Den Haag, 25 september 2026
HBSC 2025 GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
Margreet de Looze, Marlies Kapitein, Saskia van Dorsselaer, Marieke Rombouts, Laura Baams, Suzanne Geurts, Aniek de Lange, Karin Monshouwer, Margot Peeters, Loïs Schenk, Regina van den Eijnden en Gonneke Stevens
COLOFON
PROJECTLEIDING
Gonneke Stevens en Saskia van Dorsselaer
AUTEURS
Margreet de Looze (Universiteit Utrecht), Marlies Kapitein (Universiteit Utrecht),
Saskia van Dorsselaer (Trimbos-instituut), Marieke Rombouts (Trimbos-instituut),
Laura Baams (Universiteit Utrecht), Suzanne Geurts (Trimbos-instituut),
Aniek de Lange (Trimbos-instituut), Karin Monshouwer (Trimbos-instituut),
Margot Peeters (Universiteit Utrecht), Loïs Schenk (Universiteit Utrecht),
Regina van den Eijnden (Universiteit Utrecht), Gonneke Stevens (Universiteit Utrecht)
EINDREDACTIE
Margreet de Looze, Marlies Kapitein en Gonneke Stevens
VORMGEVING
Taluut Ontwerp
ISBN
978-90-904-3180-2
BRONVERMELDING
De Looze, M., Kapitein, M., van Dorsselaer, S., Rombouts, M., Baams, L., Geurts, S., de Lange, A.,
Monshouwer, K., Peeters, M., Schenk, L., van den Eijnden, R., & Stevens, G. (2026).
_HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland_ . Utrecht: Universiteit Utrecht en
Trimbos-instituut.
Voor directe verwijzingen naar de cijfers, zie pagina 19.
©2026, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut, Utrecht. Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm
of op enige wijze, zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
3 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD 6
Terugblik op de afgelopen jaren 6
Nieuwe thema’s in HBSC 2025 7
Nederlandse jongeren in internationaal perspectief 7
Opzet van het rapport 8
1. METHODE VAN HET ONDERZOEK 9
Populatie en steekproef 10
De vragenlijst 13
De dataverzameling 13
De gewogen steekproef 14
Analyses 17
Gebruik van HBSC-gegevens in nationale monitors 18
2. RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 20
Overzicht van de belangrijkste resultaten 21
Kerncijfers 23
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 26
Vergelijking met eerdere jaren 28
3. SCHOOLBELEVING EN PESTEN 32
Overzicht van de belangrijkste resultaten 33
Kerncijfers 34
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 36
Vergelijking met eerdere jaren 38
4. WELBEVINDEN EN MENTALE PROBLEMEN 43
Overzicht van de belangrijkste resultaten 44
Kerncijfers 46
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 48
Vergelijking met eerdere jaren 51
4
5. ETEN, BEWEGEN EN LICHAAMSBEELD 57
Overzicht van de belangrijkste resultaten 58
Kerncijfers 60
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 62
Vergelijking met eerdere jaren 64
6. MIDDELENGEBRUIK 70
Overzicht van de belangrijkste resultaten 71
Kerncijfers 74
Meer over roken, vapen en alcoholgebruik 77
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 80
Vergelijking met eerdere jaren 83
7. SEKSUEEL GEDRAG EN OPVATTINGEN OVER HOMOSEKSUALITEIT 89
Overzicht van de belangrijkste resultaten 90
Kerncijfers 91
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 94
Vergelijking met eerdere jaren 96
8. SOCIALE MEDIA, GAMEN EN GOKKEN 101
Overzicht van de belangrijkste resultaten 102
Kerncijfers 104
Verschillen naar schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm 107
Vergelijking met eerdere jaren 110
9. NABESCHOUWING 114
Samenvatting 115
Veranderingen in gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland 116
Risicogroepen 128
Implicaties voor preventie en beleid 131
Beperkingen van het onderzoek 136
BIJLAGE 138
LITERATUURLIJST 149
5 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
VOORWOORD
Margreet de Looze en Gonneke Stevens
Jongeren groeien op in een samenleving die continu in beweging is. Digitalisering en sociale media
zijn inmiddels niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Tegelijkertijd groeien jongeren op in
een maatschappij waarin presteren heel belangrijk is, worden zij geconfronteerd met discussies
over diversiteit en inclusie, zorgen over klimaat en mondiale conflicten en de nasleep van de
coronapandemie. Wat betekenen al deze ontwikkelingen voor de gezondheid en het welzijn van
jongeren? Hoe gaat het bijvoorbeeld met hun mentale gezondheid? Hoe ervaren zij hun school en
sociale relaties? Hoe gezond is hun eetgedrag, hoe vaak sporten zij en welke rol spelen sociale
media, middelengebruik en seksualiteit in hun leven? Om deze en andere vragen draait het Health
Behaviour in School-aged Children (HBSC) onderzoek.
Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland iedere vier jaar uitgevoerd onder een landelijk
representatieve groep leerlingen in groep 8 van de basisschool en jongeren van 12 tot en met 16
jaar in het voortgezet onderwijs. In het najaar van 2025 vond het Nederlandse HBSC-onderzoek
voor de zevende keer plaats. Het onderzoek werd uitgevoerd door medewerkers van de Universiteit
Utrecht (Interdisciplinaire Sociale Wetenschap, Faculteit Sociale Wetenschappen) en het Trimbos instituut, waarbij de projectleiding bij de Universiteit Utrecht lag en het Trimbos-instituut
verantwoordelijk was voor de dataverzameling. Het onderzoek werd gefinancierd door het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
HBSC is onderdeel van een internationaal onderzoek dat sinds 1983 in een groeiend aantal
landen in Europa, Noord-Amerika en Centraal-Azië wordt uitgevoerd. Met inmiddels meer dan
50 deelnemende landen is HBSC één van de langstlopende internationale onderzoeken naar de
gezondheid en het welzijn van jongeren. In dit rapport presenteren we de resultaten van het
Nederlandse HBSC-onderzoek van 2025, waarin we aandacht besteden aan verschillen tussen
jongeren naar geslacht, leeftijd, schoolniveau, migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm.
Waar mogelijk vergelijken we deze resultaten met die van eerdere HBSC-onderzoeken. Het HBSC onderzoek biedt daarmee een actueel en betrouwbaar beeld van de gezondheid en het welzijn van
Nederlandse schoolgaande jongeren en van de veranderingen daarin in de laatste twee decennia.
TERUGBLIK OP DE AFGELOPEN JAREN
Het HBSC-onderzoek uit 2021 (Boer e.a., 2022b) vond plaats tijdens een uitzonderlijke periode, de
coronapandemie. De mentale gezondheid van meisjes stond sterk onder druk en de ervaren druk
door schoolwerk bereikte een historisch hoog niveau. Daarnaast waren met name meisjes in het
6 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
voortgezet onderwijs minder positief over hun sociale relaties dan in eerdere jaren. Tegelijkertijd
zagen we een toename in intensief gamen en problematisch socialemediagebruik en stagneerde de
eerder ingezette daling in roken en alcoholgebruik.
Inmiddels zijn we enkele jaren verder. Hoe staat het er nu voor? Is de verslechtering van de
mentale gezondheid, die deels in verband werd gebracht met de coronapandemie, van tijdelijke
aard geweest, of zet deze ontwikkeling door? En hoe staat het met andere aspecten van het
dagelijks leven van jongeren? Het nieuwe HBSC-onderzoek biedt de mogelijkheid om deze
ontwikkelingen in samenhang te bekijken. Daarmee vormt het een belangrijke basis voor beleid en
praktijk en voor verder onderzoek naar de gezondheid en het welzijn van jongeren.
NIEUWE THEMA’S IN HBSC 2025
In 2025 zijn verschillende nieuwe thema’s aan het HBSC-onderzoek toegevoegd. Zo is, tegen de
achtergrond van de aanhoudende zorgen over de mentale gezondheid van jongeren, voor het eerst
gevraagd naar co-ruminatie, het excessief bespreken van zorgen, problemen en negatieve emoties
met een beste vriend of vriendin. Ook is onderzocht in hoeverre jongeren zich zorgen maken over
bepaalde ontwikkelingen in de wereld en in hoeverre zij hun ouders als overbeschermend ervaren.
Met deze nieuwe thema’s wordt meer inzicht verkregen in factoren die van invloed kunnen zijn op
de mentale gezondheid van jongeren.
Vanwege de behoefte aan extra kennis op het gebied van socialemediagebruik van jongeren
is er daarnaast voor het eerst gevraagd welke platforms op sociale media jongeren in Nederland
gebruiken en in welke groep zij zaten toen zij hun eerste eigen smartphone kregen. Ook op het
gebied van gezondheidsgedrag zijn nieuwe thema’s toegevoegd. In dit rapport rapporteren we voor
het eerst hoe vaak jongeren hun tanden poetsen, en in hoeverre dit gedrag over de tijd veranderd
is. Tot slot zijn extra vragen gesteld over de schadelijkheid van roken en vapen, over regels van
ouders over vapen en over gokken. Hiermee geeft het rapport een steeds completer beeld van de
gezondheid en het welzijn van jongeren in Nederland.
NEDERLANDSE JONGEREN IN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF
Door het internationale karakter van het HBSC-onderzoek kunnen de resultaten van Nederlandse
jongeren worden vergeleken met die van jongeren in andere landen. Uit eerdere internationale
vergelijkingen blijkt dat Nederlandse jongeren op verschillende gebieden relatief gunstig scoren,
zeker wanneer het gaat om hun sociale relaties (Badura e.a., 2024; Stevens e.a., 2024). Zo behoorde
Nederland in 2021/22 tot de vijf landen waarin jongeren het vaakst aangaven gemakkelijk met hun
vader en moeder te kunnen praten wanneer zij zich ergens zorgen over maken. Daarnaast behoort
Nederland al jarenlang tot de landen met de hoogste scores op ervaren steun van vrienden. Ook de
ervaren steun van leraren en klasgenoten is in Nederland relatief hoog, en pesten komt relatief weinig
voor. Een vergelijkbaar gunstig beeld komt naar voren voor het gebruik van sociale media. In 2021 kwam
problematisch socialemediagebruik in Nederland het minst vaak voor van alle deelnemende landen, en
ook intensief socialemediagebruik lag onder het internationale gemiddelde (Boniel-Nissim e.a., 2024).
VOORWOORD 7
Wat betreft mentale gezondheid scoren Nederlandse jongeren ook relatief gunstig (Cosma
e.a., 2023), al is de positie van Nederland in de loop van de tijd wel minder sterk geworden (Stevens
e.a., 2024). Een vergelijkbare ontwikkeling zien we bij schooldruk: waar Nederland in 2009/10 nog
behoorde tot de landen waar jongeren het minst vaak druk door schoolwerk ervaarden, lag
Nederland in 2021 rond het internationale gemiddelde (Badura e.a., 2024; Stevens e.a., 2024). Wat
betreft roken en alcoholgebruik scoren Nederlandse jongeren gemiddeld, terwijl cannabisgebruik
bovengemiddeld vaak voorkomt in vergelijking met de andere HBSC-landen (Charrier e.a., 2024;
Stevens e.a., 2024). De internationale vergelijking van de resultaten uit 2025/26 is in dit rapport nog
niet opgenomen, omdat de dataverzameling nog niet in alle landen is afgerond. Zodra de
internationale gegevens beschikbaar zijn, worden de Nederlandse resultaten opnieuw in
internationaal perspectief geplaatst.
OPZET VAN HET RAPPORT
Dit rapport start met een hoofdstuk over de methode die is gebruikt om het onderzoek uit te
voeren en waarin wordt ingegaan op de samenstelling van de steekproef, de dataverzameling en de
manier waarop de gegevens zijn geanalyseerd. Daarnaast bestaat het rapport uit zeven inhoudelijke
hoofdstukken, die elk een ander thema binnen de gezondheid en het welzijn van jongeren
behandelen. Elk hoofdstuk begint met een samenvatting van de belangrijkste bevindingen.
Vervolgens presenteren we de kerncijfers, waarbij ook wordt gekeken naar verschillen tussen
jongeren in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs, tussen jongens en meisjes en tussen
jongeren van verschillende leeftijden. Daarna presenteren we verschillen naar schoolniveau,
migratieachtergrond, gezinswelvaart en gezinsvorm. Tot slot wordt voor de belangrijkste
indicatoren gekeken naar veranderingen over de tijd. De belangrijkste resultaten van de
inhoudelijke hoofdstukken worden vervolgens beschreven en met elkaar in verband gebracht in de
nabeschouwing. In dit hoofdstuk gaan we ook in op mogelijke verklaringen voor de resultaten, op
de implicaties van de resultaten voor preventie en beleid en op de beperkingen van het onderzoek.
