Horst aan de Maas, 15 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Betoog raadsavond VVD – TAM Tijdelijk Wonen bij Agrarische Bedrijven + beantwoording vragen
_Onderin het document zijn de gestelde vragen voorzien van een beantwoording. Voor_ _vragen die gelijkluidend zijn aan de aanvullingen op de raadsvragen die voorafgaand aan de_ _raadsavond zijn ingediend wordt verwezen naar het document Raadsvragen en aanvullende_ _vragen VVD + beantwoording._
Betoog
Voorzitter,
Laat ik beginnen met te zeggen dat onze fractie positief staat tegenover het doel van dit voorstel. Goede en fatsoenlijke huisvesting voor werknemers is belangrijk. En agrarische ondernemers die bereid zijn daarin te investeren, moeten weten waar zij aan toe zijn.
Juist dat laatste, duidelijkheid voor ondernemers, is waar onze fractie na het lezen van het voorstel en de beantwoording van de technische vragen nog niet helemaal tevreden over is.
Op een aantal onderdelen zien we namelijk onduidelijkheden en antwoorden die naar ons idee niet helemaal met elkaar lijken te rijmen.
Zo bepalen de planregels dat de huisvesting bestemd is voor _werknemers van het op het_ _perceel gevestigde agrarische bedrijf_ . Maar in de beantwoording lezen we vervolgens dat het _niet relevant is welke arbeidsrechtelijke constructie daaronder ligt en dat iemand_ _dus ook bij een uitzendbureau of andere partij in dienst kan zijn_ .
Wij begrijpen wat het college hiermee wil bereiken. Maar een ondernemer moet straks niet afhankelijk zijn van een uitleg van de regels; de regels zelf moeten duidelijk genoeg zijn. Daarom willen we weten waar deze ruimere uitleg juridisch is geborgd.
Hetzelfde zien we bij bestaande bedrijfsgebouwen. Het voorstel gaat uit van _huisvesting in_ _bestaande bedrijfsbebouwing_ . In de beantwoording wordt echter aangegeven dat op basis van de onderliggende bouwregels mogelijk eerst een nieuw bedrijfsgebouw kan worden gerealiseerd en dat vervolgens daarin tijdelijke huisvesting kan worden toegestaan.
Ook daar begrijpen we de praktische redenering, maar dan willen we wel helder hebben wat _‘bestaande bedrijfsgebouwen’_ juridisch nog betekent.
Dan het Meedoenplan. Ook daar roept de beantwoording bij ons nog vragen op.
Het college geeft aan dat het Meedoenplan op dit moment niet expliciet als indieningsvereiste in artikel 2:65 lid 2 van de APV is opgenomen. Als juridische grondslag wordt verwezen naar lid 3, dat het college de mogelijkheid geeft om _aanvullende gegevens_ op te vragen die nodig zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag.
Maar daar zit voor ons nog een wezenlijke vraag tussen. _De mogelijkheid om aanvullende_ _informatie op te vragen is iets anders dan de mogelijkheid om vervolgens inhoudelijke_
_verplichtingen uit dat Meedoenplan aan een vergunninghouder op te leggen en daarop_ _te handhaven._
We willen daarom van het college weten wat op dit moment de juridische grondslag is om die inhoudelijke verplichtingen daadwerkelijk op te leggen en te handhaven. Zeker nu het college zelf aangeeft dat het Meedoenplan pas bij de APV-herziening in december expliciet als indieningsvereiste in de APV moet worden opgenomen.
En als we dan toch naar het Meedoenplan kijken, valt ons nog iets anders op. In het Meedoenplan wordt voor de verplichtingen onderscheid gemaakt tussen locaties onder en boven de 10 personen. In dit TAM-omgevingsplan leggen we de relevante grens voor OPA en BOPA vervolgens bij 20 personen.
Waarom vinden we bij het Meedoenplan 10 personen een relevante schaalgrens, maar ruimtelijk 20 personen? En als beide grenzen iets zeggen over de omvang en impact van een huisvestingslocatie, waarom trekken we die dan niet gelijk?
Ook dat horen we graag van het college.
Voorzitter, een belangrijk punt voor onze fractie is daarnaast de gekozen grens van 20 personen.
Uit de beantwoording blijkt dat niet is onderzocht wat ruimtelijk het verschil is tussen huisvesting van 20, 30, 40 of 50 werknemers. De grens van 20 is gekozen door aansluiting te zoeken bij de regeling voor kleinschalige verblijfsrecreatie.
Dat kan een beleidsmatige keuze zijn. Maar dan moeten we hem ook als zodanig beoordelen.
