat dat het college eerder de bouwsteen ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische_ _Bedrijven 2026’ en de beleidsregel ‘Huisvesting arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven 2026’ heeft vastgesteld._ _Wanneer en door welk bestuursorgaan zijn de bouwsteen en de beleidsregel vastgesteld? Op welke wijze en op_ _welk moment is de gemeenteraad betrokken bij of geïnformeerd over de totstandkoming en vaststelling hiervan?_
Beantwoording vraag 13 Om toe te werken naar nieuw beleid en regels is allereest een uitgangspuntennotitie opgesteld. Diverse sessies met interne medewerkers, de gemeenteraad en belangrijke stakeholders zoals huisvesters, werkgevers, maatschappelijke organisaties, belangenvertegenwoordigers, VNG en Provincie Limburg hebben waardevolle input opgeleverd. Deze input heeft richting gegeven aan het nieuwe beleid. De
uitgangspunten zijn vastgesteld in de Uitgangspuntennotitie Arbeidsmigratie: Toekomst in Balans, die op 3 juni 2025 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidsregel en de bouwsteen zijn op 9 december 2025 door het college vastgesteld. De raad is middels een RIB van 16 december 2025 geïnformeerd over de beleidsregel en de bouwsteen. Het college is bevoegd gezag voor het vaststellen van de beleidslijnen.
Vraag 14 _Is voorafgaand aan dit voorstel een analyse gemaakt van de huidige en toekomstige huisvestingsbehoefte van_ _agrarische bedrijven in Horst aan de Maas? Zo ja, kan deze analyse inclusief gehanteerde uitgangspunten aan de_ _raad worden verstrekt? Zo nee, waarop is beoordeeld dat de gekozen aantallen voldoende aansluiten bij de_ _economische en personele behoefte van de agrarische sector?_
Beantwoording vraag 14 Bij het opstellen van voorliggende planregeling is niet op perceelniveau gekeken naar de huidige en toekomstige huisvestingsbehoefte van het agrarische bedrijf. Deze planregeling is een juridische vertaling van het vastgestelde beleid en sluit daar naadloos op aan. Bij de totstandkoming van de uitgangspuntennotie, de bouwsteen en deze planregeling is meermaals met agrariërs en belangengroeperingen gesproken. Uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat de planregeling aansluit bij de behoefte van lokale agrarische ondernemers.
Vraag 14a: In de beantwoording wordt aangegeven dat uit gesprekken met agrariërs en belangengroeperingen naar voren is gekomen dat de planregeling aansluit bij de behoefte van lokale agrarische ondernemers. Kan worden aangegeven welke concrete input vanuit agrariërs en belangengroeperingen is ontvangen over de maximaal toegestane aantallen werknemers en de gekozen grens van 20 personen?
Beantwoording vraag 14a: Er heeft afstemming plaatsgevonden met LLTB en enkele grote agrarische huisvesters over de keuze om voor wat betreft het aantal van 20 personen aan te sluiten bij kleinschalige verblijfsrecreatie in het buitengebied (5 appartementen x 4 bewoners per appartement = 20 personen). De grotere huisvesters hebben geen belang bij de grens omdat hun behoefte daar ver boven zit met het aantal bedden voor tijdelijke werknemers. De LLTB heeft aangegeven de ondergrens vanuit de agrariërs niet vanzelfsprekend te vinden. Desondanks is vastgehouden aan dit aantal vanwege de verplichting om aan te tonen van sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Dit is hét beoordelingscriterium onder de Omgevingswet. Bij een hoger aantal personen, kan niet op voorhand worden onderbouwd dat de effecten van de tijdelijke huisvesting zorgvuldig zijn afgewogen. De behoefte aan een grens komt voort uit de regelsystematiek van het Omgevingsplan waarbij voor binnenplanse vergunningplichten geen volledige ruimtelijke afweging hoeft plaats te vinden. Voor buitenplanse vergunningplichten is dat anders, dan is altijd een nieuwe beoordeling van etfal noodzakelijk.
Vraag 15 _Hoeveel van de bestaande vergunde locaties zouden, wanneer zij nu als nieuwe aanvraag zouden worden_ _ingediend, niet binnen de grens van 20 personen vallen?_
Beantwoording vraag 15 Van de bestaande vergunde locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten ten behoeve van agrarische bedrijven zouden 26 locaties van de in totaal 4200 vergunde bedden niet voldoen aan de grens van maximaal 20 personen indien deze norm op dit moment zou worden toegepast op een nieuwe aanvraag.
Vraag 15a: Kan men verduidelijken hoeveel bestaande vergunde huisvestingslocaties bij agrarische bedrijven er in totaal zijn, hoeveel daarvan een vergunde capaciteit van meer dan 20 personen hebben, en hoeveel vergunde bedden gezamenlijk op deze locaties aanwezig zijn? Kan daarbij tevens worden aangegeven hoe deze 26 locaties zijn verdeeld naar vergunde capaciteit, bijvoorbeeld 21–30, 31–50, 51–75 en 76–99 of meer personen?