In de bijlage is een overzicht opgenomen van de vragen die aan de jongeren zijn voorgelegd.
8 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
Marieke Rombouts, Saskia van Dorsselaer en Marlies Kapitein
METHODE VAN HET ONDERZOEK
Het HBSC-onderzoek wordt in meer dan 50 landen in Europa en Noord-Amerika uitgevoerd.
Om de resultaten uit deze landen met elkaar te kunnen vergelijken, wordt een groot deel van
de vragenlijst op dezelfde manier afgenomen in alle landen. In het internationale onderzoeks
[protocol van HBSC (zie hbsc.org) is beschreven aan welke eisen de steekproef en de vragenlijst](https://www.hbsc.org/)
hiervoor moet voldoen. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het onderzoek in Nederland
is uitgevoerd, hoe de steekproef is samengesteld en welke analyses voor dit rapport zijn
uitgevoerd.
POPULATIE EN STEEKPROEF
ONDERZOEKSPOPULATIE
De onderzoekspopulatie bestaat uit leerlingen van groep 8 van het reguliere basisonderwijs en
leerlingen uit alle leerjaren en schoolniveaus van het reguliere voortgezet onderwijs in heel
Nederland. In het voortgezet onderwijs maken we onderscheid tussen vier schoolniveaus: vmbo basisberoepsgerichte leerweg en/of kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-b/k), vmbo-gemengde
en/of theoretische leerweg (vmbo-g/t), havo en vwo.
BEOOGDE STEEKPROEFOMVANG
Volgens het internationale protocol moet ieder deelnemend land met 1800 leerlingen per
leeftijdsgroep van gemiddeld 11.5, 13.5 en 15.5 jaar meedoen met het onderzoek. Daarmee
werd de beoogde steekproefomvang in het basisonderwijs vastgesteld op 1600 leerlingen.
Voor het voortgezet onderwijs werd de beoogde steekproefomvang 5500 leerlingen.
SELECTIE VAN SCHOLEN
Voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn willekeurig scholen geselecteerd verspreid
over heel Nederland. Hiervoor is een databestand van alle scholen van de Dienst Uitvoering
Onderwijs (DUO) gebruikt. Bij het trekken van de steekproef is, door middel van stratificatie,
rekening gehouden met de spreiding van scholen over de GGD-regio’s. Daarnaast is gekeken
of in de steekproef voldoende scholen uit stedelijke en landelijke gebieden aanwezig waren.
10 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
WERVING
De werving van scholen vond plaats van april tot en met september 2025. Scholen kregen een mail
met informatie over het onderzoek en een link naar een online aanmeldformulier. Wanneer scholen
niet binnen één week reageerden, werden zij gebeld. De eerste steekproef van scholen bestond uit
220 basisscholen en 250 middelbare scholen. Omdat de bereidheid van de scholen om mee te doen
met het onderzoek lager was dan verwacht, is een extra steekproef getrokken van 100 basisscholen
en 80 middelbare scholen. Van de geselecteerde basisscholen vielen 33 scholen buiten het steekproef
kader, omdat zij te weinig leerlingen in groep 8 hadden. Bij de middelbare scholen vielen er 12 scholen
buiten het steekproefkader vanwege diverse redenen, bijvoorbeeld omdat alleen de eerste twee leer
jaren aanwezig waren of omdat de leerlingen geen Nederlands spraken. In totaal hebben 287 basis
scholen en 318 middelbare scholen een uitnodiging gehad om mee te doen aan het onderzoek.
RESPONS SCHOLEN
In totaal waren 69 basisscholen bereid deel te nemen aan het onderzoek. Daarnaast besloten
197 basisscholen niet deel te nemen. De meest genoemde redenen hiervoor waren dat scholen andere
prioriteiten hadden, te druk waren of te vaak werden benaderd voor deelname aan onderzoeken.
Tijdens de dataverzameling trokken 2 scholen zich alsnog terug vanwege persoonlijke omstandigheden
en een reorganisatie. Uiteindelijk namen 67 basisscholen deel aan het onderzoek. Met een netto
steekproef van 266 benaderde basisscholen komt dit neer op een responspercentage van 25%.
Voor het voortgezet onderwijs waren 62 scholen bereid deel te nemen aan het onderzoek.
Daarnaast zagen 238 scholen af van deelname. De meest genoemde redenen waren deelname aan
onderzoek van de GGD of de monitor _Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO)_ of andere
onderzoeken en andere prioriteiten. Ook het feit dat scholen veel worden benaderd voor onderzoek
speelde mee in de non-respons. Tijdens de dataverzameling trokken 5 scholen zich alsnog terug
vanwege gewijzigde prioriteiten of omdat het organisatorisch moeilijk bleek om het onderzoek in
te plannen. Uiteindelijk namen 57 middelbare scholen deel aan het onderzoek. Met een netto
steekproef van 300 benaderde middelbare scholen komt dit neer op een responspercentage van
19%. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de steekproef en respons van scholen in het basisonderwijs
en voortgezet onderwijs.
TABEL 1.1 Steekproef en respons van scholen en leerlingen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs
| Col1 | Col2 | Col3 |
|---|---|---|
| Geen contact | 21 | 18 |
| Netto steekproef2 | 266 | 300 |
| Respons vóór dataverzameling3 | 69 (25,9%) | 62 (20,7%) |
| Teruggetrokken tijdens dataverzameling | 2 | 5 |
| Respons defnitief4 | 67 (25,2%) | 57 (19,0%) |
| Aantal klassen | 70 | 274 |
METHODE VAN HET ONDERZOEK 11
TABEL 1.1 (vervolg) Steekproef en respons van scholen en leerlingen in het basisonderwijs en het
voortgezet onderwijs
| Col1 | Col2 | Col3 |
|---|---|---|
| Afwezig tijdens afname | 77 (4,7%) | 665 (10,5%) |
| Bezwaar (van ouder of leerling) tegen deelname | 18 (1,1%) | 63 (1,0%) |
| Bruto bestand5 | 1520 | 5631 |
| Verwijderd vanwege missende of onbetrouwbare gegevens | 10 | 90 |
| Netto bestand6 | 1510 | 5541 |
| 12 t/m 16 jaar | - | 5103 |
1 Totaal aantal benaderde scholen
2 Totaal aantal benaderde scholen waarmee contact is geweest
3 Totaal aantal deelnemende scholen begin dataverzameling (=respons/netto steekproef*100)
4 Definitief aantal deelnemende scholen einde dataverzameling (=respons/netto steekproef*100)
5 Totaal aantal ingevulde vragenlijsten
6 Totaal aantal vragenlijsten na opschoning
SELECTIE VAN KLASSEN
Op iedere basisschool deed in principe één groep 8 mee met het onderzoek. Wanneer er meerdere
groepen 8 waren, koos de school willekeurig welke groep meedeed met het onderzoek. Op
3 scholen deden twee groepen 8 mee met het onderzoek, omdat zij graag met alle leerlingen van
groep 8 wilden deelnemen. In combinatieklassen (een klas met verschillende groepen) werden
alleen leerlingen uit groep 8 gevraagd om de vragenlijst in te vullen.
Aan scholen van het voortgezet onderwijs is gevraagd een overzicht aan te leveren van alle
klassen, met vermelding van het leerjaar en het schoolniveau. Op basis van dat overzicht werden
willekeurig 4 tot 6 klassen geselecteerd. Dit was gemiddeld 1 klas meer per school dan in eerdere
HBSC-onderzoeken, omdat er minder scholen deelnamen dan beoogd. Op kleine scholen
(<500 leerlingen) werden 4 klassen geselecteerd, op middelgrote scholen (500-1000 leerlingen) 5
klassen en op grote scholen (>1000 leerlingen) 6 klassen. Klassen werden niet geselecteerd als ze
minder dan 10 leerlingen hadden of als er uitsluitend leerlingen in de klas zaten met
leerwegondersteuning (voormalig LWOO).
RESPONS LEERLINGEN
In het basisonderwijs deden 70 klassen mee met het onderzoek (Tabel 1.1). Tijdens de afname was
4,7 procent van de leerlingen afwezig en bij 1,1 procent had een ouder of leerling zelf bezwaar
gemaakt tegen deelname. In totaal vulden 1520 leerlingen de vragenlijst in. Na controle zijn
10 vragenlijsten verwijderd omdat slechts een beperkt aantal vragen was ingevuld. De analyses zijn
daardoor gebaseerd op de gegevens van 1510 leerlingen.
12 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
In het voortgezet onderwijs deden 274 klassen mee met het onderzoek. Tijdens de afname
was 11 procent van de leerlingen afwezig en bij 1 procent van de leerlingen had een ouder of
leerling zelf bezwaar gemaakt tegen deelname. In totaal vulden 5631 leerlingen de vragenlijst in. Na
controle zijn 63 vragenlijsten verwijderd vanwege een groot aantal ontbrekende antwoorden en 27
vragenlijsten omdat er twijfel bestond of deze serieus waren ingevuld. Uiteindelijk bleven
5541 vragenlijsten over voor analyse. Van deze vragenlijsten waren er 5103 ingevuld door leerlingen
in de leeftijd van 12 tot en met 16 jaar. De resultaten in deze rapportage zijn gebaseerd op deze
groep.
DE VRAGENLIJST
De vragenlijst voor leerlingen bestaat uit vragen die verplicht zijn vanuit het internationale HBSC onderzoek en een aantal aanvullende vragen. In de vragenlijst is gevraagd naar geslacht,
genderidentiteit, leeftijd, geboorteland (van de leerling en de ouders), gezinsvorm en
gezinswelvaart. Daarnaast zijn vragen gesteld over sociale relaties, schoolbeleving, pesten,
welbevinden, mentale problemen, eten, bewegen, lichaamsbeeld, roken, vapen, alcohol en
alcoholvrij drinken, sociale media, gamen, gokken en romantische relaties.
Leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs kregen een vergelijkbare vragenlijst.
In het basisonderwijs werden echter minder vragen gesteld, zodat de vragenlijst aansloot bij de
leeftijd van de leerlingen. In het voortgezet onderwijs zijn daarnaast vragen gesteld over
co-ruminatie (het excessief bespreken van zorgen, problemen en negatieve emoties), ouderlijke
overbescherming (ouders die zich te veel met hun kind bemoeien, zich te veel zorgen maken over
hun kind of hen onnodig helpen), drugsgebruik, seksueel gedrag, gokken en zorgen over
klimaatverandering, oorlog en het vinden van een toekomstige woning voor jongeren.
Hieronder wordt beschreven hoe geboortegeslacht, genderidentiteit, leeftijd,
migratieachtergrond, gezinsvorm en gezinswelvaart zijn uitgevraagd en gerapporteerd. De
operationalisatie en rapportage van de overige onderwerpen zijn opgenomen in de bijlage.
DE DATAVERZAMELING
AFNAME VAN DE VRAGENLIJST
Getrainde onderzoeksassistenten van het Trimbos-instituut hebben tussen oktober en half
december 2025 de vragenlijsten klassikaal afgenomen. De onderzoeksassistenten gaven de
leerlingen vooraf uitleg over het onderzoek, de vragenlijst en de anonimiteit van hun antwoorden.
Verder beantwoordden ze eventuele vragen van leerlingen. De leerkracht was tijdens de afname in
de klas aanwezig om toezicht en orde te houden. Leerlingen in het basisonderwijs vulden de
vragenlijst op papier in. Leerlingen in het voortgezet onderwijs vulden de vragenlijst in op de
computer, laptop of tablet (95%). Als dat niet mogelijk was, vulden leerlingen de vragenlijst op
papier in (5%). Aan het einde van de vragenlijst stond vermeld waar leerlingen terecht konden als zij
vragen hadden of als zij met iemand wilden praten. Leerlingen konden vragen overslaan als zij deze
METHODE VAN HET ONDERZOEK 13
niet wilden beantwoorden. De onderzoeksassistent informeerde de leerlingen hierover vóór het
invullen van de vragenlijst. Wanneer een leerling digitaal een vraag wilde overslaan, verscheen een
controlevraag om te bevestigen dat dit de bedoeling was. Zo werd voorkomen dat leerlingen
onbedoeld vragen zouden overslaan.
ETHISCHE TOETSING EN ANONIMITEIT
De Ethische Toetsingscommissie van het Trimbos-instituut heeft het onderzoek ethisch beoordeeld
en goedgekeurd. Leerlingen konden zelf beslissen of zij mee wilden doen en vulden de vragenlijst
anoniem in. Dit betekent dat gegevens niet te herleiden zijn tot een leerling, klas of school.