Want de gevolgen van die keuze zijn aanzienlijk. Bij 20 personen kan een ondernemer gebruikmaken van een OPA met €540 aan leges. Vanaf persoon 21 is een BOPA nodig, bedragen de leges €4.227, is een omgevingsdialoog verplicht, heeft de raad bindend adviesrecht en is er minder rechtszekerheid vooraf.
Dan willen wij als raad goed kunnen beoordelen waarom die grens precies dáár moet liggen.
Dan de 15 jaar.
We vragen ondernemers om te investeren in kwalitatief hoogwaardige huisvesting. Tegelijkertijd geldt een maximale vergunningduur van vijftien jaar en geeft het college aan dat voorzieningen daarna in veel gevallen weer gesaneerd zullen moeten worden.
Het college zegt daarbij expliciet dat bij het bepalen van die vijftien jaar bewust naar de afschrijvingsperiode is gekeken.
Maar wanneer we vervolgens vragen welke afschrijvingstermijnen en terugverdientijden zijn gehanteerd, krijgen we daar geen antwoord op; er wordt verwezen naar een eerder antwoord waarin die cijfers evenmin staan.
Dat vinden wij moeilijk met elkaar te rijmen. Als vijftien jaar voldoende investeringszekerheid zou bieden omdat rekening is gehouden met de afschrijving, dan moet volgens ons ook inzichtelijk kunnen worden gemaakt waarop die conclusie is gebaseerd.
Daarnaast kijken we nadrukkelijk naar het grotere plaatje. Dit voorstel biedt een regeling voor agrarische bedrijven, maar de behoefte aan goede huisvesting van werknemers bestaat natuurlijk ook in andere sectoren. Onze fractie wil daarom weten hoe ver het college is met beleid voor bijvoorbeeld werknemers in de bouw, zorg en andere sectoren en voor specifieke huisvestingsondernemers. Die bredere vraag wordt in het voorstel doorgeschoven naar het programma Economie.
Ook willen we helder krijgen welke rol het TAM-omgevingsplan Woningdelen daarin gaat spelen en hoe het college aankijkt tegen het onderscheid tussen shortstay en longstay. Het college zegt dat werknemers meerdere achtereenvolgende jaren op een huisvestingslocatie kunnen blijven wonen zolang zij bij het betreffende bedrijf werkzaam zijn.
Dat roept de vraag op hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat mensen die zich hier permanent willen vestigen uiteindelijk aangewezen zijn op de reguliere woningmarkt.
En ten slotte blijft de verhouding met de provincie Limburg voor ons een belangrijk aandachtspunt. De provincie vindt het plan op dit moment niet in overeenstemming met haar beleid en regelgeving en kan uiteindelijk beroep instellen bij de Raad van State.
Wij horen daarom graag hoe het college na het overleg met de provincie tegen dat risico aankijkt en hoe reëel het is dat hierover vóór de besluitvorming nog overeenstemming wordt bereikt.
Voorzitter,
Daarmee zeggen wij vanavond nadrukkelijk niet dat wij het doel of de richting van dit voorstel niet steunen.
Maar voordat we tijdens de raadsvergadering definitief besluiten, willen wij er wel voldoende vertrouwen in hebben dat de regels juridisch duidelijk, praktisch uitvoerbaar en inhoudelijk uitlegbaar zijn.
Op een aantal punten zijn we daar na de beantwoording van de technische vragen nog niet.
Wij hebben daarom nog een aantal vragen. Een deel daarvan hebben wij ook al schriftelijk ingediend. Ik begrijp heel goed dat het college die vanavond niet allemaal direct kan beantwoorden. Dat hoeft voor onze fractie ook niet. Als de resterende antwoorden schriftelijk vóór de raadsvergadering kunnen worden nagezonden, is dat voor ons prima.
Vraag 1. Breder huisvestingsbeleid Hoe ver is het college met de ontwikkeling van een beleidslijn om ook niet-agrarische ondernemers en specifieke huisvestingsondernemers duidelijkheid te bieden en goede huisvesting voor hun werknemers te garanderen?