Beantwoording vraag 15a: Het is op dit moment niet mogelijk deze vraag volledig te beantwoorden. De benodigde gegevens zijn niet rechtstreeks uit het Dashboard Arbeidsmigranten te herleiden. In dit dashboard zijn de verleende vergunningen voor huisvesting van arbeidsmigranten geregistreerd, maar daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen huisvestingslocaties bij agrarische bedrijven en andere vormen van huisvesting, zoals woningen binnen de kernen. Daarnaast bestaat binnen de geregistreerde locaties een onderscheid tussen tijdelijke en permanente vergunningen, waaronder ook locaties bij agrarische bedrijven.
Vraag 16 _Onder het huidige parapluplan geldt volgens het raadsvoorstel geen maximaal aantal te huisvesten werknemers,_ _maar wordt kwalitatief getoetst of de huisvesting aansluit bij de behoefte van het bedrijf. Hoeveel personen_ _kunnen op basis van de momenteel verleende vergunningen bij agrarische bedrijven in Horst aan de Maas worden_ _gehuisvest?_
Beantwoording vraag 16 De aanpassing van het beleid ten aanzien van de tijdelijke huisvesting van werknemers is mede ingegeven door de behoefte om meer te kunnen sturen op de huisvestingslocaties en meer grip te houden op nieuwe locaties met name ten aanzien van de effecten op de woon- en leefomgeving voor de omwonenden en de bewoners van de huisvestingslocaties. Een binnenplanse vergunningplicht geeft geen ruimte voor bestuurlijke afweging. Als voldaan wordt aan de gestelde eisen, moet de vergunning worden verleend. Er is daarom in het beleid gekozen om de locaties voor 21-99 werknemers buitenplans mogelijk te maken. Daarvoor is een volledige afweging nodig op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties én is er bestuurlijke afwegingsruimte. Het klopt dat dit anders is dan bij het Parapluplan Internationale Werknemers Horst aan de Maas 2021. Dat is een bewuste aanpassing van het beleid geweest dat met dit TAMomgevingsplan juridisch is vertaald.
Vraag 16a: In de beantwoording van vraag 16 wordt ingegaan op de beleidsmatige keuze voor de nieuwe systematiek, maar wordt het gevraagde aantal niet genoemd. Kan hier alsnog aangeven worden hoeveel personen op basis van de momenteel verleende vergunningen in totaal bij agrarische bedrijven in Horst aan de Maas kunnen worden gehuisvest?
Beantwoording vraag 16a: Zie beantwoording vraag 15a.
Vraag 17 _Hoe verhoudt het uitgangspunt dat kwalitatief goede huisvesting moet worden gestimuleerd zich tot de_ _investeringszekerheid die ontstaat door de combinatie van een maximumaantal bewoners en een maximale_ _vergunningduur van 15 jaar?_
Beantwoording vraag 17 Het voorliggende TAM-omgevingsplan formuleert de voorwaarden waaronder het college een omgevingsvergunning verleent voor de huisvesting van werknemers. Het beoordelingskader biedt duidelijkheid voor ondernemers en is gericht op kwaliteit van de huisvestingslocatie, zowel voor werknemers als voor omwonenden. Het is aan een ondernemer om een bij het agrarische bedrijf passende invulling te geven binnen de gestelde voorwaarden.
Vraag 17a: In de beantwoording wordt niet ingegaan op de gevraagde investeringszekerheid. Kan het men alsnog toelichten hoe de combinatie van het maximumaantal te huisvesten werknemers en een maximale vergunningduur van 15 jaar zich verhoudt tot de financiële haalbaarheid en investeringszekerheid van kwalitatief hoogwaardige huisvesting?
Beantwoording vraag 17a: Het is niet mogelijk hier volledig inzicht in te geven. De omvang van de investering is afhankelijk van de staat van het gebouw waar de huisvestingsvoorziening in wordt ondergebracht, het aantal huisvestingsplaatsen en de kwaliteit die geleverd wordt. De gemeente stelt, in aanvulling op de wettelijke kaders van het Rijk, kwaliteitseisen aan de huisvestingsplaatsen. Hoe daar invulling aan wordt gegeven is per initiatief verschillend. Dat geldt ook voor de bouw van reguliere woningen. De gemeente kan alleen beoordelen of aan de regels zal worden voldaan. Het is aan de initiatiefnemer zelf welke kosten daarvoor worden ingezet en in hoeverre dat bedrijfseconomisch ook verantwoord is.
Vraag 18 _Is onderzocht of het beperken van de mogelijkheden in combinatie met de vergunningduur van maximaal 15 jaar_ _ertoe kan leiden dat ondernemers juist minder investeren in hoogwaardige huisvesting?_
Beantwoording vraag 18 Het TAM-omgevingsplan stelt duidelijke eisen aan de kwaliteit van huisvesting waar alle aanvragen voor de huisvesting van maximaal 20 werknemers aan moeten voldoen. Het beoordelingskader leidt er dus niet toe dat ondernemers minder kunnen investeren in hoogwaardige huisvesting.
Vraag 18a: De vraag was of is onderzocht of de combinatie van de beperkingen in de regeling en de maximale vergunningduur van 15 jaar ertoe kan leiden dat ondernemers minder investeren in hoogwaardige huisvesting. Kan het alsnog aangeven worden of dit is onderzocht en, zo ja, welke conclusies uit dit onderzoek zijn getrokken?
Beantwoording vraag 18a: Dit is niet als zodanig onderzocht. Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 17a.