INFORMEREN VAN OUDERS
Scholen informeerden de ouders van leerlingen uit deelnemende klassen minstens één week voor
de vragenlijstafname over het onderzoek met een informatiefolder. Als ouders niet wilden dat hun
kind meedeed aan het onderzoek, konden zij dit doorgeven aan de leerkracht of mentor van het
kind. Het kind deed dan niet mee met het onderzoek. In totaal deden 14 leerlingen in het
basisonderwijs en 47 leerlingen in het voortgezet onderwijs niet mee met het onderzoek omdat hun
ouders bezwaar hadden.
DE GEWOGEN STEEKPROEF
De steekproef van het basisonderwijs en voortgezet onderwijs is gewogen. Dit betekent dat er
gecorrigeerd is voor kleine afwijkingen van de steekproef vergeleken met de populatieverdeling van
jongeren in Nederland (voor verdere toelichting zie Analyses). Tabel 1.2 laat de
achtergrondkenmerken van de gewogen steekproef zien voor groep 8 van het basisonderwijs en
leerlingen van 12 tot en met 16 jaar in het voortgezet onderwijs.
GESLACHT EN LEEFTIJD
Aan leerlingen is gevraagd of zij als jongen of als meisje zijn geboren. Op basis van het
gerapporteerde geboortegeslacht is in dit rapport onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes.
Naast het geboortegeslacht is ook gevraagd naar de genderidentiteit van leerlingen (zie bijlage). In
hoofdstuk 7 wordt hier nader op ingegaan.
De steekproef van zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs bestaat voor
ongeveer de helft uit jongens. Leerlingen in het basisonderwijs waren gemiddeld 11,0 jaar op het
moment van afname. In het voortgezet onderwijs was de gemiddelde leeftijd van de leerlingen van
12 tot en met 16 jaar 13,8 jaar. Leerlingen van 10 en 11 jaar in het voortgezet onderwijs zijn voor de
analyses meegenomen in de groep 12-jarigen (n = 114).
STEDELIJKHEID
Stedelijkheid is bepaald aan de hand van de vier cijfers van de postcode van de school voor
leerlingen in het basisonderwijs en aan de hand van de vier cijfers van de postcode of de
woonplaats van de leerling voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Om te waarborgen dat de
14 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
gegevens niet herleidbaar waren tot individuele leerlingen, zijn de postcode of woonplaats direct
omgezet naar een gemeentecode en niet opgeslagen in de dataset. Op basis van deze
gemeentecode is het stedelijkheidsniveau bepaald. Van de leerlingen in zowel het basisonderwijs
als het voortgezet onderwijs woont 55 procent in een (zeer) sterk stedelijk gebied.
SCHOOLNIVEAU
In het voortgezet onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen vier schoolniveaus: vmbo basisberoepsgerichte leerweg en/of kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-b/k), vmbo-gemengde
en/of theoretische leerweg (vmbo-g/t), havo en vwo. Als een leerling twee schoolniveaus heeft
aangegeven, bijvoorbeeld omdat de leerling in een combinatieklas zat, dan is de leerling voor de
analyses bij het laagste schoolniveau ingedeeld. Zo is een leerling in een brugklas havo/vwo
ingedeeld bij de havo. In de steekproef heeft 20 procent van de leerlingen het schoolniveau vmbo b/k, 26 procent vmbo-g/t, 29 procent volgt de havo en 25 procent gaat naar het vwo.
MIGRATIEACHTERGROND
Op basis van het geboorteland van ouders wordt onderscheid gemaakt tussen leerlingen met en
zonder een migratieachtergrond. Een leerling heeft geen migratieachtergrond als beide ouders in
Nederland zijn geboren. Een leerling heeft een migratieachtergrond als ten minste één van beide
ouders niet in Nederland is geboren. Hierbij is geen onderscheid gemaakt naar het land waarin de
ouder is geboren. In zowel het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs heeft ruim een kwart
van de leerlingen een migratieachtergrond (basisonderwijs: 29%, voortgezet onderwijs: 28%). In
zowel basisonderwijs als voortgezet onderwijs is 72 procent van de leerlingen met een
migratieachtergrond zelf in Nederland geboren.
GEZINSWELVAART
Gezinswelvaart is bepaald door te vragen naar concrete bezittingen (zoals het aantal auto’s en
computers van het gezin), kenmerken van het huis (een eigen slaapkamer, het aantal badkamers en
het hebben van een vaatwasser) en het aantal keer dat het gezin in het afgelopen jaar naar het
buitenland op vakantie is geweest. Samen vormen deze vragen een gezinswelvaartsschaal (Family
Affluence Scale, FAS-III, Torsheim e.a., 2016). In dit rapport wordt onderscheid gemaakt tussen
leerlingen uit een gezin met een lage welvaart, gemiddelde welvaart en een hoge welvaart. De
meeste leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs hebben een gemiddelde of hoge
welvaart.
GEZINSVORM
Gezinsvorm is bepaald aan de hand van de woonsituatie van de leerling. Leerlingen is gevraagd
welke personen wonen in het huis waar zij het vaakst verblijven en of zij daarnaast ook nog
ergens anders wonen. Op basis hiervan is de gezinsvorm in 2025 ingedeeld in drie categorieën:
(1) leerlingen die met beide ouders in één huis wonen, (2) leerlingen die bij één ouder wonen
(eventueel met een stiefouder) en aangeven in het weekend of vaker ook in een ander huishouden
te wonen (dubbele gezinssituatie), en (3) leerlingen die bij één ouder wonen (eventueel met een
stiefouder) en die aangeven niet ergens anders te wonen.
METHODE VAN HET ONDERZOEK 15
In het basisonderwijs woont 80 procent van de leerlingen met beide ouders in één huis. In
het voortgezet onderwijs is dat 77 procent. Van de leerlingen die niet met beide ouders in één huis
wonen, woont de grootste groep bij hun moeder, zonder stiefouder. Dit geldt zowel voor leerlingen
in een dubbele gezinssituatie als voor leerlingen die uitsluitend bij één ouder wonen.
TABEL 1.2 Sociaal-demografische gegevens en achtergrondkenmerken (gewogen aantallen en percentages,
basisonderwijs en voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar)
| AWAR | BASISONDERWIJS D | VOORTGEZET ONDERWIJS |
|---|---|---|
| N1 % | N1 % | |
| Totaal | 1510 | 5103 |
GESLACHT
| Jongen 2014-2025 | 755 50,0 | 2621 51,4 |
|---|---|---|
| Meisje | 755 50,0 | 2482 48,6 |
STEDELIJKHEIDSNIVEAU
| (Zeer) sterk stedelijk | 833 55,2 | 2782 54,5 |
|---|---|---|
| Matig | 260 17,2 | 878 17,2 |
| (Zeer) weinig stedelijk | 417 27,6 | 1443 28,3 |
SCHOOLNIVEAU
| Vmbo-b/k | - - | 1022 20,0 CONGRE |
|---|---|---|
| Vmbo-g/t | - - | 1307 25,6 |
| Havo | - - | 1495 29,3 |
| Vwo | - - | 1279 25,1 |
MIGRATIEACHTERGROND
| Zonder oede de Jong | 1071 70,9 2020: Jan | 3648 71,6 Filedt Kok |
|---|---|---|
| Met | 439 29,1 | 1448 28,4 |
GEZINSWELVAART
| Laag | 69 5,3 | 341 7,1 |
|---|---|---|
| Midden | 557 42,7 | 2037 42,3 |
| Hoog | 680 52,1 | 2439 50,6 |
GEZINSVORM
| 1 Door weging en missende waarden is het mogelijk dat de aantallen niet precies optellen tot het totaal | Col2 |
|---|
| Woont met beide ouders in één huis geen winnaar) | 1168 80,0 2023: Han | 3831 76,9 s van Duin |
|---|---|---|
| Dubbele gezinssituatie | 156 10,7 | 529 10,6 |
| Woont bij één ouder | 135 9,3 | 625 12,5 |
16 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
ANALYSES
WEGING EN CORRECTIE VOOR CLUSTEREFFECTEN
Alle gegevens uit dit rapport zijn gewogen. Dit betekent dat er gecorrigeerd is voor kleine
afwijkingen van de steekproef vergeleken met de populatieverdeling van jongeren in Nederland.
Voor het basisonderwijs is er gewogen op geslacht en stedelijkheidsniveau. Voor het voortgezet
onderwijs is er gewogen op geslacht, leerjaar, schoolniveau en stedelijkheidsniveau. Voor de weging
is gebruik gemaakt van landelijke gegevens uit Statline van CBS. De weegfactor is berekend in R.
Verder is in de analyses gecorrigeerd voor clustereffecten. Clusters in dit onderzoek zijn groepen
leerlingen die onderling kenmerken met elkaar delen omdat ze op dezelfde school zitten. Alle
analyses zijn uitgevoerd in het statistische programma Stata (versie 18).
VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN
In dit rapport worden verschillende groepen (bijvoorbeeld jongens en meisjes) met elkaar
vergeleken. Alle verschillen die in de tekst worden benoemd, zijn statistisch significant tenzij anders
vermeld. Verschillen tussen groepen zijn statistisch getoetst met (logistische) regressieanalyses. Bij
alle toetsen is een p-waarde kleiner dan 0,05 aangehouden. Bij een significant verschil tussen
groepen is er dan maar een kleine kans (5%) dat dit verschil toeval is.
Als twee groepen met elkaar worden vergeleken in een tabel, dan wordt een significant
verschil vetgedrukt of met een sterretje (*) aangegeven. Als meerdere groepen met elkaar worden
vergeleken (bijvoorbeeld verschillende schoolniveaus), dan wordt met verschillende letters
(superscripten a, b, c, d) aangegeven welke groepen van elkaar verschillen. Verschillende letters
geven aan dat twee groepen van elkaar verschillen (zie Tabel 1.3 voor een voorbeeld). Significante
leeftijdsverschillen worden niet in tabellen aangegeven, maar in grote lijn in de tekst van het
desbetreffende hoofdstuk besproken. Bij een vergelijking van meerdere groepen is een Bonferroni correctie toegepast. De Bonferroni-correctie houdt rekening met het aantal toetsen. Deze manier
van toetsen kan als conservatief worden omschreven.
TABEL 1.3 Voorbeeld van notering voor verschillen tussen meer dan 2 groepen
| Col1 | Col2 |
|---|---|
| VMBO-B/K VMBO-G/T HAVO VWO | |
| 1 | 15.4a 6.9b 5.2b 0.9c |
| 2 | 80.2a 71.3ab 62.4bc 50.5c |
| 3 | 14.5a 8.4ab 10.4a 3.0b |
Verschillende letters geven significante verschillen tussen groepen weer. Dus: Rij 1: Vmbo-b/k verschilt van alle andere niveaus
Vmbo-g/t en havo verschillen niet van elkaar maar verschillen wel van vmbo-b/k en vwo Vwo verschilt van alle andere schoolniveaus Rij 2: Vmbo-b/k verschilt niet van vmbo-g/t, maar verschilt wel van havo en vwo
Vmbo-g/t verschilt niet van vmbo-b/k en havo, maar verschilt wel van vwo Havo verschilt van vmbo-b/k maar niet van de andere schoolniveaus Vwo verschilt niet van havo maar wel van vmbo-b/k en vmbo-g/t Rij 3: De eerste drie schoolniveaus verschillen niet van elkaar
Vwo verschilt van vmbo-b/k en havo, maar niet van vmbo-g/t
METHODE VAN HET ONDERZOEK 17
VERGELIJKING MET EERDERE JAREN
In ieder hoofdstuk vergelijken we de resultaten van HBSC 2025 met die van eerdere HBSC onderzoeken. In de hoofdstukken 4, 6, 7 en 8 vergelijken we de resultaten van het voortgezet
onderwijs ook met het Peilstationsonderzoek Scholieren van 2019 en 2023 (Rombouts e.a., 2020,
Rombouts e.a., 2024).
Omdat het HBSC-onderzoek vanaf 2001 in groep 8 van het basisonderwijs is uitgevoerd, is
deze vergelijking goed te maken voor scholieren in het basisonderwijs. In het voortgezet onderwijs
is de steekproefsamenstelling in 2017 echter gewijzigd. De HBSC-onderzoeken van 2001 tot en met
2013 zijn uitgevoerd onder leerlingen in de eerste vier leerjaren van het voortgezet onderwijs.
