Weststellingwerf, 29 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Aan: De raad van de gemeente Weststellingwerf Van: Het college van burgemeester en wethouders Team: Beleid Datum: 21 mei 2026 Onderwerp: Voortgang en knelpunten regulering lelieteelt en sierteelt Bijlage memo: Memo stand van zaken regulering lelieteelt en sierteelt van 6 januari 2026 N.a.v. toezegging raad d.d.: 16 juni 2025
Geachte leden van de raad,
In de raadsvergadering van 16 juni 2025 heeft u, via een amendement, een besluit genomen over de regulering van lelieteelt en sierteelt. Daarin heeft u, onder meer, gevraagd om een voorbereidingsbesluit, het onderzoeken van de risico’s op nadeelcompensatie en om een voorstel met een definitieve scenariokeuze voor wijziging van het omgevingsplan. In januari van dit jaar hebben wij u, via een memo (zie bijlage) geïnformeerd over het genomen voorbereidingsbesluit en de voortgang in de uitwerking van het amendement. Het voorbereidingsbesluit is op 22 januari 2026 van kracht geworden en sindsdien gelden de voorbeschermingsregels.
In dit memo informeren wij u over de actuele stand van zaken van de uitvoering van het bovengenoemde raadsbesluit en het formuleren van een definitieve scenariokeuze. De afgelopen maanden hebben wij intensief gewerkt aan het uitwerken van de beoordelingsregels voor het omgevingsplan tot juridisch houdbare en uitvoerbare regels. Het resultaat daarvan vindt u in paragraaf 2. In paragraaf 3 geven wij inzicht in landelijke en provinciale ontwikkelingen ten aanzien van de het reguleren van gewasbeschermingsmiddelen.
Allereerst geven wij, voor de volledigheid, de tekst van het raadsbesluit van 16 juni jongstleden.
1. Het raadsbesluit van 16 juni 2025
a) In de (te herijken) Omgevingsvisie gezondheidsaspecten te verwerken en een ambitie op te nemen
voor vermindering van het gebruik van pesticiden door alle gebruikers;
b) Een verbod op sierteelt op te nemen in nieuwe overeenkomsten of verlenging van overeenkomsten
voor het verhuren, verpachten of verkopen van grond van de gemeente;
c) Het besluit onder 3 te vervangen door:
3.1 Een vergunningsplicht in te stellen voor nieuwe lelieteelt, met een sierteeltvrije zone en reductie van gewasbeschermingsmiddelen in kg/ha. 3.2 Bij het opstellen van beoordelingsregels uit te gaan van: a) Een sierteeltvrije zone van 50 meter; b) Definiëren van ‘gevoelige functies; c) SKAL gecertificeerde teelt toelaten; d) Reductie van aantal kg/ha gewasbeschermingsmiddelen realiseren: van 114 kg (2020) naar <50
kg. (zoals haalbaar gebleken bij het onderzoek “Duurzame bollenteelt Drenthe’); e) De uitvoerbaarheid van dit scenario in beeld te brengen door een nadeelcompensatie
risicoanalyse te laten uitvoeren f) De wijziging in het omgevingsplan voor te bereiden door onder meer de uitwerking van beoordelingscriteria (zie bij b.) g) De definitieve scenariokeuze uiterlijk in januari 2026 te maken, na kennisneming van de uitkomst
van de risicoanalyse en de uitwerking van definities en beoordelingscriteria.
1
4 Het besluit onder 4 te vervangen door: a) Zo spoedig mogelijk een voorbereidingsbesluit te nemen vanwege het wijzigen van het
omgevingsplan, op basis van het genoemde onder 3.1 en 3.2, om activiteiten te voorkomen die in strijd zijn met het genoemde onder 3; b) De bevoegdheid tot het nemen van dit voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college van
burgemeester en wethouders; c) In het voorbereidingsbesluit de spelregels en de gevoelige functies op te nemen en uit te werken
zodat zij daarna in het Omgevingsplan kunnen worden toegepast.