Vraag 19 _Welke mogelijkheden biedt het vast te stellen kader voor een ondernemer die juist wil investeren in nieuwe,_ _specifiek voor werknemers ontworpen huisvesting omdat aanpassing van bestaande bedrijfsbebouwing_ _bouwkundig, kwalitatief of financieel minder wenselijk is?_
Beantwoording vraag 19 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 4.
Vraag 19a: In artikel 5, lid 2, onder c van het voorliggende TAM-omgevingsplan is bepaald dat huisvesting uitsluitend plaatsvindt in bestaande bedrijfsgebouwen. In de beantwoording van vraag 4 wordt aangegeven dat, wanneer de onderliggende bouwregels nieuwbouw toestaan, vervolgens op basis van het TAMomgevingsplan een vergunning voor tijdelijke huisvesting kan worden verleend. Kan men hier toelichten hoe dit zich verhoudt tot de eis dat sprake moet zijn van een bestaand bedrijfsgebouw en bevestigen of een ondernemer binnen de OPA-route daadwerkelijk nieuwbouw specifiek ten behoeve van werknemershuisvesting kan realiseren?
Beantwoording vraag 19a: Het onderhavige TAM-omgevingsplan bevat geen mogelijkheid om nieuw gebouwen te realiseren. Dat zou eventueel wel kunnen op grond van de andere geldende regels uit het omgevingsplan (tijdelijk deel). Zo kan het zijn dat een initiatiefnemer op grond van het bestemmingsplan Buitengebied nog de mogelijkheid heeft een gebouw te realiseren op zijn erf (binnen het bouwvlak). Daarvoor zal een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Vervolgens kan voor de huisvesting een omgevingsvergunning worden aangevraagd op grond van onderhavig TAM-omgevingsplan. In de praktijk betekent dit dat er feitelijk sprake is van een nieuw gebouw.
Vraag 20 _Hoe wordt omgegaan met agrarische bedrijven met meerdere productielocaties waarbij werknemers gedurende_ _het seizoen op verschillende locaties werkzaam zijn?_
Beantwoording vraag 20 Binnen de voorliggende planregeling moet de werknemer werkzaam zijn voor de op het perceel gevestigde bedrijf. Deze arbeidsrelatie blijft ook bestaan als binnen hetzelfde bedrijf op andere locaties werkzaamheden worden verricht. Het is bijvoorbeeld in de vollegrondteelt dus mogelijk op verschillende percelen te werken zolang dit voor het agrarische bedrijf gebeurt waar ook de huisvesting plaatsvindt.
Vraag 21 _Kan een ondernemer kiezen voor een nevenvestiging wanneer deze aantoonbaar geschikter is voor huisvesting_ _dan de hoofdvestiging, ook wanneer huisvesting op de hoofdvestiging technisch gezien wel mogelijk zou zijn?_
Beantwoording vraag 21 Binnen de voorgestelde planregeling is het mogelijk om op maximaal één nevenvestiging huisvesting te realiseren als dat ter plaatse van de hoofdvestiging om ruimtelijke en/of bedrijfseconomische redenen niet mogelijk is. Vanwege keuzes die in de Omgevingswet zijn gemaakt heeft het college geen bestuurlijke afwegingsruimte bij vergunningverlening op grond het voorliggende TAM-omgevingsplan. Als aan de beoordelingsregels wordt voldaan moet een omgevingsvergunning voor kamerverhuur in een bedrijfsgebouw verleend worden. Om die reden is ervoor gekozen om terughoudend om te gaan met de gevallen waarin huisvesting wordt toegestaan op grond van deze planregeling. In afwijking van de beoordelingsregels uit het TAM-omgevingsplan kan altijd een BOPA-procedure gevolgd worden waarbij de dan geldende beleidsregels worden toegepast. Bij een BOPA-procedure heeft het college wel bestuurlijke afwegingsruimte. Het is dan mogelijk om zonder bedrijfseconomische of ruimtelijke redenen de tijdelijke huisvesting van werknemers bij een nevenvestiging toe te staan, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Vraag 22 _Huisvesting op een nevenvestiging is alleen mogelijk wanneer wordt aangetoond dat huisvesting op de_ _hoofdvestiging vanuit ruimtelijke en/of bedrijfseconomische redenen niet mogelijk is. Welke concrete criteria_ _worden gebruikt om te bepalen wanneer huisvesting op de hoofdvestiging ‘niet mogelijk’ is?_
Beantwoording vraag 22 Er zijn geen concrete toetsingscriteria om te bepalen wanneer een activiteit niet op de hoofdvestiging kan plaatsvinden. Het is aan de ondernemer om aannemelijk te maken dat realisatie op de hoofdlocatie redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onvoldoende beschikbare ruimte, bestaande gebouwen die al volledig in gebruik zijn voor de bedrijfsvoering of het ontbreken van reële uitbreidingsmogelijkheden binnen het bestaande bouwvlak. De onderbouwing en motivering van de ondernemer zijn hierin bepalend en ter beoordeling aan het college.
Vraag 23 _Is onderzocht welk aandeel van de tijdelijke werknemers bij agrarische bedrijven in Horst aan de Maas_ _rechtstreeks bij het agrarische bedrijf in dienst is en welk aandeel via uitzend- of andere arbeidsorganisaties_ _werkzaam is?_
Beantwoording vraag 23 Nee, verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 5.