Hierdoor maakte slechts een deel van de 16-jarigen deel uit van de steekproef, omdat veel
16-jarigen in het vijfde leerjaar van het voortgezet onderwijs zitten. Vanaf 2017 is de steekproef
daarom uitgebreid naar alle leerjaren van het voortgezet onderwijs. Hierdoor zijn de gegevens vanaf
2017 representatief voor alle middelbare schoolleerlingen van 12 tot en met 16 jaar, ongeacht het
leerjaar waarin zij zitten. Dit betekent ook dat de onderzoeksgroep tussen 2001 en 2013 niet
helemaal vergelijkbaar is met de onderzoeksgroep van 2017, 2021 en 2025. Om de wijziging in de
steekproefsamenstelling te ondervangen, zijn de trendcijfers in de HBSC-rapporten van 2017 en
2021 uitsluitend gebaseerd op de leerlingen uit de eerste vier leerjaren van het voortgezet
onderwijs. In dit rapport is daar niet langer voor gekozen, omdat de trendcijfers dan afwijken van de
kerncijfers die aan het begin van ieder hoofdstuk worden gerapporteerd, wat verwarring kan
opleveren bij de lezer. Dit betekent wel dat er sprake is van een trendbreuk tussen 2013 en 2017
(aangegeven met een verticale lijn in de trendtabel). De periodes 2001-2013 en 2017-2025 zijn
daarom apart geanalyseerd. Binnen elke periode is onderzocht in hoeverre de uitkomsten
verschillen van de uitkomsten van de meting vier jaar daarvoor. Vanwege de trendbreuk is de
meting van 2017 niet rechtstreeks vergeleken met die van 2013.
Net als in voorgaande rapporten zijn de trendanalyses uitgevoerd met een Bonferroni correctie, waarmee rekening wordt gehouden met het aantal vergelijkingen dat is gemaakt. In 2025
zijn de analyses voor alle jaren opnieuw uitgevoerd, maar omdat er een jaar bij is gekomen (2025)
en omdat aparte vergelijkingen gemaakt worden voor de periodes 2001-2013 en 2017-2025 in het
voortgezet onderwijs, verschilt het aantal vergelijkingen van het aantal vergelijkingen dat in eerdere
rapporten is gemaakt. Het gevolg hiervan kan zijn dat de resultaten uit dit rapport licht afwijken van
de resultaten uit eerdere rapporten.
GEBRUIK VAN HBSC-GEGEVENS IN NATIONALE MONITORS
DE LEEFSTIJLMONITOR EN BRONVERMELDING
De Leefstijlmonitor (LSM) bundelt cijfers over leefstijl van kinderen, jongeren en volwassenen in
Nederland (www.rivm.nl/leefstijlmonitor). Hiervoor worden verschillende landelijke monitors
gebruikt. Sinds 2017 worden cijfers over middelengebruik (alcohol, roken, vapen, cannabis en XTC)
en seksuele gezondheid van het HBSC-onderzoek gebruikt in de LSM als kerncijfers voor scholieren
in het regulier onderwijs in de leeftijd van 12 tot en met 16 jaar (RIVM, 2026a). Naast het HBSC onderzoek levert ook het Peilstationsonderzoek Scholieren (Rombouts e.a., 2024) deze cijfers. Beide
18 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
onderzoeken vinden om de twee jaar plaats en kunnen goed met elkaar vergeleken worden
door afstemming van de steekproef, vraagstelling en de uitgevoerde analyses. Omdat de HBSC
cijfers over middelengebruik en seksuele gezondheid onderdeel zijn van de LSM, wordt voor
directe verwijzingen naar deze cijfers de volgende bronvermelding gebruikt: ‘HBSC-Nederland/
Leefstijlmonitor, UU en Trimbos-instituut i.s.m. RIVM, 2025’. Voor directe verwijzingen naar de
overige cijfers in dit rapport geldt de volgende bronvermelding: ‘HBSC-Nederland, UU en
Trimbos-instituut, 2025’.
DE STAAT VAN VOLKSGEZONDHEID EN ZORG
[De Staat van Volksgezondheid en Zorg (Staat VenZ, www.staatvenz.nl) zorgt ook voor eenduidige](http://www.staatvenz.nl/)
cijfers op het gebied van volksgezondheid, zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugd. Het
HBSC-onderzoek levert hiervoor verschillende cijfers over de jeugd, waaronder middelengebruik,
seksueel gedrag, mentale gezondheid, druk door schoolwerk, pesten, levenstevredenheid,
problematisch socialemediagebruik en problematisch gamen.
METHODE VAN HET ONDERZOEK 19
Marlies Kapitein en Loïs Schenk
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN
OVERZICHT VAN DE BELANGRIJKSTE RESULTATEN
SAMEN ETEN
• In het basisonderwijs eet ongeveer de helft van de jongeren ten minste één keer per dag
gezamenlijk met het gezin. In het voortgezet onderwijs is dit 4 op de 10. Jongens eten vaker
dagelijks samen met het gezin dan meisjes.
STEUN VAN HET GEZIN
• De meeste jongeren in het basisonderwijs (80%) en voortgezet onderwijs (72%) ervaren veel
steun van het gezin. In het voortgezet onderwijs ervaren jongens meer steun van het gezin dan
meisjes.
• In het basisonderwijs is de ervaren steun van het gezin tussen 2017 en 2025 stabiel gebleven. In
het voortgezet onderwijs is na de daling in ervaren steun van het gezin in 2021 bij jongens
sprake van herstel: in 2025 is het niveau weer vergelijkbaar met dat van 2017. Bij meisjes blijft
dit herstel uit. Hun ervaren gezinssteun ligt in 2025 nog steeds onder het niveau van 2017 en is
sinds 2021 niet veranderd.
OUDERLIJKE OVERBESCHERMING
• In het voortgezet onderwijs ervaart bijna een kwart van de jongeren ouderlijke overbescherming.
Dit aandeel neemt toe met de leeftijd.
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET OUDERS
• De meeste jongeren in het basisonderwijs kunnen makkelijk met hun vader (88%) en moeder
(93%) praten over hun zorgen. Ook in het voortgezet onderwijs geldt dat de meeste jongeren
makkelijk met hun ouders kunnen praten, al liggen de percentages hier ongeveer 5 procentpunt
lager. Jongens geven vaker aan makkelijk met hun ouders te kunnen praten dan meisjes.
• Na de daling in 2021 is het percentage jongeren in het basisonderwijs dat makkelijk met hun
vader kan praten in 2025 weer hersteld tot het niveau van 2017. In het voortgezet onderwijs is
het percentage jongens dat makkelijk met hun vader kan praten toegenomen tussen 2021 en
2025. Bij meisjes in het voortgezet onderwijs zien we hierin geen veranderingen.
21 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
• Bij jongens in het voortgezet onderwijs zijn geen veranderingen zichtbaar in het makkelijk
kunnen praten met hun moeder. Bij meisjes was in 2021 sprake van een afname ten opzichte
van 2017; deze is in 2025 nog niet hersteld.
STEUN VAN VRIENDEN
• Een meerderheid van de leerlingen in het basisonderwijs (64%) en het voortgezet onderwijs
(56%) ervaart veel steun van hun vrienden. Meisjes ervaren vaker veel steun van hun vrienden
dan jongens.
• Leerlingen in het voortgezet onderwijs en meisjes in het basisonderwijs ervaren minder steun
van vrienden dan in 2017, ten opzichte van 2021 is dit percentage niet veranderd.
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET BESTE VRIEND(IN)
• De meeste leerlingen in het basisonderwijs (85%) en het voortgezet onderwijs (89%) kunnen
makkelijk met hun beste vriend of vriendin praten over hun zorgen. Meisjes geven vaker aan dat
zij makkelijk kunnen praten met hun beste vriend(in) dan jongens.
• Het percentage jongeren dat makkelijk met hun beste vriend(in) kan praten is over de tijd
grotendeels stabiel. Een uitzondering vormen jongens in het voortgezet onderwijs: zij geven in
2025 vaker aan makkelijk met hun beste vriend(in) te kunnen praten dan in 2017. Ten opzichte
van 2021 is dit percentage niet veranderd.
PRATEN OVER PROBLEMEN EN CO-RUMINATIE
• In het voortgezet onderwijs geeft 86 procent van de leerlingen aan lang over problemen te
praten met hun beste vriend of vriendin. Meisjes doen dit vaker dan jongens.
• Van de jongeren die lang over hun problemen praten met hun beste vriend of vriendin, rapporteert
bijna 4 op de 10 dat zij hun zorgen, problemen en negatieve emoties excessief bespreken (co rumineren). Co-ruminatie neemt toe met de leeftijd en komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens.
VERSCHILLEN NAAR ACHTERGRONDKENMERKEN
• Vwo-leerlingen ervaren de meeste steun van hun gezin en vrienden. Vmbo-leerlingen ervaren
minder steun, terwijl havo-leerlingen een tussenpositie innemen. Vmbo-leerlingen ervaren vaker
ouderlijke overbescherming dan havo- en vwo-leerlingen. Vmbob/kleerlingen eten het vaakst
dagelijks samen met hun gezin.
• Jongeren met een migratieachtergrond ervaren minder steun van hun gezin en vrienden, meer
ouderlijke overbescherming en geven minder vaak aan makkelijk met familieleden te kunnen praten
dan jongeren zonder migratieachtergrond. Zij praten ook minder vaak lang over hun problemen
met hun beste vriend of vriendin, maar als zij dit doen, komt co-ruminatie juist vaker voor.
• Hoe hoger de gezinswelvaart, des te meer steun jongeren ervaren van hun gezin en vrienden en
des te makkelijker kunnen zij praten met familieleden en hun beste vriend(in).
• Jongeren die met beide ouders in één huis wonen eten het vaakst dagelijks samen met hun
gezin, ervaren meer steun van gezin en vrienden, minder ouderlijke overbescherming en kunnen
vaker makkelijk praten met familieleden, vergeleken met jongeren in andere gezinssituaties.
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 22
KERNCIJFERS
SAMEN ETEN
Een indicatie van de kwaliteit van de relatie met gezinsleden is de mate waarin jongeren samen met
hun gezin eten. Ongeveer de helft van de basisschoolleerlingen van groep 8 eet elke dag ten minste
één keer gezamenlijk met hun gezin (Tabel 2.1). In het voortgezet onderwijs ligt dit lager: daar geldt
dit voor bijna 4 op de 10 leerlingen. Het percentage jongeren dat elke dag gezamenlijk met hun gezin
eet, neemt af met de leeftijd: van 42 procent op 12-jarige leeftijd tot 33 procent op 16-jarige leeftijd.
Jongens geven vaker aan tenminste één keer per dag samen met hun gezin te eten dan meisjes.
STEUN VAN HET GEZIN
De meerderheid van de jongeren geeft aan dat zij veel steun van hun gezin ontvangen (Tabel 2.1).
Basisschoolleerlingen geven dit vaker aan dan middelbare scholieren (80 versus 72%). Tussen de
leeftijd van 12 en 15 jaar neemt de ervaren steun van het gezin af met ruim 10 procentpunten.
Hoewel het percentage 16-jarigen dat veel steun ervaart van het gezin hoger lijkt dan dat van de
15-jarigen, is dit verschil niet significant. In het voortgezet onderwijs geven jongens vaker aan veel
steun van het gezin te ontvangen dan meisjes.
OUDERLIJKE OVERBESCHERMING
In het voortgezet onderwijs ervaart bijna een kwart van de jongeren ouderlijke overbescherming
(Tabel 2.1). Tussen de leeftijd van 12 en 14 jaar stijgt het percentage jongeren dat ouderlijke
overbescherming ervaart van 16 naar 24 procent, waarna het stabiel blijft.
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET GEZINSLEDEN
Ouders
De meeste leerlingen geven aan dat ze (heel) makkelijk met hun ouders kunnen praten over dingen
waar ze zich zorgen over maken (Tabel 2.1). Leerlingen in het basisonderwijs zeggen dit vaker dan
leerlingen in het voortgezet onderwijs, en dit geldt zowel voor het praten met vader (88 versus 82%)
als met moeder (93 versus 88%). Tussen de leeftijd van 12 en 14 jaar daalt het percentage jongeren
dat makkelijk met hun ouders kan praten, waarna het stabiel blijft. Jongens geven vaker aan dat ze
makkelijk hun zorgen kunnen delen met hun ouders dan meisjes.
Stiefouders
In zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs heeft 19 procent van de leerlingen een
stiefvader. In het basisonderwijs heeft 19 procent van de leerlingen een stiefmoeder, in het
voortgezet onderwijs is dit 18 procent. Ongeveer 6 op de 10 leerlingen geeft aan (heel) makkelijk te
kunnen praten met hun stiefouder over de dingen waar ze zich zorgen over maken. In het
voortgezet onderwijs geven jongens dit vaker aan dan meisjes.
Opa of oma
In het basisonderwijs geeft 96 procent van de leerlingen aan een opa of oma te hebben. In het
voortgezet onderwijs is dit 92 procent. Ongeveer 3 op de 4 leerlingen geeft aan dat ze (heel)
23 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
makkelijk kunnen praten met hun opa of oma. Dit percentage neemt af met de leeftijd: van
76 procent onder 12-jarigen tot 68 procent onder 16-jarigen. Jongens geven vaker aan dat ze
makkelijk met hun opa of oma kunnen praten dan meisjes.