Beantwoording vraag 1 _Momenteel wordt gewerkt aan het Programma Economie. De bouwsteen huisvesting_ _arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven maakt uiteindelijk onderdeel uit van dit programma._ _Binnen het Programma Economie worden de economische ambities en keuzes voor de toekomst_ _uitgewerkt. Daarbij wordt ook richting gegeven aan de wijze waarop wij omgaan met de_ _huisvesting van werknemers bij andere (economische) functies. De voorbereiding van deze_ _beleidslijnen is een langdurig proces dat vele belanghebbenden kent en daarmee ook zorgvuldige_ _afweging. Voor het opstellen van het programma Economie wordt gestart met de beleidsanalyse_ _voor de verschillende deelthema’s die in het programma worden ondergebracht. Ook de tijdelijke_ _huisvesting van werknemers ten behoeve van andere sectoren dan agrarisch maakt hier deel van_ _uit._
_Met de uitgangspunten voor de bouwsteen voor tijdelijke huisvesting werknemers bij agrarische_ _bedrijven heeft de raad ingestemd. Daarin is expliciet geduid dat de bouwsteen zich zou beperken_ _tot agrarische bedrijven._
Vraag 2. TAM Woningdelen Welke rol speelt het TAM-omgevingsplan Woningdelen Horst aan de Maas 2026 hierin?
Beantwoording vraag 2 _Het TAM-IMRO omgevingsplan voor woningdelen en het TAM-IMRO Omgevingsplan_ _tijdelijke huisvesting werknemers bij agrarische bedrijven vervangen gezamenlijk de_ _voorbeschermingsregels voor de huisvesting van arbeidsmigranten (voorbereidingsbesluit_ _mei 2025). Daarin is de huisvesting van arbeidsmigranten overal als strijdig gebruik_ _aangemerkt. Het TAM-IMRO omgevingsplan Woningdelen maakt het mogelijk een woning te_ _delen met meerdere personen die geen duurzaam huishouden vormen. Voor maximaal drie_ _personen is dat zonder vergunning toegestaan en met een vergunning door maximaal vier_ _personen. Daarbij is geen onderscheid gemaakt in doelgroepen vanwege de_ _Dienstenrichtlijn. Dat betekent dat het mogelijk is in woningen tijdelijke werknemers onder_ _te brengen mits voldaan wordt aan de in dat plan gestelde eisen voor kamerverhuur of_ _hospitaverhuur. In het schema dat bij het raadsvoorstel als bijlage is gevoegd is dit ook_ _weergegeven. De huisvesting van meer dan vier tijdelijke werknemers kan op grond van het_ _TAM-IMRO tijdelijke huisvesting werknemers bij agrarische bedrijven vooralsnog alleen bij_ _agrarische bedrijven. Deze regels zullen later worden aangevuld voor andere sectoren (zie_ _daarvoor de beantwoording van vraag 1)._
Vraag 3. Shortstay en longstay Betekent de voorgestelde regeling dat het college afstapt van de lijn dat longstayarbeidsmigranten uiteindelijk op de reguliere woningmarkt zijn aangewezen? Kan de wethouder verduidelijken hoe beide uitgangspunten zich tot elkaar verhouden?
Beantwoording vraag 3 _Het is nog steeds de bedoeling dat werknemers die voornemens zijn langer te blijven via de_ _reguliere woningmarkt aan woonruimte komen._ _Verder wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 7 van de raadsvragen._
Vraag 4. Provincie Limburg Hoe moeten wij als raad naar het lopende overleg met de provincie kijken? Verwacht het college tot overeenstemming te komen of moeten wij serieus rekening houden met een provinciale interventie of beroep bij de Raad van State?
Beantwoording vraag 4 _Samen proberen we tot overeenstemming te komen, waarbij de belangen van de provincie_ _en de belangen van onze gemeente zorgvuldig worden meegenomen._ _Ambtelijk en bestuurlijk doen we er alles aan om de provincie te overtuigen dat ons beleid,_ _en de uitwerking ervan in het TAM-IMRO omgevingsplan, het juiste is, zodat een beroep niet_ _nodig is. Het blijft daarnaast het wettelijk recht van de provincie een beroep in te stellen_ _tegen ons TAM-IMRO omgevingsplan._
Vraag 5. Juridische grondslag Meedoenplan Artikel 2:65 lid 3 APV biedt de mogelijkheid aanvullende gegevens op te vragen. Op welke juridische grondslag kunnen vervolgens ook inhoudelijke verplichtingen uit het Meedoenplan aan een vergunninghouder worden opgelegd en daarop worden gehandhaafd?
Beantwoording vraag 5 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 10a van de raadsvragen._
Vraag 6. Grens 10 versus 20 personen In het Meedoenplan wordt onderscheid gemaakt tussen huisvestingslocaties onder en boven de 10 personen, terwijl binnen dit TAM-omgevingsplan de grens tussen OPA en BOPA bij 20 personen ligt. Wat is de inhoudelijke onderbouwing voor deze verschillende grenswaarden en waarom is ervoor gekozen deze niet gelijk te trekken?