Vraag 24 _Hoe wordt omgegaan met agrarische ondernemingen die onderdeel zijn van een concern of meerdere juridisch_ _afzonderlijke ondernemingen hebben, waarbij werknemers gedurende het seizoen op meerdere bedrijfslocaties of_ _voor meerdere groepsmaatschappijen werkzaam zijn?_
Beantwoording vraag 24 Bij de beoordeling kijken wij naar de feitelijke bedrijfsvoering en niet uitsluitend naar de juridische structuur. Werknemers mogen binnen een concern of samenhangende agrarische onderneming op meerdere locaties of voor meerdere groepsmaatschappijen werkzaam zijn, mits sprake blijft van een aantoonbare binding met de agrarische bedrijfsactiviteiten waarvoor de huisvesting is bedoeld. De initiatiefnemer moet dit kunnen onderbouwen.
Vraag 25 _Kunnen werknemers die via een uitzendorganisatie, payrollconstructie of andere arbeidsbemiddelaar feitelijk bij_ _het agrarische bedrijf werkzaam zijn onder deze definitie worden gehuisvest? Zo ja, op grond van welke bepaling?_ _Zo nee, hoe moeten deze werknemers volgens de regeling worden gehuisvest?_
Beantwoording vraag 25 Ja, verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 5.
Vraag 25a: Er wordt bevestigd dat ook personen die via een uitzendorganisatie, payrollconstructie of andere arbeidsbemiddelaar werkzaam zijn hieronder vallen. Kan aangegeven worden uit welke concrete bepaling van de planregels volgt dat deze personen worden aangemerkt als ‘werknemers van het op dat perceel gevestigde agrarische bedrijf’, ook wanneer zij formeel bij een andere rechtspersoon in dienst zijn?
Beantwoording vraag 25a: Dit is niet in het TAM-omgevingsplan geregeld. Een uitzendkracht is niet fysiek werkzaam bij het uitzendbureau maar wel bij het bedrijf waar het uitzendbureau contractuele afspraken mee maakt om de werknemer te laten werken. Dat laatste is de bedoelde referentie.
Vraag 26 _De planregels bepalen dat de huisvesting uitsluitend bestemd is voor werknemers van het op het betreffende_ _perceel gevestigde agrarische bedrijf. Hoe wordt in de uitvoering bepaald of iemand als werknemer van dat bedrijf_ _wordt beschouwd?_
Beantwoording vraag 26 Bij de vergunningaanvraag moet worden aangetoond dat het aantal huisvestingsplaatsen noodzakelijk is voor de werknemers van het bedrijf. Dat betekent dat aangetoond moet worden dat voor de bedrijfsvoering, gemiddeld genomen, minimaal hetzelfde aantal personen benodigd zijn. Deze beoordeling zal ook door de AAB worden getoetst. Wanneer de huisvesting wordt benut en er vindt controle plaats is het aan de werkgever aan te tonen dat de gehuisveste personen werkzaam zijn op het betreffende bedrijf.
Vraag 27 _Is onderzocht hoe groot bij agrarische bedrijven in Horst aan de Maas gemiddeld het verschil is tussen de_ _seizoensbehoefte en de piekbehoefte? Zo ja, kunnen deze gegevens worden verstrekt?_
Beantwoording vraag 27 Nee, dit is niet onderzocht. De piekbehoefte is een behoefte die doorgaans voor zeer korte tijd benodigd is. Als de huisvestingsvoorzieningen op die piekbehoefte wordt gedimensioneerd is er voor het overgrote deel van het jaar of seizoen een te grote capaciteit die veelal niet benut wordt of niet benut wordt voor het beoogde doel namelijk, de tijdelijke huisvesting van werknemers van het betreffende bedrijf. In het huidige Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021 is het aantal te huisvesten werknemers ook al gekoppeld aan de seizoensbehoefte.
Vraag 28 _Hoe moet een agrarisch bedrijf volgens de regeling omgaan met werknemers die uitsluitend tijdens een_ _piekperiode nodig zijn wanneer de huisvestingscapaciteit is gebaseerd op de gemiddelde seizoensbehoefte?_
Beantwoording vraag 28 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 27.
Vraag 28a: Kan alsnog aangegeven worden op welke wijze een agrarisch bedrijf de werknemers die uitsluitend tijdens de piekperiode nodig zijn, kan huisvesten wanneer de vergunde huisvestingscapaciteit is gebaseerd op de gemiddelde seizoensbehoefte?
Beantwoording vraag 28a: Het bedrijf waar de piekbehoefte van uit gaat, kan niet alle werknemers huisvesten die in de piekperiode benodigd zijn. Voor zover nodig zal de huisvesting op andere locaties (moeten) plaatsvinden.
Vraag 29 _In de planregels wordt de ‘seizoensbehoefte’ gedefinieerd als het gemiddeld aantal werknemers tijdens het_ _seizoen, waarbij de piekbehoefte expliciet buiten beschouwing wordt gelaten. Waarom wordt bij het bepalen van_
_de toegestane huisvestingsbehoefte uitgegaan van de gemiddelde seizoensbehoefte en niet van de feitelijke_ _maximale personeelsbehoefte gedurende het seizoen?_
Beantwoording vraag 29 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 27.