Een andere volwassene
Leerlingen is ook gevraagd hoe makkelijk het voor hen is om met een andere volwassene te praten
over dingen waar ze zich zorgen over maken. Van de leerlingen die deze vraag hebben beantwoord
(85%), geeft bijna de helft aan dat zij (heel) makkelijk met een andere volwassene over hun zorgen
kunnen praten. Dit geldt zowel voor leerlingen in het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs.
Het percentage dat (heel) makkelijk met een andere volwassene kan praten, neemt toe met de
leeftijd: van 42 procent onder 12-jarigen tot 54 procent onder 15-jarigen. In het voortgezet
onderwijs geven jongens vaker aan makkelijk met een andere volwassene te kunnen praten
dan meisjes.
Broer of zus
Tot slot, in het basisonderwijs geeft 92 procent van de leerlingen aan een broer of zus te hebben. In
het voortgezet onderwijs is dit 91 procent. Ongeveer driekwart van de leerlingen geeft aan dat ze
(heel) makkelijk kunnen praten met hun broer of zus. Middelbare scholieren geven dit
vaker aan dan leerlingen van groep 8 (75 versus 72%). In het voortgezet onderwijs geven jongens
vaker aan makkelijk met hun broer of zus te kunnen praten dan meisjes.
STEUN VAN VRIENDEN
De meerderheid van de leerlingen geeft aan dat zij veel steun van hun vrienden ontvangen
(Tabel 2.1). Basisschoolleerlingen geven dit vaker aan dan middelbare scholieren (64 versus 56%).
Meisjes geven vaker aan veel steun van hun vrienden te ontvangen dan jongens.
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET BESTE VRIEND(IN)
De meeste jongeren geven aan dat ze (heel) makkelijk met hun beste vriend of vriendin
kunnen praten over dingen waar ze zich zorgen over maken (Tabel 2.1). Jongeren in het
voortgezet onderwijs zeggen dit vaker dan jongeren in het basisonderwijs (89 versus 85%).
Meisjes geven vaker aan dat ze (heel) makkelijk met hun vriend of vriendin kunnen praten
dan jongens.
PRATEN OVER PROBLEMEN EN CO-RUMINATIE
In het voortgezet onderwijs geeft 86 procent van de leerlingen aan lang over hun problemen te
praten met hun beste vriend of vriendin. Dit percentage neemt toe met de leeftijd: van 85 procent
onder 12-jarigen tot 90 procent onder 16-jarigen. Meisjes rapporteren vaker lang over hun
problemen te praten met hun beste vriend of vriendin dan jongens (93 versus 79%).
Van de jongeren die lang over hun problemen praten met hun beste vriend of vriendin,
rapporteert bijna 4 op de 10 co-ruminatie (Tabel 2.1). Co-ruminatie verwijst naar het excessief
bespreken van zorgen en problemen en negatieve emoties met een beste vriend of vriendin.
Co-ruminatie neemt toe met de leeftijd: van 34 procent onder 12-jarigen tot 45 procent onder
16-jarigen. Co-ruminatie komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens (46 versus 29%).
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 24
TABEL 2.1 Relatie met gezinsleden en vrienden naar onderwijstype, geslacht en leeftijd
(%, basisonderwijs groep 8 n=1510, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar n=5103)
| Col1 | Col2 | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| GESLACHT | GESLACHT | LEEFTIJD3 | |
| J M1 TOT | J M1 TOT2 | 12 JR 13 JR 14 JR 15 JR 16 JR |
GEZIN
| N heeft 74 | leden en éé | n erelid, verd | eeld over elf provinci |
|---|---|---|---|
| Het gezin geeft veel steun (schaal)4 | 80,8 80,0 80,4 | 78,1 65,6* 72,0 | 78,2 73,2 70,0 66,6 72,4 |
| Ouderlijke overbescherming (schaal)4,5 | - - - | 22,8 22,6 22,7 | 16,4 22,0 24,4 27,3 24,0 |
| Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… |
| ..vader | 90,9 84,8* 87,8 | 89,2 74,2* 81,9 | 87,6 82,8 82,3 77,3 77,9 |
| ..moeder | 94,6 91,1* 92,9 | 92,3 83,9* 88,2 | 92,3 88,4 87,5 84,9 87,5 |
| ..stiefvader | 58,1 55,6 57,0 | 62,5 50,2* 57,4 | 50,3 62,3 59,1 58,6 55,2 |
| ..stiefmoeder | 54,6 60,5 57,1 | 68,4 52,8* 61,7 | 63,1 60,9 63,5 60,3 59,8 |
| ..opa/oma | 81,8 72,2* 77,0 | 80,5 66,9* 73,9 | 75,9 77,1 75,3 70,7 68,1 |
| ..een andere volwassene | 46,5 46,5 46,5 | 50,9 46,1* 48,5 | 42,3 48,3 47,1 53,8 53,1 |
| ..broer/zus | 72,2 71,2 71,7 | 77,5 73,1* 75,3 | 74,2 75,0 76,5 75,5 75,6 |
VRIENDEN
| ncie | Col2 | Kronkel, Utre | Nijmegen cht |
|---|---|---|---|
| Kan (heel) makkelijk praten met beste vriend/ vriendin | 81,8 87,1* 84,5 | 88,1 90,0* 89,0 | 86,0 89,4 90,5 90,0 89,3 |
| Praat lang over problemen met beste vriend/ vriendin5 | - - - | 78,8 92,5* 85,5 | 84,6 83,4 84,8 86,2 90,3 |
| % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) |
| Co-ruminatie (schaal)4,5,6 | - - - | 29,4 45,7* 38,0 | 34,1 34,0 38,6 40,4 45,0 |
1 * = verschil tussen jongens en meisjes is significant
2 vet = verschil tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs is significant
3 significante leeftijdsverschillen worden in grote lijnen in de tekst beschreven
4 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening)
5 niet gevraagd in het basisonderwijs
6 co-ruminatie: het excessief bespreken van zorgen en problemen en negatieve emoties met beste vriend/vriendin
25 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
VERSCHILLEN NAAR SCHOOLNIVEAU, MIGRATIEACHTERGROND, GEZINSWELVAART EN GEZINSVORM
SCHOOLNIVEAU
Voor samen eten met het gezin, steun van ouders, ouderlijke overbescherming en steun van
vrienden, zien we verschillen naar schoolniveau (Tabel 2.2). Havo- en vwo-leerlingen eten minder
vaak dagelijks samen met het gezin dan vmbo-b/k-leerlingen; vmbo-g/t-leerlingen nemen hierbij een
tussenpositie in. Verder ervaren havo- en vwo-leerlingen meer steun van het gezin en minder
ouderlijke overbescherming dan beide groepen vmbo-leerlingen. Bovendien ervaren vwo-leerlingen
meer steun van het gezin dan havo-leerlingen. Tot slot ervaren vwo-leerlingen meer steun van
vrienden dan vmbo-g/t-leerlingen.
TABEL 2.2 Relatie met gezinsleden en vrienden naar schoolniveau (%, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar
n=5103)
| Col1 | Col2 |
|---|---|
| VMBO-B/K VMBO-G/T HAVO VWO |
GEZIN
| Col1 | Col2 |
|---|---|
| Het gezin geeft veel steun (schaal)2 | 66,3a 67,7a 73,5b 79,3c |
| Ouderlijke overbescherming (schaal)2 | 26,2a 26,2a 20,5b 19,0b |
| Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… |
| ..vader | 79,8 80,8 82,7 83,7 |
| ..moeder | 87,3 87,3 88,2 89,9 |
| ..opa/oma | 76,5 74,3 73,7 71,7 |
| ..een andere volwassene | 50,7 49,2 48,8 46,0 |
VRIENDEN
| Col1 | Col2 |
|---|---|
| Kan (heel) makkelijk praten met beste vriend/vriendin | 89,6 88,8 87,9 90,1 |
| Praat lang over problemen met beste vriend/vriendin | 80,6a 86,1b 85,9b 88,2b |
% van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343)
Co-ruminatie (schaal) [2,3] 40,2 38,6 38,4 35,3
1 verschillende letters betekenen dat verschillen tussen de groepen significant zijn
2 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening)
3 co-ruminatie: het excessief bespreken van zorgen en problemen en negatieve emoties met beste vriend/vriendin
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 26
MIGRATIEACHTERGROND
Jongeren met een migratieachtergrond ervaren minder steun van het gezin en meer ouderlijke
overbescherming dan jongeren zonder migratieachtergrond (Tabel 2.3). Zij geven daarnaast minder
vaak aan dat zij makkelijk kunnen praten met hun vader, moeder en opa of oma dan jongeren
zonder migratieachtergrond. Ook ervaren jongeren met een migratieachtergrond minder steun van
vrienden. Tot slot praten zij minder vaak lang over hun problemen met hun beste vriend of vriendin,
maar als zij dit doen, dan co-rumineren jongeren met een migratieachtergrond juist vaker dan
jongeren zonder migratieachtergrond.
TABEL 2.3 Relatie met gezinsleden en vrienden naar migratieachtergrond, gezinswelvaart
en gezinsvorm (%, basisonderwijs groep 8 en voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar, n=6613)
| Upgraden Helderseweg Noord deel Kantorenpark Upgraden Helderseweg Noord deel excl. Kantoren | , incl. afr 40 - park 40 - MIGRATIE ACHTERGROND1 | 500 500 1.500 1.500 GEZINSWELVAART2 | - - - - - - - - GEZINSVORM2 |
|---|---|---|---|
| ZONDER MET | LAAG MIDDEN HOOG | WOONT BIJ BEIDE OUDERS IN ÉÉN HUIS HEEFT EEN DUBBELE GEZINS SITUATIE3 WOONT BIJ ÉÉN OUDER4 |
GEZIN
| gende voorzieningen Dagelijks samen eten met gezin | 41,3 42,5 | 40,3 41,4 41,1 | 42,9a 35,9b 39,3ab |
|---|---|---|---|
| Het gezin geeft veel steun (schaal)5 | 75,5 69,5* | 59,1a 71,7b 77,0c | 76,7a 65,2b 66,3b |
| Ouderlijke overbescherming (schaal)5,6 | 17,6 26,6* | 22,5 20,5 20,2 | 19,2a 22,0ab 23,3b |
| Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… | Kan (heel) makkelijk praten met… |
| ..vader | 84,7 78,8* | 72,4a 81,0b 85,5c | 86,0a 75,9b 66,1c |
| ..moeder | 90,0 86,8* | 80,4a 88,0b 90,8c | 90,7a 85,0b 83,8b |
| ..opa/oma | 75,3 72,5* | 70,2ab 72,6a 76,4b | 75,5a 71,4b 72,1ab |
| ..een andere volwassene | 48,1 48,2 | 46,8 47,2 49,8 | 48,7 43,6 48,6 |
VRIENDEN
| Mijn vrienden geven veel steun (schaal)5 | 60,1 51,1* | 46,5a 56,3b 60,4c | 58,9a 55,3ab 51,5b |
|---|---|---|---|
| Kan (heel) makkelijk praten met beste vriend/vriendin | 88,2 87,8 | 85,8ab 87,3a 89,6b | 88,6 87,7 86,1 |
| Praat lang over problemen met beste vriend/vriendin6 | 86,4 83,2* | 79,5a 84,7ab 87,1b | 86,2a 86,5a 81,4b |
| % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) | % van jongeren die lang over problemen praat met beste vriend/vriendin (n=4343) |
| Co-ruminatie (schaal)5,6,7 | 36,2 42,8* | 36,4 37,5 38,6 | 37,5 38,3 40,9 |
1 * = verschil op basis van migratieachtergrond is significant
2 verschillende letters betekenen dat verschillen tussen de groepen significant zijn
3 woont bij beide ouders, maar de ouders wonen in twee verschillende huizen (met of zonder een andere opvoeder)
4 woont bij één ouder (met of zonder een andere opvoeder)
5 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening)
6 niet gevraagd in het basisonderwijs
7 co-ruminatie: het excessief bespreken van zorgen en problemen en negatieve emoties met beste vriend/vriendin
27 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
GEZINSWELVAART
Hoe hoger de mate van gezinswelvaart, des te vaker jongeren veel steun van het gezin en vrienden
ervaren en des te vaker zij (heel) makkelijk kunnen praten met hun vader en moeder (Tabel 2.3).
Ook praten jongeren uit gezinnen met een hoge welvaart makkelijker met hun opa of oma en hun
beste vriend of vriendin dan jongeren uit gezinnen met een gemiddelde en lage welvaart. Het
verschil met jongeren met een lage gezinswelvaart is echter niet significant, mogelijk als gevolg van
de kleine omvang van deze groep.