Beantwoording vraag 6 _Het is juist dat er in het Meedoenplan een grens getrokken is bij 10 personen en in het_ _ruimtelijk spoor 20 personen. In het ruimtelijk spoor wordt er gekeken naar de effecten op_ _de fysieke leefomgeving en het Meedoenplan gaat uit van sociale cohesie._
_Bij het opstellen van het Meedoenplan is de grens geteld op 10 personen. Dat was in lijn_ _met de beleidsvoornemens destijds. Gaandeweg is het aantal in de beleidsdocumenten_ _gemotiveerd aangepast naar 20 personen. Het Meedoenplan is hierbij achter gebleven. Het_ _is voorstelbaar dat het college de grens in het Meedoenplan ook aanpast naar 20 personen._ _Ook al dienen beide sporen een ander doel, de samenhang lijkt daarmee te vergroten._
Vraag 7. Grens van 20 en input agrarische sector Welke concrete input is vanuit agrariërs en belangenorganisaties ontvangen over de maximaal toegestane aantallen werknemers en specifiek over de gekozen grens van 20 personen?
Beantwoording vraag 7 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 14a van de raadsvragen._
Vraag 8. Huidige vergunde capaciteit Hoeveel personen kunnen op basis van de momenteel verleende vergunningen in totaal bij agrarische bedrijven in Horst aan de Maas worden gehuisvest?
Beantwoording vraag 8 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 15, 15a en 16 van de raadsvragen._
Vraag 9. Werknemers via uitzendbureau/payroll Uit welke concrete bepaling van de planregels volgt dat personen die formeel bij bijvoorbeeld een uitzendorganisatie of payrollbedrijf in dienst zijn, kunnen worden aangemerkt als _‘werknemers van het op dat perceel gevestigde agrarische bedrijf’_ ?
Beantwoording vraag 9 _De regels in het omgevingsplan (of TAM-IMRO omgevingsplan) houden altijd verband met_ _de fysieke leefomgeving. Het gaat dus om wat er fysiek gebeurt en niet welke contractuele_ _afspraken daar bij horen. Met andere woorden de regels in het TAM-IMRO omgevingsplan_ _gaan er van uit dat een werknemer die tijdelijk gehuisvest is bij een bedrijf ook fysiek op dat_ _bedrijf werkzaam is (of op een bij het bedrijf behorende nevenvestiging). Welke_ _contractvorm daar vanuit het arbeidsrecht aan ten grondslag ligt is voor het toepassen van_ _de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan niet relevant._
Vraag 10. Bestaande bebouwing versus nieuwbouw Hoe verhoudt de eis dat huisvesting plaatsvindt in bestaande bedrijfsgebouwen zich tot de beantwoording dat eerst via de onderliggende bouwregels nieuwbouw kan worden gerealiseerd en daarin vervolgens tijdelijke huisvesting kan plaatsvinden? Is binnen de OPA-route daadwerkelijk nieuwbouw specifiek voor werknemershuisvesting mogelijk?
Beantwoording vraag 10 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 19a van de raadsvragen._
_Volgens vaste jurisprudentie is een bestaand gebouw een fysiek bestaand gebouw of een_ _gebouw waarvoor een vergunning is verleend maar nog niet gebouwd is._
Vraag 11. Piekbehoefte Waar en op welke wijze kunnen werknemers die uitsluitend tijdens de piekperiode nodig zijn worden gehuisvest wanneer de vergunde capaciteit bij het agrarische bedrijf is gebaseerd op de gemiddelde seizoensbehoefte?
Beantwoording vraag 11 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 28a van de raadsvragen._
Vraag 12. Investeringszekerheid Hoe verhoudt de combinatie van het maximumaantal werknemers en een maximale vergunningduur van vijftien jaar zich tot de financiële haalbaarheid en investeringszekerheid van kwalitatief hoogwaardige huisvesting? En is onderzocht of deze combinatie ondernemers juist kan ontmoedigen om daarin te investeren?
Beantwoording vraag 12 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 17a van de raadsvragen._
Vraag 13. Onderbouwing 15 jaar Welke afschrijvings- en/of terugverdientermijnen zijn bij de keuze voor vijftien jaar gehanteerd, waarop zijn deze gebaseerd en zijn ook vergunningtermijnen van bijvoorbeeld 20, 25 of 30 jaar onderzocht of overwogen?
Beantwoording vraag 13 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 32a van de raadsvragen._
Vraag 14. Bovengrens 99 personen Op basis van welke ruimtelijke of andere objectieve criteria is voor maximaal 99 personen
gekozen en welke concrete verschillen bestaan er tussen een locatie van 99 en bijvoorbeeld 100, 110 of 120 personen?
Beantwoording vraag 14 _Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 38a van de raadsvragen._