Vraag 30 _De planregels bepalen dat binnen twee maanden na afloop van de vergunning de gronden en/of bouwwerken_ _weer in overeenstemming moeten worden gebracht met het toegestane gebruik. Wat betekent dit concreet voor_ _investeringen die specifiek ten behoeve van huisvesting zijn gedaan, zoals sanitaire voorzieningen, slaapkamers,_ _keukens en gemeenschappelijke ruimtes?_
Beantwoording vraag 30 In veel gevallen zullen deze investeringen gesaneerd moeten worden. Bij het bepalen van de termijn is daarom ook bewust gekeken naar de afschrijvingsperiode voor dergelijke voorzieningen.
Vraag 31 _Kan na afloop van de termijn van 15 jaar opnieuw een vergunning voor dezelfde huisvesting worden_ _aangevraagd? Zo ja, onder welke procedure en voorwaarden? Zo nee, op welke grond is verlenging of hernieuwde_ _vergunningverlening uitgesloten?_
Beantwoording vraag 31 Ja, na afloop van de termijn van 15 jaar kan een nieuwe vergunning voor dezelfde huisvesting worden aangevraagd, maar dit gebeurt niet via verlenging van de bestaande vergunning. Na afloop van de vergunningstermijn moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd, waarbij altijd een volledige nieuwe toetsing plaatsvindt aan de dan geldende voorwaarden.
Vraag 32 _Is bij het bepalen van de termijn van 15 jaar onderzocht welke afschrijvingstermijnen en terugverdientijden gelden_ _voor investeringen in kwalitatief hoogwaardige huisvesting? Zo ja, welke termijnen zijn daarbij gehanteerd en is_ _daarbij ook onderzocht wat het effect zou zijn van een vergunningduur van bijvoorbeeld 20, 25 of 30 jaar op de_ _financiële haalbaarheid en investeringszekerheid?_
Beantwoording vraag 32 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 17.
Vraag 32a: In de beantwoording van vraag 30 wordt aangegeven dat bij het bepalen van de termijn van 15 jaar bewust is gekeken naar de afschrijvingsperiode. Kan daarom alsnog aangeven welke afschrijvings- en/of terugverdientermijnen daarbij zijn gehanteerd, waarop deze zijn gebaseerd en of daarbij ook langere vergunningtermijnen, bijvoorbeeld 20, 25 of 30 jaar, zijn onderzocht of overwogen?
Beantwoording vraag 32a: In feite is de afschrijvingstermijn in het TAM-IMRO omgevingsplan verlengd met 5 jaar omdat de tijdelijkheid is opgerekt van 10 jaar naar 15 jaar. Een specifieke business case is niet gemaakt ook niet voor langere vergunningstermijnen. . Zie verder de beantwoording van vraag 17a.
Vraag 33 _De omgevingsvergunning wordt voor ten hoogste 15 jaar verleend. Op basis van welke ruimtelijke en juridische_ _onderbouwing is specifiek voor een maximale termijn van 15 jaar gekozen? In de Nota van Zienswijzen wordt deze_ _termijn mede gekoppeld aan de beoogde Wet versterking regie volkshuisvesting en aangeduid als_ _overgangsperiode. Welk juridisch en inhoudelijk verband bestaat tussen de doelstellingen en termijnen uit deze_ _wet en de maximale vergunningduur voor huisvesting bij een individueel agrarisch bedrijf?_
Beantwoording vraag 33 Om drie redenen is gekozen voor een termijn van maximaal 15 jaar. Ten eerste geeft deze termijn ondernemers voldoende investeringszekerheid. Ten tweede sluit 15 jaar aan bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin dit de wettelijke maximale instandhoudingstermijn is voor tijdelijke bouwwerken. Tijdelijke bouwwerken moeten volgens het Bbl voldoen aan de regels van bestaande bouw. Bij een langere instandhoudingstermijn dan 15 jaar is volgens het Bbl geen sprake meer van tijdelijke bouwwerken en gelden strengere eisen. Ten derde biedt de termijn de gemeente de mogelijkheid om na afloop een volledig nieuwe maatschappelijke, economische ruimtelijke afweging te maken of de huisvesting nog wenselijk en noodzakelijk is. De koppeling met de Wet versterking regie volkshuisvesting is geen rechtstreekse wettelijke verplichting maar beleidsmatig van aard. Huisvesting bij de werkgever wordt beschouwd als een tijdelijke oplossing in afwachting van de uitbreiding van de reguliere woningvoorraad via het volkshuisvestingsprogramma. Het volkshuisvestingsprogramma is vanaf 1 juli 2027 verplicht voor gemeentes, waarbij arbeidsmigranten als verplichte aandachtsgroep gelden. Binnen die 15 jaar moet er voldoende passende huisvesting worden gerealiseerd, zodat na afloop van de termijn opnieuw kan worden beoordeeld of huisvesting bij het agrarisch bedrijf nog noodzakelijk is.