GEZINSVORM
Jongeren die met beide ouders in één huis wonen eten vaker dagelijks samen met hun gezin en geven
vaker aan makkelijk met hun opa of oma te kunnen praten dan leerlingen met een dubbele
gezinssituatie (Tabel 2.3). Zij ervaren bovendien meer steun van het gezin en kunnen vaker makkelijk
met hun vader en moeder praten dan jongeren in de andere twee gezinsvormen. Ook ervaren jongeren
die met beide ouders in één huis wonen minder ouderlijke overbescherming en meer steun van
vrienden dan jongeren die bij één ouder wonen. Wanneer we jongeren met een dubbele gezinssituatie
vergelijken met jongeren die bij één ouder wonen, zien we dat jongeren met een dubbele gezinssituatie
vaker aangeven makkelijk met hun vader te kunnen praten dan leerlingen die bij één ouder wonen.
VERGELIJKING MET EERDERE JAREN
Trendgegevens zijn apart weergegeven voor het basisonderwijs (Tabel 2.4) en het voortgezet
onderwijs (Tabel 2.5). Er is sprake van een trendbreuk in het voortgezet onderwijs tussen 2013 en
2017 in verband met een verandering in de samenstelling van de steekproef. Voor meer informatie
over de trendbreuk, het testen en interpreteren van de trends verwijzen we naar hoofdstuk 1.
STEUN VAN HET GEZIN
In het basisonderwijs is de ervaren steun van het gezin sinds 2017 stabiel gebleven. In het
voortgezet onderwijs nam de ervaren steun van het gezin tussen 2017 en 2021 af bij zowel jongens
als meisjes (zie Figuur 2.1). Bij jongens is deze daling in 2025 volledig hersteld: het percentage dat
veel steun van het gezin ervaart steeg van 70 procent in 2021 naar 78 procent in 2025, waarmee het
niveau weer gelijk is aan dat van 2017. Bij meisjes is geen sprake van een dergelijk herstel. Het
percentage meisjes dat veel steun vanuit het gezin ervaart is in 2025 onveranderd ten opzichte van
2021 en ligt daarmee nog altijd lager dan in 2017 (66 versus 75%).
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET OUDERS
In het basisonderwijs is het percentage leerlingen dat aangeeft (heel) makkelijk met hun vader te
kunnen praten toegenomen van 83 procent in 2021 naar 88 procent in 2025. Daarmee is dit percentage
weer gelijk aan het niveau van 2017. In het voortgezet onderwijs zien we dat het percentage dat
makkelijk met hun vader kan praten onder jongens ook is toegenomen in 2025. Voor meisjes in het
voortgezet onderwijs is het percentage dat (heel) makkelijk met hun vader praat stabiel gebleven.
In het basisonderwijs is het percentage leerlingen dat aangeeft (heel) makkelijk met hun moeder
te kunnen praten sinds 2017 stabiel gebleven. Hetzelfde geldt voor jongens in het voortgezet onderwijs.
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 28
Bij meisjes in het voortgezet onderwijs daalde dit percentage tussen 2017 en 2021. In 2025 is deze
daling nog niet hersteld: het percentage meisjes dat aangeeft (heel) makkelijk met hun moeder te
kunnen praten, is niet veranderd ten opzichte van 2021 en ligt daarmee nog steeds lager dan in 2017.
FIGUUR 2.1 Trends in steun van het gezin
BASISONDERWIJS VOORTGEZET ONDERWIJS
% %
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40
2013 2017 2021 2025
2013 2017 2021 2025
Jongens: het gezin geeft veel steun Meisjes: het gezin geeft veel steun
STEUN VAN VRIENDEN
Voor jongens in het basisonderwijs is de ervaren steun van vrienden sinds 2017 stabiel. Onder
meisjes in het basisonderwijs zien we echter een geleidelijke afname van het percentage dat veel
steun van vrienden ervaart van 76 procent in 2017 naar 68 procent in 2025. In het voortgezet
onderwijs nam de ervaren steun van vrienden af tussen 2017 en 2021. In 2025 is deze daling nog
niet hersteld: het percentage leerlingen dat veel steun van vrienden ervaart is onveranderd ten
opzichte van 2021 en ligt daarmee nog steeds lager dan in 2017 (zie Figuur 2.2).
FIGUUR 2.2 Trends in steun van vrienden
BASISONDERWIJS VOORTGEZET ONDERWIJS
% %
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40
2013 2017 2021 2025
2013 2017 2021 2025
Jongens: vrienden geven veel steun Meisjes: vrienden geven veel steun
29 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
MAKKELIJK KUNNEN PRATEN MET BESTE VRIEND(IN)
In het basisonderwijs is het percentage leerlingen dat aangeeft (heel) makkelijk met hun beste
vriend of vriendin te kunnen praten sinds 2017 stabiel gebleven. Voor meisjes in het voortgezet
onderwijs geldt hetzelfde. Onder jongens in het voortgezet onderwijs nam het percentage dat
aangaf (heel) makkelijk met hun beste vriend of vriendin te kunnen praten toe tussen 2017 en 2021.
Na deze stijging bleef dit percentage tussen 2021 en 2025 stabiel.
TABEL 2.4 Trendgegevens 2001-2025 van relatie met gezinsleden en vrienden naar geslacht, basisonderwijs
groep 8 (%) [1,2,3]
1 * = significant verschil ten opzichte van meting ervóór
2 vet = significant verschil ten opzichte van 2025
3 aantallen per meting: 2001 n=1823, 2005 n=1673, 2009 n=1792, 2013 n=1597, 2017 n=1588, 2021 n=1525, 2025 n = 1510
4 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening)
RELATIE MET GEZINSLEDEN EN VRIENDEN 30
| TABEL 2.5 Trendgegevens 2001-2025 van relatie met gezinsleden en vrienden naar geslacht, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar (%)1,2,3,4 TOTAAL 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 75,4 68,0* 72,0* Kan (heel) makkelijk met vader praten 73,9 77,0 80,0 76,6* 82,5 80,4 81,9 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 88,9 90,1 90,5 87,5* 90,3 88,3* 88,2 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 64,3 64,0 57,2* 55,8 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 90,5 91,7 91,5 89,5* 88,2 88,9 89,0 JONGENS 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,2 76,1 70,3* 78,1* Kan (heel) makkelijk met vader praten 81,7 84,9* 85,4 82,5 87,7 86,3 89,2* Kan (heel) makkelijk met moeder praten 90,3 92,2 90,7 88,3 91,9 90,8 92,3 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 53,1 53,3 50,4 48,9 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 87,1 88,0 87,6 86,5 85,1 88,3* 88,1 MEISJES 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 74,8 65,6* 65,6 Kan (heel) makkelijk met vader praten 66,0 68,5 74,4* 70,3 77,0 74,2 74,2 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 87,4 87,9 90,2 86,8* 88,5 85,6* 83,9 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 75,7 75,2 64,4* 63,1 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 93,9 95,5 95,4 92,5* 91,3 89,4 90,0 1 * = significant verschil ten opzichte van meting ervóór 2 vet = significant verschil ten opzichte van 2025 (alleen voor de periode 2017-2025) 3 t/m 2013 op basis van leerjaar 1 t/m 4 van het voortgezet onderwijs. Vanaf 2017 op basis van alle scholieren van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs. 4 a antallen per meting: 2001 n=5517, 2005 n=5422, 2009 n=5642, 2013 n=5571, 2017 n=6718, 2021 n=5243, 2025 n=5103 5 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening) 31 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND | Col2 | Col3 |
|---|---|---|
| 31 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND TABEL 2.5Trendgegevens 2001-2025 van relatie met gezinsleden en vrienden naar geslacht, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar (%)1,2,3,4 TOTAAL 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 75,4 68,0* 72,0* Kan (heel) makkelijk met vader praten 73,9 77,0 80,0 76,6* 82,5 80,4 81,9 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 88,9 90,1 90,5 87,5* 90,3 88,3* 88,2 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 64,3 64,0 57,2* 55,8 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 90,5 91,7 91,5 89,5* 88,2 88,9 89,0 JONGENS 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,2 76,1 70,3* 78,1* Kan (heel) makkelijk met vader praten 81,7 84,9* 85,4 82,5 87,7 86,3 89,2* Kan (heel) makkelijk met moeder praten 90,3 92,2 90,7 88,3 91,9 90,8 92,3 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 53,1 53,3 50,4 48,9 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 87,1 88,0 87,6 86,5 85,1 88,3* 88,1 MEISJES 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 74,8 65,6* 65,6 Kan (heel) makkelijk met vader praten 66,0 68,5 74,4* 70,3 77,0 74,2 74,2 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 87,4 87,9 90,2 86,8* 88,5 85,6* 83,9 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 75,7 75,2 64,4* 63,1 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 93,9 95,5 95,4 92,5* 91,3 89,4 90,0 1 * = signifcant verschil ten opzichte van meting ervóór 2 vet = signifcant verschil ten opzichte van 2025 (alleen voor de periode 2017-2025) 3 t/m 2013 op basis van leerjaar 1 t/m 4 van het voortgezet onderwijs. Vanaf 2017 op basis van alle scholieren van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs. 4 aantallen per meting: 2001 n=5517, 2005 n=5422, 2009 n=5642, 2013 n=5571, 2017 n=6718, 2021 n=5243, 2025 n=5103 5 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening) | ||
| 31 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND TABEL 2.5Trendgegevens 2001-2025 van relatie met gezinsleden en vrienden naar geslacht, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar (%)1,2,3,4 TOTAAL 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 75,4 68,0* 72,0* Kan (heel) makkelijk met vader praten 73,9 77,0 80,0 76,6* 82,5 80,4 81,9 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 88,9 90,1 90,5 87,5* 90,3 88,3* 88,2 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 64,3 64,0 57,2* 55,8 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 90,5 91,7 91,5 89,5* 88,2 88,9 89,0 JONGENS 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,2 76,1 70,3* 78,1* Kan (heel) makkelijk met vader praten 81,7 84,9* 85,4 82,5 87,7 86,3 89,2* Kan (heel) makkelijk met moeder praten 90,3 92,2 90,7 88,3 91,9 90,8 92,3 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 53,1 53,3 50,4 48,9 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 87,1 88,0 87,6 86,5 85,1 88,3* 88,1 MEISJES 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 74,8 65,6* 65,6 Kan (heel) makkelijk met vader praten 66,0 68,5 74,4* 70,3 77,0 74,2 74,2 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 87,4 87,9 90,2 86,8* 88,5 85,6* 83,9 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 75,7 75,2 64,4* 63,1 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 93,9 95,5 95,4 92,5* 91,3 89,4 90,0 1 * = signifcant verschil ten opzichte van meting ervóór 2 vet = signifcant verschil ten opzichte van 2025 (alleen voor de periode 2017-2025) 3 t/m 2013 op basis van leerjaar 1 t/m 4 van het voortgezet onderwijs. Vanaf 2017 op basis van alle scholieren van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs. 4 aantallen per meting: 2001 n=5517, 2005 n=5422, 2009 n=5642, 2013 n=5571, 2017 n=6718, 2021 n=5243, 2025 n=5103 5 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening) | ||
| 31 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND TABEL 2.5Trendgegevens 2001-2025 van relatie met gezinsleden en vrienden naar geslacht, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar (%)1,2,3,4 TOTAAL 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 75,4 68,0* 72,0* Kan (heel) makkelijk met vader praten 73,9 77,0 80,0 76,6* 82,5 80,4 81,9 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 88,9 90,1 90,5 87,5* 90,3 88,3* 88,2 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 64,3 64,0 57,2* 55,8 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 90,5 91,7 91,5 89,5* 88,2 88,9 89,0 JONGENS 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,2 76,1 70,3* 78,1* Kan (heel) makkelijk met vader praten 81,7 84,9* 85,4 82,5 87,7 86,3 89,2* Kan (heel) makkelijk met moeder praten 90,3 92,2 90,7 88,3 91,9 90,8 92,3 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 53,1 53,3 50,4 48,9 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 87,1 88,0 87,6 86,5 85,1 88,3* 88,1 MEISJES 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 Het gezin geeft veel steun (schaal)5 - - - 69,3 74,8 65,6* 65,6 Kan (heel) makkelijk met vader praten 66,0 68,5 74,4* 70,3 77,0 74,2 74,2 Kan (heel) makkelijk met moeder praten 87,4 87,9 90,2 86,8* 88,5 85,6* 83,9 Vrienden geven veel steun (schaal)5 - - - 75,7 75,2 64,4* 63,1 Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten 93,9 95,5 95,4 92,5* 91,3 89,4 90,0 1 * = signifcant verschil ten opzichte van meting ervóór 2 vet = signifcant verschil ten opzichte van 2025 (alleen voor de periode 2017-2025) 3 t/m 2013 op basis van leerjaar 1 t/m 4 van het voortgezet onderwijs. Vanaf 2017 op basis van alle scholieren van 12 t/m 16 jaar in het voortgezet onderwijs. 4 aantallen per meting: 2001 n=5517, 2005 n=5422, 2009 n=5642, 2013 n=5571, 2017 n=6718, 2021 n=5243, 2025 n=5103 5 % met schaalscore gebaseerd op meerdere stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening) |
| Col1 | TOTAAL | Col3 |
|---|---|---|
| 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | |
| Het gezin geeft veel steun (schaal)5 | - - - 69,3 | 75,4 68,0* 72,0* |
| Kan (heel) makkelijk met vader praten | 73,9 77,0 80,0 76,6* | 82,5 80,4 81,9 |
| Kan (heel) makkelijk met moeder praten | 88,9 90,1 90,5 87,5* | 90,3 88,3* 88,2 |
| Vrienden geven veel steun (schaal)5 | - - - 64,3 | 64,0 57,2* 55,8 |
| Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten | 90,5 91,7 91,5 89,5* | 88,2 88,9 89,0 |
| JONGENS | JONGENS | |
| 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | |
| Het gezin geeft veel steun (schaal)5 | - - - 69,2 | 76,1 70,3* 78,1* |
| Kan (heel) makkelijk met vader praten | 81,7 84,9* 85,4 82,5 | 87,7 86,3 89,2* |
| Kan (heel) makkelijk met moeder praten | 90,3 92,2 90,7 88,3 | 91,9 90,8 92,3 |
| Vrienden geven veel steun (schaal)5 | - - - 53,1 | 53,3 50,4 48,9 |
| Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten | 87,1 88,0 87,6 86,5 | 85,1 88,3* 88,1 |
| MEISJES | MEISJES | |
| 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | 2001 2005 2009 2013 2017 2021 2025 | |
| Het gezin geeft veel steun (schaal)5 | - - - 69,3 | 74,8 65,6* 65,6 |
| Kan (heel) makkelijk met vader praten | 66,0 68,5 74,4* 70,3 | 77,0 74,2 74,2 |
| Kan (heel) makkelijk met moeder praten | 87,4 87,9 90,2 86,8* | 88,5 85,6* 83,9 |
| Vrienden geven veel steun (schaal)5 | - - - 75,7 | 75,2 64,4* 63,1 |
| Kan (heel) makkelijk met beste vriend(in) praten | 93,9 95,5 95,4 92,5* | 91,3 89,4 90,0 |
Marlies Kapitein en Gonneke Stevens
SCHOOLBELEVING EN PESTEN
OVERZICHT VAN DE BELANGRIJKSTE RESULTATEN
SCHOOLWAARDERING
• De meeste leerlingen vinden school (een beetje of heel) leuk: 84 procent in het basisonderwijs
en 64 procent in het voortgezet onderwijs.
