Baarn, 23 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
_Memo_
Aan : Gemeenteraad Baarn Onderwerp : Beantwoording technische vragen D66 bij RIB langlopende leningen Portefeuillehouder : Anne Sterenberg Datum : 22 september 2026
Geachte raadsleden en steunfractieleden,
De fractie van D66 heeft technische vragen gesteld over de RIB langlopende leningen. Hieronder de vragen en de antwoorden.
Vraag 1: Waarom en op welke grond wordt op dit punt afgeweken van het huidige Treasurystatuut? Zicht op legalisatie is normaal gesproken niet een grond voor een bestuursorgaan om het eigen handelen mee te rechtvaardigen.
Antwoord:
Algemeen Bij gemeenten is “totaalfinanciering” uitgangspunt. Dit houdt in dat bij de financiering van de gemeentelijke activiteiten de gemeente als één geheel beschouwd worden. Bij het bepalen van de financieringsbehoefte worden alle inkomsten en uitgaven betrokken, zowel reguliere activiteiten als projecten. Door totaalfinanciering worden de rentekosten geminimaliseerd. Leningen worden op de meest optimale momenten aangetrokken. Het aantrekken van geldleningen vindt altijd plaats binnen de wettelijke kaders zoals de Wet Fido (financiering decentrale overheden), de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Kenmerken van totaalfinanciering zijn:
- Geen koppeling: Leningen worden niet direct gekoppeld aan één specifiek project of één bepaalde investering (zoals de bouw van een sporthal of school).
- Centrale kas: Alle binnenkomende gelden (belastingen, uitkeringen van het Rijk) en uitgaande gelden worden samengenomen. Pas als de totale kas tekortschiet, trekt de gemeente een algemene lening aan.
- Voordelen: Dit voorkomt dat een gemeente onnodig duur geld leent voor een project, terwijl er (op afzienbare termijn) nog voldoende cash (liquiditeit) beschikbaar is. Het minimaliseert de rentelasten en administratieve lasten.
Specifiek Baarn In het huidige treasurystatuut gaat artikel 3.1 over het aantrekken van vreemd vermogen. Artikel 3.1. lid 3 en lid 4 gaan daarbij uit van totaalfinanciering. In artikel 3.1 lid 4 wordt dit ook specifiek benoemd. Echter in datzelfde artikel is opgenomen dat bij investeringen groter dan € 1.000.000 de optredende financieringsbehoefte wordt gefinancierd met langlopende lineaire geldleningen waarvan de rente typische looptijd gelijkloopt met de afschrijvingstermijn van de investering. Gelet op deze relatief lage ondergrens komt het er in de praktijk op neer dat er geen sprake meer zal zijn van totaalfinanciering en dat de gemeente Baarn alleen nog langlopende geldleningen zal aantrekken met lange looptijden. De meeste actuele investeringen hebben immers looptijden van 40 jaar of langer.
1
Het nadeel is dat de gemeenten een onevenwichtige lening portefeuille opbouwt met langjarige renteverplichtingen en er geen rekening wordt gehouden met al aanwezige- en toekomstige inkomstenstromen.
Legalisatie De geldlening is nog niet aangetrokken. Dit gebeurt pas nadat de raad de mogelijkheid heeft gehad om wensen en bedenkingen in te brengen. Er is dus geen sprake van eigen handelen maar van een voornemen, ingegeven door het streven de rentekosten voor de gemeente ook op lange termijn beheersbaar en zo laag mogelijk te houden.
Vraag 2 Wat is het voordeel van het afsluiten van een langlopende geldlening die niet gelijkloopt met de afschrijvingstermijn van de investering?
Antwoord Dit doet recht aan het uitgangspunt van totaalfinanciering en het uitgangspunt de rentelasten te minimaliseren. Ook voorkomt het dat de gemeente ten onrechte langlopende verplichtingen aan gaat. Tussentijds vervroegd aflossen gaat gepaard met boetes. Uitgangspunt bij gemeenten is dat met de vrijvallende afschrijvingslasten die in de begroting zijn opgenomen, het totaal van de aflossingslasten van de opgenomen geldleningen kan worden betaald. In de begroting 2026 zijn de afschrijvingslasten € 2.918.000 en de geraamde lasten van aflossing van langlopende geldleningen € 1.011.000. Er is dus voldoende ruimte om de hogere aflossingslasten door het aantrekken van een geldlening van 20 jaar (€ 300.000) in plaats van 40 jaar (€ 150.000) op te vangen. Daarnaast is het totaal van de rentelasten door de looptijd van 20 jaar lager dan bij een geldlening met een looptijd van 40 jaar. Bij een rente van 4,28% is dat gedurende de hele looptijd van 20 jaar ongeveer € 2,7 miljoen en bij een looptijd van 40 jaar € 5,3 miljoen.
Vraag 3 Als we het goed begrijpen is de rente waar we rekening mee hebben gehouden in de begroting voor langlopende leningen 3,82% maar zal de rente voor deze langlopende lening 4,28% zijn. Hoeveel extra rentelasten hebben we hierdoor? Hoe gaat het college deze extra structurele middelen verwerken in de begroting?
Antwoord Het verschil is € 27.600. De rente fluctueert dagelijks dus de werkelijk te betalen rente is pas bekend zodra de geldlening kan worden afgesloten. In de begroting 2027 is overigens rekening gehouden met een totaal aan rentelasten van € 765.000. De werkelijke rentelasten bedragen inclusief de nieuw aan te trekken geldlening € 561.000. Wat de werkelijke rentelasten zullen gaan worden hangt af van de ontwikkeling van de financieringsbehoefte in de komende periode. Dit is afhankelijk van de realisatie van al geplande investeringen en van de omvang van inkomende gelden. De rentelasten worden indien nodig bijgesteld in de tussenrapportage 2027. Gelet op de renteontwikkeling in het algemeen houden wij er rekening mee, dat er ook een structurele bijstelling in de Perspectiefnota 2028 zal moeten plaatsvinden.
2
Vraag 4 Welke risico's zijn er bij het afsluiten van een lening van 20 jaar i.p.v. 40 jaar? Hoe groot schat het college deze risico's in?
Antwoord: Wij schatten het risico laag in. Het risico bij het aangaan van leningen met langere looptijden schatten wij hoger in. Vooral met het oog op de hogere totale rentelasten.
Ik ga er van uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Anne Sterenberg Wethouder
3