Vraag 34 _Is onderzocht of binnen het omgevingsplan gewerkt zou kunnen worden met een hogere grens of een getrapte_ _systematiek, waarbij afhankelijk van de omvang of locatie aanvullende voorwaarden gelden zonder dat direct een_ _BOPA noodzakelijk is? Zo ja, welke varianten zijn onderzocht?_
Beantwoording vraag 34 Er is vooral gekeken tot welke schaalgrootte huisvesting kan worden toegestaan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA). Hierbij heeft het college naar analogie van de regeling voor het realiseren van vakantieappartementen (max. 5 appartementen met een gewoonlijke bezetting van 4 personen) in het bestemmingsplan 'Buitengebied' dit planologisch wenselijk geacht. Daarboven hebben wij het om meerdere redenen niet wenselijk geacht om de huisvesting van werknemers met een vergunningplicht in het omgevingsplan toe te staan. De voornaamste twee bespreken we hieronder. Ten eerste is dit gelegen in het feit dat grotere locaties een andere ruimtelijke toetsing behoeven omdat de ruimtelijke impact op zichzelf staand en in relatie tot andere locaties in de nabijheid groter kan zijn. Een dergelijke toetsing is niet te vangen in vooraf gedefinieerde algemene regels maar vraagt maatwerk. Het tweede argument is gelegen in het proces van vergunningverlening. Omdat grotere locaties (vanaf 20 werknemers) een grotere impact kunnen hebben op de ruimtelijke kwaliteit vergt dit een gedegen afweging of in dat geval afgeweken kan worden van het omgevingsplan. Een opa biedt niet de mogelijkheid om deze afweging zorgvuldig te maken tenzij vooraf alle denkbare eisen en voorwaarden kunnen worden vastgelegd als beoordelingsregel bij de vergunningplicht. Juist omdat iedere situatie uniek is, lukt het niet om zodanig regels te stellen die alle (wenselijke en onwenselijke) situaties vooraf te ondervangen. Dat kan met een buitenplanse vergunningplicht wel omdat daarvoor een beoordeling aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op grond van het Bkl moet worden aangetoond specifiek voor de locatie en de omgeving waar het initiatief voorzien is.
Vraag 35 _Bij een BOPA wordt opnieuw getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Welke_ _aanvullende ruimtelijke aspecten worden bij een aanvraag voor bijvoorbeeld 25 personen beoordeeld die niet_ _reeds onderdeel zijn van de beoordelingsregels voor een aanvraag voor 20 personen?_
Beantwoording vraag 35 Bij een BOPA moeten alle aspecten die van invloed zijn op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Aanvullend op de beoordelingscriteria in voorliggend TAM-omgevingsplan wordt binnen de beleidsregel voor een BOPA getoetst of sprake is van ongewenste cumulatie van huisvestingslocaties. Daarnaast geldt vanwege zorgvuldig ruimtegebruik een voorkeursvolgorde om huisvesting éérst in bestaande bedrijfsgebouwen te realiseren en pas als dat niet mogelijk is in nieuw te bouwen modulaire bedrijfsgebouwen. Ook moet een multifunctionele buitenruimte voor recreatieve en sociale activiteiten gerealiseerd worden. Als laatste wordt verplichte participatie voorgeschreven. Aan de andere kant biedt de beleidsregel juist ruimte om op meerdere nevenvestigingen huisvesting te realiseren, mits geen sprake is van ongewenste cumulatie, en is hergebruik van huisvesting in een laag arbeidsintensief teeltseizoen mogelijk.
Vraag 36 _Voor maximaal 20 personen kan gebruik worden gemaakt van een OPA, terwijl vanaf 21 personen een BOPA_ _noodzakelijk is. Wat zijn voor een initiatiefnemer concreet de verschillen in procedure, gemiddelde doorlooptijd,_ _onderzoekslasten, legeskosten en rechtszekerheid tussen beide routes? Kan daarbij tevens een indicatie worden_ _gegeven van de extra kosten en doorlooptijd waarmee een initiatiefnemer rekening moet houden bij een BOPA?_
Beantwoording vraag 36 Het college toetst een aanvraag voor de huisvesting van maximaal 20 werknemers aan de beoordelingscriteria van het voorliggende TAM-omgevingsplan (OPA). De toetsing van dat beoordelingskader aan de instructieregels vanuit het Rijk en provincie en aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ vindt plaats bij de vaststelling van het TAM-omgevingsplan. In die gevallen is geen sprake van een bindend adviesrecht door de gemeenteraad of een verplichte omgevingsdialoog. De leges voor een OPA bedragen €540,-. Het college heeft geen bestuurlijke afwegingsruimte bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan. Daardoor heeft een initiatiefnemer meer rechtszekerheid maar ontbreekt sturingsruimte in specifieke situaties.
Een aanvraag voor de huisvesting van meer dan 20 werknemers past niet binnen het voorgestelde TAMomgevingsplan. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het college toetst een BOPA aan instructieregels vanuit het Rijk en de provincie en aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Bij de ETFAL-beoordeling past het college de beleidsregel toe, waaronder een beoordeling van ongewenste cumulatie. Het college heeft bij een BOPA altijd bestuurlijke afwegingsruimte. Dat leidt tot minder rechtszekerheid voor een initiatiefnemer bij het indienen van een aanvraag dan bij een OPA. Echter omdat het college beleidsregels heeft vastgesteld wordt die verminderde rechtszekerheid toch weer wat groter. Vooraf is op basis van de beleidsregels duidelijk welke voorwaarden er nog gesteld worden. Dat laat onverlet dat daarnaast bestuurlijk de mogelijkheid blijft bestaan een initiatief af te wijzen als het niet wenselijk is of alsnog toe te staan als het niet past binnen het beleid. Dat vereist wel een goede motivering. Bij een BOPA die ziet op de huisvesting van arbeidsmigranten is sprake van een bindend adviesrecht door de raad en een verplichte omgevingsdialoog. De leges voor een BOPA bedragen €4.227,-.