• Het percentage leerlingen in het voortgezet onderwijs dat school leuk vindt, is tussen 2021 en
2025 gedaald van 72 naar 64 procent. Deze dalende trend is zichtbaar sinds 2013.
DRUK DOOR SCHOOLWERK
• In het basisonderwijs ervaart 1 op de 5 leerlingen (nogal) veel druk door schoolwerk. In het
voortgezet onderwijs gaat dit om bijna de helft van de leerlingen. Meisjes in het voortgezet
onderwijs ervaren aanzienlijk meer druk door schoolwerk dan jongens.
• In het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs is de druk door schoolwerk tussen 2021 en
2025 gelijk gebleven. De stijgende trend die ingezet is sinds 2009 is hiermee gestabiliseerd.
STRESS VAN HET SCHOOLADVIES
• In het basisonderwijs ervaart 1 op de 5 leerlingen (nogal) veel stress van het schooladvies.
Meisjes ervaren deze stress vaker dan jongens.
SFEER TUSSEN KLASGENOTEN
• De meeste leerlingen in het basisonderwijs (87%) en voortgezet onderwijs (75%) zijn positief over
de sfeer tussen klasgenoten. In het voortgezet onderwijs zijn jongens dat vaker dan meisjes.
• Meisjes in het voortgezet onderwijs zijn in 2025 minder positief over de sfeer tussen
klasgenoten dan in eerdere jaren: het percentage daalde van 84 procent in 2017 naar 71 procent
in 2025.
RELATIE MET LERAREN
• Bijna 9 op de 10 basisschoolleerlingen is (heel) positief over de relatie met leraren. In het
voortgezet onderwijs is dit lager: ongeveer 6 op de 10 leerlingen. In het voortgezet onderwijs
zijn jongens vaker positief over de relatie met leraren dan meisjes.
• Na de daling in 2021 bleef het percentage meisjes in het voortgezet onderwijs dat positief is
over de relatie met leraren stabiel. In 2025 ligt dit percentage dus nog steeds lager dan in 2017.
33 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
PESTEN EN GEPEST WORDEN
• Weinig leerlingen (ongeveer 3%) geven aan dat zij minstens twee keer per maand pesten op
school. Leerlingen geven vaker aan op school gepest te worden, namelijk 10 procent van de
basisschoolleerlingen en 7 procent van de middelbare scholieren.
• Online pesten wordt nog minder gerapporteerd: 1,1 procent van de basisschoolleerlingen en
3,7 procent van de middelbare scholieren geeft aan minstens twee keer per maand online te
pesten. In zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs geeft ongeveer 3 procent van
de leerlingen aan online gepest te worden.
• De percentages (online) pesten en (online) gepest worden zijn in 2025 vergelijkbaar met 2021, alleen
meisjes op de middelbare school worden in 2025 vaker gepest op school dan in 2021. Behalve voor
jongens in het basisonderwijs, zijn meerdere indicatoren van pesten in 2025 hoger dan in 2017.
VERSCHILLEN NAAR ACHTERGRONDKENMERKEN
• Vwo‑leerlingen zijn positiever over de sfeer tussen klasgenoten dan leerlingen in de andere
schoolniveaus, en zij vinden school leuker dan vmbo-b/k-leerlingen. Net als leerlingen op de
havo, pesten zij minder vaak en worden zij minder vaak gepest, zowel op school als online, dan
vmbo-b/k-leerlingen. Vwo- en havo-leerlingen ervaren wel vaker druk door schoolwerk dan
vmbo-b/k-leerlingen.
• Jongeren met een migratieachtergrond zijn minder positief over hun relatie met leraren. Zij
rapporteren daarnaast vaker dat zij (online) pesten en vaker dat zij online gepest worden dan
jongeren zonder migratieachtergrond.
• Jongeren met een lagere gezinswelvaart zijn over het algemeen minder positief over school, de
onderlinge sfeer tussen klasgenoten en hun relatie met leraren. Ook rapporteren zij vaker
(online) te pesten en (online) gepest te worden.
• Leerlingen die met beide ouders in één huis wonen, zijn positiever over school, ervaren minder
druk door schoolwerk, een positievere sfeer tussen klasgenoten, een betere relatie met leraren
en rapporteren minder vaak (online) te pesten of gepest te worden dan leerlingen die in een
andere gezinssituatie opgroeien.
KERNCIJFERS
SCHOOLWAARDERING
De meeste scholieren vinden school (een beetje of heel) leuk (Tabel 3.1). Leerlingen van groep 8 zijn
hier positiever over dan middelbare scholieren (84 versus 64%). In het voortgezet onderwijs daalt de
schoolwaardering aanzienlijk tussen het 12 [e] en 14 [e] jaar en blijft daarna stabiel.
ERVAREN DRUK DOOR SCHOOLWERK
De ervaren druk door schoolwerk verschilt sterk tussen de onderwijstypes. In het basisonderwijs ervaart
bijna 1 op de 5 leerlingen (nogal) veel druk door schoolwerk, tegenover bijna de helft van de leerlingen
in het voortgezet onderwijs (Tabel 3.1). Het percentage leerlingen dat druk door schoolwerk ervaart,
neemt toe met de leeftijd: van 34 procent onder de 12-jarigen tot 53 procent onder de 16-jarigen. In het
voortgezet onderwijs ervaren meisjes vaker druk door schoolwerk dan jongens (54 versus 36%).
SCHOOLBELEVING EN PESTEN 34
STRESS VAN HET SCHOOLADVIES IN HET BASISONDERWIJS
Bijna 1 op de 5 basisschoolleerlingen ervaart (nogal) veel stress van het schooladvies (Tabel 3.1).
Meisjes rapporteren deze stress vaker dan jongens (24 versus 16%).
SFEER TUSSEN KLASGENOTEN
De meerderheid van de leerlingen ervaart de onderlinge sfeer tussen klasgenoten als (heel) goed
(Tabel 3.1). Basisschoolleerlingen zijn daarbij positiever dan leerlingen in het voortgezet onderwijs
(87 versus 75%). Tussen de leeftijd van 12 en 13 jaar daalt het percentage jongeren dat de sfeer
tussen klasgenoten (heel) goed vindt, waarna dit percentage stabiel blijft. In het voortgezet
onderwijs zijn jongens positiever over de onderlinge sfeer in de klas dan meisjes.
TABEL 3.1 Schoolbeleving en pesten naar onderwijstype, geslacht en leeftijd
(%, basisonderwijs groep 8 n=1510, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar n=5103)
| Col1 | BASISONDERWIJS | VOORTGEZET ONDERWIJS | Col4 |
|---|---|---|---|
| GESLACHT | GESLACHT | LEEFTIJD3 | |
| J M1 TOT | J M1 TOT2 | 12 JR 13 JR 14 JR 15 JR 16 JR |
SCHOOLBELEVING
| School is (een beetje/heel) leuk | 82,3 85,1 83,7 | 63,5 65,1 64,3 | 80,3 65,1 57,6 58,5 59,0 |
|---|---|---|---|
| (Nogal) veel druk door schoolwerk | 18,5 18,9 18,7 | 35,7 54,0* 44,6 | 33,5 41,7 48,5 48,5 53,4 |
| (Nogal) veel stress van schooladvies | 15,9 23,9* 19,8 | - - - | - - - - - |
| Sfeer klasgenoten is (heel) goed (schaal)4 | 89,0 84,7 86,9 | 78,5 71,1* 74,8 | 82,4 72,9 71,5 72,2 76,1 |
| Relatie met leraren is (heel) goed (schaal)4 | 88,7 87,9 88,3 | 63,4 56,1* 59,8 | 73,7 58,6 57,7 53,0 55,4 |
PESTEN
| Heeft vaak gepest5 | 2,8 2,6 2,7 | 3,6 2,2* 2,9 | 2,2 4,0 3,2 3,3 1,5 |
|---|---|---|---|
| Heeft vaak online gepest5 | 1,3 0,9 1,1 | 5,4 1,8* 3,7 | 1,8 4,3 4,3 4,1 3,7 |
| Wordt vaak gepest5 | 8,9 10,9 9,9 | 6,4 7,5 6,9 | 7,3 10,0 5,9 6,5 4,2 |
| Wordt vaak online gepest5 | 2,4 3,4 2,9 | 3,4 3,5 3,4 | 3,6 4,1 3,4 3,6 1,8 |
1 * = verschil tussen jongens en meisjes is significant
2 vet = verschil tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs is significant
3 significante leeftijdsverschillen worden in grote lijnen in de tekst beschreven
4 % met schaalscore gebaseerd op 3 stellingen (zie bijlage voor alle stellingen en berekening)
5 vaak = minstens twee keer per maand in de laatste maanden
35 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
RELATIE MET LERAREN
Leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn minder positief over hun relatie met leraren dan leerlingen van
groep 8 (60 versus 88%; Tabel 3.1). Tussen de leeftijd van 12 en 13 jaar daalt het percentage jongeren dat
positief is over de relatie met leraren met ruim 15 procentpunten, waarna deze percentages nauwelijks
veranderen. In het voortgezet onderwijs zijn jongens positiever over hun relatie met leraren dan meisjes.
PESTEN EN GEPEST WORDEN
Leerlingen is gevraagd naar hun ervaringen met pesten en gepest worden, zowel op school als
online. We beschouwen pesten en gepest worden als ‘vaak’ wanneer dit in de afgelopen maanden
ten minste twee keer per maand is voorgekomen. Op de basisschool geeft 11 procent van de
leerlingen aan vaak online en/of op school gepest te worden (niet opgenomen in de Tabel). In het
voortgezet onderwijs ligt dit percentage lager, namelijk op 9 procent. Een uitgebreide beschrijving
van de gebruikte vragen staat in de bijlage.
Pesten
In zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs zegt ongeveer 3 procent van de leerlingen
vaak op school te pesten (Tabel 3.1). Vaak online pesten komt in het voortgezet onderwijs meer
voor dan in het basisonderwijs (3,7 versus 1,1%). In het voortgezet onderwijs is het percentage
jongens dat vaak (online) pest ongeveer twee keer zo hoog als bij meisjes.
Gepest worden
Leerlingen in het basisonderwijs worden vaker op school gepest dan leerlingen in het voortgezet
onderwijs (10 versus 7%; Tabel 3.1). Het percentage jongeren dat vaak wordt gepest is hoger op 13 dan op 14- en 16-jarige leeftijd. De percentages voor online gepest worden liggen wat lager dan
voor gepest worden op school: ongeveer 3 procent van de jongeren is in de afgelopen maanden
vaak online gepest. Er zijn geen verschillen in het percentage jongens en meisjes dat vaak online of
op school gepest wordt.
VERSCHILLEN NAAR SCHOOLNIVEAU, MIGRATIEACHTERGROND, GEZINSWELVAART EN GEZINSVORM
SCHOOLNIVEAU
Voor nagenoeg alle indicatoren van schoolbeleving en pesten zien we verschillen naar schoolniveau
(Tabel 3.2). Vwo-leerlingen vinden school vaker (een beetje of heel) leuk en rapporteren ook vaker
dat er een goede sfeer is tussen klasgenoten, vergeleken met vmbo-b/k-leerlingen. Vmbo-g/t- en
havo-leerlingen nemen hierin een tussenpositie in. Ook komen pesten en gepest worden, zowel op
school als online, het vaakst voor op het vmbo-b/k en het minst vaak op het vwo. Vwo- en havo leerlingen ervaren meer druk door schoolwerk dan vmbo-b/k-leerlingen. Wat betreft de relatie met
leraren, zijn er geen verschillen naar schoolniveau.
SCHOOLBELEVING EN PESTEN 36
TABEL 3.2 Schoolbeleving en pesten naar schoolniveau (%, voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar n=5103)
| Col1 | SCHOOLNIVEAU1 |
|---|---|
| VMBO-B/K VMBO-G/T HAVO VWO |
SCHOOLBELEVING
| School is (een beetje/heel) leuk | 57,2a 63,0ab 65,0ab 70,1b |
|---|---|
| (Nogal) veel druk door schoolwerk | 36,8a 40,8ab 49,2c 48,9bc |
| Sfeer klasgenoten is (heel) goed (schaal) | 66,0a 70,2ab 75,5b 85,1c |
| Relatie met leraren is (heel) goed (schaal) | 57,4 57,2 60,9 62,9 |
PESTEN
| Heeft vaak gepest2 | 5,6a 3,8a 2,0b 1,2b |
|---|---|
| Heeft vaak online gepest2 | 7,5a 3,9b 2,5b 1,9b |
| Wordt vaak gepest2 | 11,1a 8,4ab 5,5bc 4,0c |
| Wordt vaak online gepest2 | 6,7a 5,0a 1,7b 1,4b |
1 verschillende letters betekenen dat verschillen tussen de groepen significant zijn
2 vaak = minstens twee keer per maand in de laatste maanden
MIGRATIEACHTERGROND
Jongeren met een migratieachtergrond zijn negatiever over hun relatie met leraren dan jongeren
zonder migratieachtergrond (Tabel 3.3). Zij rapporteren daarnaast vaker dat zij (online) pesten en
vaker dat zij online gepest worden dan jongeren zonder migratieachtergrond.
GEZINSWELVAART
Jongeren uit gezinnen met een hoge en gemiddelde welvaart zijn positiever over school en de relatie
met hun leraren dan jongeren uit gezinnen met een lage welvaart (Tabel 3.3). Verder geldt dat, hoe
hoger de mate van gezinswelvaart, des te positiever jongeren zijn over de onderlinge sfeer tussen
klasgenoten en hoe minder vaak ze op school gepest worden. Leerlingen uit gezinnen met een hoge
en gemiddelde welvaart rapporteren tot slot minder vaak (online) te pesten en online gepest te
worden dan leerlingen uit gezinnen met een lage welvaart.
GEZINSVORM
Voor alle indicatoren van schoolbeleving en pesten zien we verschillen naar gezinsvorm. Leerlingen
die met beide ouders in één huis wonen zijn positiever over school en de onderlinge sfeer tussen
klasgenoten dan leerlingen die bij één ouder wonen (Tabel 3.3). Daarnaast ervaren leerlingen die
met beide ouders in één huis wonen minder druk door schoolwerk dan leerlingen met een dubbele
gezinssituatie. Zij zijn bovendien positiever over hun relatie met leraren dan leerlingen die
opgroeien in de andere twee gezinsvormen.
Leerlingen die met beide ouders in één huis wonen pesten minder vaak op school en worden
minder vaak online gepest dan leerlingen met een dubbele gezinssituatie. Ook worden zij minder
vaak gepest op school dan leerlingen die bij één ouder wonen. Leerlingen die met beide ouders in
37 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
één huis wonen pesten ten slotte minder vaak online dan leerlingen die opgroeien in de andere
twee gezinsvormen.
TABEL 3.3 Schoolbeleving en pesten naar migratieachtergrond, gezinswelvaart en
gezinsvorm (%, basisonderwijs groep 8 en voortgezet onderwijs 12 t/m 16 jaar, n=6613)
| Col1 | MIGRATIE– ACHTERGROND1 | GEZINSWELVAART2 | GEZINSVORM2 |
|---|---|---|---|
| ZONDER MET | LAAG MIDDEN HOOG | WOONT BIJ BEIDE OUDERS IN ÉÉN HUIS HEEFT EEN DUBBELE GEZINS– SITUATIE3 WOONT BIJ ÉÉN OUDER4 |
SCHOOLBELEVING
| School is (een beetje/heel) leuk | 67,8 68,9 | 60,4a 67,9b 68,8b | 69,4a 64,9ab 63,3b |
|---|---|---|---|
| (Nogal) veel druk door schoolwerk | 39,1 40,9 | 37,9 40,0 40,1 | 38,5a 45,1b 41,9ab |
| Sfeer klasgenoten is (heel) goed (schaal) | 77,8 75,7 | 69,0a 76,0b 79,1c | 78,5a 74,2ab 73,1b |
| Relatie met leraren is (heel) goed (schaal) | 66,5 62,3* | 57,0a 65,6b 65,9b | 67,2a 60,1b 58,3b |
PESTEN
| Heeft vaak gepest5 | 2,4 4,0* | 5,3a 2,6b 2,7b | 2,6a 4,2b 3,5ab |
|---|---|---|---|
| Heeft vaak online gepest5 | 2,4 5,0* | 6,5a 3,3b 2,6b | 2,5a 4,6b 4,8b |
| Wordt vaak gepest5 | 7,3 8,2 | 13,1a 8,0b 6,3c | 6,7a 8,9ab 9,8b |
| Wordt vaak online gepest5 | 2,6 5,0* | 7,9a 3,5b 2,5b | 2,9a 4,9b 4,4ab |
1 * = verschil op basis van migratieachtergrond is significant
2 verschillende letters betekenen dat verschillen tussen de groepen significant zijn
3 woont bij beide ouders, maar de ouders wonen in twee verschillende huizen (met of zonder een andere opvoeder)
4 woont bij één ouder (met of zonder een andere opvoeder)
5 vaak = minstens twee keer per maand in de laatste maanden
VERGELIJKING MET EERDERE JAREN
Trendgegevens voor schoolwaardering, ervaren druk door schoolwerk, onderlinge sfeer tussen
klasgenoten en pesten zijn beschikbaar vanaf 2001. De andere indicatoren zijn uitgevraagd vanaf een
later jaar. Trendgegevens zijn apart weergegeven voor het basisonderwijs (Tabel 3.4) en het voortgezet
onderwijs (Tabel 3.5). Er is sprake van een trendbreuk in het voortgezet onderwijs tussen 2013 en 2017
in verband met een verandering in de samenstelling van de steekproef. Voor meer informatie over de
trendbreuk, het testen en interpreteren van de trends verwijzen we naar hoofdstuk 1.
SCHOOLWAARDERING EN DRUK DOOR SCHOOLWERK
Leerlingen in het voortgezet onderwijs vinden school in 2025 minder leuk dan in eerdere jaren. Dat
geldt voor zowel jongens als meisjes (zie Figuur 3.1). De dalende trend in schoolwaardering is
SCHOOLBELEVING EN PESTEN 38
ingezet vanaf 2013, met een sterke daling in de afgelopen vier jaar (van 72 naar 64%). Voor
leerlingen in het basisonderwijs zijn deze percentages nagenoeg stabiel.
Het percentage leerlingen dat in 2025 (nogal) veel druk door schoolwerk ervaart, is in zowel
het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs niet veranderd ten opzichte van 2021. Tussen 2009
en 2021 nam het percentage leerlingen in het voortgezet onderwijs dat druk door schoolwerk
ervaart aanzienlijk toe. Op de basisschool was dit percentage stabiel tot 2017, waarna dit toenam
tussen 2017 en 2021.
FIGUUR 3.1 Trends in schoolwaardering en ervaren druk door schoolwerk
BASISONDERWIJS VOORTGEZET ONDERWIJS
% %
10 ~~0~~
7 ~~0~~ 6 ~~0~~ 5 ~~0~~ 4 ~~0~~ 3 ~~0~~
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
’01 ’05 ’09 ’13 ’17 ’21 ’25 ’01 ’05 ’09 ’13 ’17 ’21 ’25
Jongens: school is (een beetje/heel) leuk Meisjes: school is (een beetje/heel) leuk
Jongens: (nogal) veel druk door schoolwerk Meisjes: (nogal) veel druk door schoolwerk
SFEER TUSSEN KLASGENOTEN EN RELATIE MET LERAREN
In het basisonderwijs zien we dat de trend in ervaren sfeer tussen klasgenoten over het algemeen
stabiel is (zie Figuur 3.2). In het voortgezet onderwijs nam het percentage leerlingen dat de sfeer
onder klasgenoten goed vindt tussen 2001 en 2013 toe. Vanaf 2017 is er een daling in dit
percentage, vooral bij meisjes. Jongens zijn in 2025 even positief over de sfeer tussen klasgenoten
als in 2021, maar wel minder positief dan in 2017. Bij meisjes is de dalende trend sterker doorgezet.
In 2025 is het percentage meisjes dat de sfeer tussen klasgenoten als (heel) goed beoordeelt lager
dan in 2021 en 2017, met een afname van 84 procent in 2017 naar 71 procent in 2025.
Wat betreft de relatie met leraren zien we in de laatste jaren alleen veranderingen bij meisjes
in het voortgezet onderwijs. Na de daling in 2021 bleef het percentage meisjes dat positief is over
de relatie met leraren stabiel tussen 2021 en 2025. Daardoor ligt dit percentage in 2025 nog steeds
lager dan in 2017 (56 versus 62%).
39 HBSC 2025 - GEZONDHEID EN WELZIJN VAN JONGEREN IN NEDERLAND
FIGUUR 3.2 Trends in sfeer tussen klasgenoten
BASISONDERWIJS VOORTGEZET ONDERWIJS
% %
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50
100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50
’01 ’05 ’09 ’13 ’17 ’21 ’25 ’01 ’05 ’09 ’13 ’17 ’21 ’25
Jongens: sfeer klasgenoten is (heel) goed Meisjes: sfeer klasgenoten is (heel) goed
PESTEN EN GEPEST WORDEN
Globaal gezien nam het percentage leerlingen dat op school pest en gepest wordt tussen 2001 en
2017 af, waarna het percentage meisjes in het basisonderwijs dat aangeeft gepest te worden tussen
2017 en 2021 toenam. In 2025 geven leerlingen in zowel het basisonderwijs als het voortgezet
onderwijs ongeveer even vaak aan te pesten en gepest te worden als in 2021. Alleen meisjes in het
voortgezet onderwijs rapporteren in 2025 vaker dat zij gepest worden dan in 2021. Daarnaast geven
leerlingen in het voortgezet onderwijs en meisjes op de basisschool in 2025 wel vaker aan gepest te
worden dan in 2017. Ook rapporteren meisjes in het voortgezet onderwijs in 2025 vaker dat zij
pesten dan in 2017.
Voor online pesten zien we tussen 2021 en 2025 geen veranderingen. Waar we, behalve voor
jongens op de basisschool, tussen 2017 en 2021 een stijging in de percentages van online pesten
zagen, zet deze stijging tussen 2021 en 2025 dus niet door. Wel liggen deze percentages in 2025 nog
steeds hoger dan in 2017.
SCHOOLBELEVING EN PESTEN 40