Voor een OPA en BOPA geldt dezelfde reguliere procedure. De beslistermijn is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlening met 6 weken. Daarna is bezwaar en beroep mogelijk. De doorlooptijd van een aanvraag is mede afhankelijk van de kwaliteit van de aanvraag die wordt ingediend. Als stukken voor de beoordeling ontbreken wordt de beslistermijn opgeschort.
Vraag 37 _In de uitgangspuntennotie is vastgelegd dat per huisvestingslocatie een maximum geldt van 99 werknemers. Op_ _basis van welke onderzoeken, praktijkgegevens, ruimtelijke analyses of andere objectieve criteria is specifiek voor_ _de bovengrens van 99 personen gekozen?_
Beantwoording vraag 37 De Uitgangspuntennotitie Arbeidsmigratie: Toekomst in Balans is door de gemeenteraad vastgesteld. Vervolgens zijn deze uitgangspunten verwerkt tot de bouwsteen en de beleidsregel die door het college zijn vastgesteld. Het voorliggende TAM-omgevingsplan staat uitsluitend de huisvesting van 20 werknemers toe. Voor de huisvesting van meer dan 20 werknemers wordt een BOPA-procedure gevolgd.
Vraag 38 _Welke inhoudelijke of ruimtelijke verandering treedt volgens de onderliggende onderzoeken op tussen een locatie_ _van 99 personen en bijvoorbeeld 100, 110 of 120 personen?_
Beantwoording vraag 38 Het voorliggende TAM-omgevingsplan staat uitsluitend de huisvesting van 20 werknemers toe. Voor de huisvesting van meer dan 20 werknemers wordt een BOPA-procedure gevolgd. In de vastgestelde Bouwsteen en beleidsregel is door het college reeds invulling gegeven aan deze keuzes.
Vraag 38a: Uit de beantwoording van vragen 37 en 38 wordt niet duidelijk welke inhoudelijke onderbouwing aan de maximale grens van 99 personen ten grondslag ligt. Kan alsnog aangegeven worden op basis van welke ruimtelijke of andere objectieve criteria voor maximaal 99 personen is gekozen en of er concrete ruimtelijke of beleidsmatige verschillen zijn tussen huisvesting van 99 personen en bijvoorbeeld 100, 110 of 120 personen?
Beantwoording vraag 38a: Dat klopt. Deze aantallen zijn voor het TAM-omgevingsplan niet van belang. Het TAM-omgevingsplan laat alleen huisvesting van maximaal 20 personen toe. Voor initiatieven voor meer personen is altijd een BOPA benodigd. Op grond van de aanvraag kan worden beoordeeld of het aantal personen (ongeacht of dat er 99 of meer dan 99 zijn). De beleidsregels zijn echter opgesteld voor maximale voorzieningen tot 99 personen. Door het college kan daarvan afgeweken worden mits onderbouwd en met een positief advies van de gemeenteraad
Vraag 39 _In de Nota van Zienswijzen wordt de grens van 20 onderbouwd door een vergelijking met kleinschalige_ _verblijfrecreatie, waarbij wordt uitgegaan van 5 recreatiewoningen met doorgaans 4 personen per woning. Op_ _basis waarvan wordt aangenomen dat de ruimtelijke effecten van werknemershuisvesting bij een agrarisch bedrijf_ _vergelijkbaar zijn met kleinschalige verblijfsrecreatie? En is onderzocht of er wat betreft verkeer, parkeren en_ _woon- en leefklimaat daadwerkelijk een relevant verschil ontstaat bij 20, 30, 40 of 50 personen?_
Beantwoording vraag 39 Nee, dat verschil is niet onderzocht omdat het college de keuze heeft gemaakt om aan te sluiten bij de regeling voor kleinschalige verblijfsrecreatie uit het bestemmingsplan. Het college vindt de generieke regeling voor maximaal 20 werknemers onder de gestelde voorwaarden toelaatbaar.
Vraag 40 _Bij een vergunningsaanvraag moet een AAB-advies worden overlegd waaruit de daadwerkelijke (seizoens-_ _)behoefte aan werknemers blijkt. Wat is de functie van deze bedrijfsspecifieke behoeftebepaling wanneer het_ _AAB-advies uitwijst dat bijvoorbeeld 40 werknemers nodig zijn, maar de binnenplanse regeling ongeacht die_ _aangetoonde behoefte maximaal 20 personen toestaat?_
Beantwoording vraag 40 Op grond van het TAM-omgevingsplan is daarmee ook de behoefte voor 20 werknemers aangetoond. Als het agrarische bedrijf huisvesting voor 40 werknemers wenst te realiseren moet een BOPA-procedure gevolgd worden.
Vraag 41 _In de planregels is bepaald dat via een binnenplanse omgevingsplanactiviteit maximaal 20 personen mogen_ _worden gehuisvest. Op basis van welke onderzoeken, praktijkgegevens of ruimtelijke analyse is specifiek voor de_ _grens van 20 personen gekozen? Is daarbij onderzocht wat de feitelijke personeels- en huisvestingsbehoefte is van_ _agrarische bedrijven in Horst aan de Maas?_
Beantwoording vraag 41 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 39.
Vraag 42 _We zien nu bij enkele huisvestingslocaties overlast door een gebrek aan beheer en toezicht, voornamelijk in de_ _avond. Beheer en toezicht wordt nu vaak overgelaten aan bewoners zelf, die geen autoriteit hebben en de_ _Nederlandse taal niet machtig zijn om meldingen af te handelen. Hoe gaat de gemeente strenger handhaven dat_ _dit op alle locaties goed geregeld is, met de beperkte capaciteit? Wat betekent ‘ high trust, high penalty’ hier in?_
Beantwoording vraag 42 Uitsluitend belangen die vallen binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kunnen bij de vaststelling van het TAM-omgevingsplan worden betrokken. Beheer en toezicht vallen buiten deze norm. Daarmee is het voorliggend TAM-omgevingsplan geen instrument om toezicht en beheer te borgen. De huisvestingslocaties die met deze planregeling mogelijk worden gemaakt bevinden zich veelal op agrarische percelen waar ook de eigenaar woont. Op die wijze is dus sprake van adequaat beheer en een duidelijk aanspreekpunt voor de omgeving.
Vraag 43 _Per locatie worden max 20 personen gehuisvest. Hoe wordt voorkomen dat meerdere bedrijven met elk 20_ _personen dicht bij elkaar feitelijk een grootschalige huisvestingslocatie gaan vormen? Zijn hier regels of afspraken_ _over?_
Beantwoording vraag 43 Tijdelijke huisvesting van werknemers kan, op basis van het voorliggende TAM-omgevingsplan niet direct maar uitsluitend met een omgevingsvergunning. Om een vergunning te verkrijgen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Een van de voorwaarden is dat de werknemers op het betreffende bedrijf werkzaam/nodig zijn. Daarnaast moet de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat worden aangetoond. Als op aangrenzende percelen voorzieningen worden gerealiseerd voor tijdelijke huisvesting, waardoor een grootschalige huisvestingslocatie zou kunnen ontstaan heeft dat gevolgen voor de woon- en leefsituatie. Als de aanvaardbaarheid niet aangetoond kan worden, zal de vergunning niet worden verleend.
Vraag 44 _Het college werkt steeds verder toe naar wonen bij werk. Dit zorgt hoe dan ook voor afhankelijkheid vanuit de_ _bewoner en vraagt dus om aanvullende maatregelen. Horst aan de Maas kampt met daklozen door de krapte aan_ _huisvesting. Hoe wordt sterker vastgelegd dat bij ontslag de inwonende niet meteen, of binnen een krappe periode_ _als een maand, op straat komt te staan?_
Beantwoording vraag 44 Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 6.
Vraag 45 _In het bestuursakkoord is afgesproken dat het college gaat sturen op een economie minder afhankelijkheid van_ _arbeidsmigranten en het faciliteren van ondernemers die daar aan meehelpen. Hoe past dit voorstel in die_ _afspraak? Welke voorwaarden worden gesteld aan ondernemers om minder afhankelijkheid te realiseren in ruil_ _voor tijdelijke huisvesting bij het bedrijf?_
Beantwoording vraag 45 Voorliggend TAM-omgevingsplan stelt algemene regels om huisvesting van maximaal 20 werknemers bij bestaande agrarische bedrijven mogelijk te maken. Het beoordelingskader is daarbij gericht op de kwaliteit van een huisvestingslocaties. In de voorliggende planregeling worden geen economische keuzes gemaakt.
Vraag 46 _Is het college van mening dat projecten realiseren en aansluiting op het net van meer arbeidsmigranten projecten_ _net zo belangrijk is als lokale woningbouwprojecten? Keuzes hierin hebben namelijk een vertragende werking op_ _netaansluiting aanvragen van nieuwe lokale woningbouwprojecten._
Beantwoording vraag 46 Het voorliggende TAM-omgevingsplan staat uitsluitend de huisvesting van 20 werknemers toe. Het college gaat er – op basis van ervaring met eerdere huisvestingslocaties – vanuit dat huisvesting op grond van dit TAM-omgevingsplan achter de bestaande bedrijfsaansluiting wordt gerealiseerd.
Vraag 47 _Waarom is er gekozen om niet met de STOP/TPOD methode te werken?_
Beantwoording vraag 47 Juridisch en inhoudelijk is er geen verschil als dit besluit met de STOP/TPOD techniek zou zijn opgesteld. Het is slechts de wijze waarop het ruimtelijk besluit raadpleegbaar is op de landelijke voorziening. Het wijzigen van het omgevingsplan met STOP/TPOD is nog betrekkelijk nieuw. Toen het besluit werd voorbereid als ontwerp was het technisch nog niet mogelijk om een wijziging met STOP/TPOD op te stellen. Inmiddels kan het wel, alleen was al een procedure met de IMRO techniek gestart. Het heeft de voorkeur de procedure af te ronden met toepassing van de techniek waar het in gestart is.