5 Het besluit onder 5 te vervangen door: a) Het college de opdracht te geven om samen met de Weststellingwerfse lelietelers tot een
convenant te komen over het toepassen van het programma duurzame bollenteelt Drenthe; b) In het convenant op te nemen op welke wijze wordt gekomen tot een maatschappelijk draagvlak
en op welke wijze de telers communiceren naar omwonenden c) Toe te werken naar de situatie waarin de vergunningsplicht geldt voor alle lelieteelt.
2. Resultaten uitwerking per besluitpunt uit het amendement
Ad 1. Omgevingsvisie 2.0 In de raadsvergadering van 2 maart 2026 heeft de raad de agenda Omgevingsvisie 2.0 vastgesteld. In deze agenda is het volgende opgenomen over het gebruik van pesticiden. ‘In de Omgevingsvisie verwerken we doelen op het gebied van gezondheid. We hebben de ambitie om het gebruik van pesticiden door alle gebruikers te verminderen. Te zijner tijd en na nader onderzoek wordt dit verwerkt in het omgevingsplan. Tot dan geeft de raad het college van b en w de opdracht om een voorbereidingsbesluit te nemen die activiteiten, in strijd met de beleidsintenties van de gemeente, voorkomen. De gemeente…spant zich in om samen met de sector tot een convenant te komen over (o.a.) bestaande sierteelt binnen de gemeente’.
Ad 2. Verbod op sierteelt op onze gronden Op dit moment zijn al onze gronden verpacht als grasland; het telen van lelies of andere sierteelt is daarop niet mogelijk. De huidige pachtcontracten lopen nog twee tot drie jaar. Bij nieuwe uitgifte zullen we deze gewassen expliciet uitsluiten.
Ad 3.1 tot en met 3.2 Uitgangspunten voor regulering
3.1 Vergunningplicht voor nieuwe teelt Hiervoor is een heldere definitie nodig van nieuwe en bestaande teelt. Dit geeft rechtszekerheid en vermindert het risico op claims voor nadeelcompensatie. Bij het uitwerken van de definitie van wat nieuwe en bestaande teelt is moeten we bepalen hoe we wisselteelt interpreteren.
- Telers passen wisselteelt toe om verschillende redenen: bodemverbetering, ziektes doorbreken, opbrengst en kwaliteit bewaken én het verminderen van de benodigde hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen. De termijn die er zit tussen de teelt van hetzelfde gewas wordt ook wel rotatieperiode genoemd.
- Bij gevoelige gewassen – zoals bloembollenteelt – hanteert men vaak een langere periode. Deze varieert vaak van 4 tot 10 jaar en in sommige gevallen zelfs langer. In het algemeen geldt dat bij een langere rotatieperiode vaak minder middelen nodig zijn voor een goede teelt.
- Als we een relatief korte rotatieperiode als ‘bestaande’ teelt aanwijzen (en een vergunningaanvraag niet nodig is) zal dit een teler onbedoeld kunnen stimuleren om een kortere rotatieperiode aan te houden. Bij een kortere rotatieperiode zijn er relatief meer middelen nodig.
- Of wisselteelt juridisch gezien kan worden als bestaande teelt is de vraag. Dit kan niet zo worden aangenomen en is nog in onderzoek. Uit een rechtszaak in Opsterland bleek bijvoorbeeld dat de voorzieningenrechter in dat geval geen ruimte zag om de wisselteelt als bestaande teelt aan te merken.
3.2 a. De sierteeltvrije zone van 50 meter
- Medische experts (GGD) geven aan dat er geen eenduidige veilige afstand is vast te stellen.
- Er is inmiddels vrij vaste jurisprudentie die laat zien dat een zone van 50 meter van een gevoelige functie (zoals een woning) als bestuursrechtelijk uitgangspunt wordt gehanteerd.
2
- Een kleinere afstand kan in specifieke gevallen op basis van aanvullend onderzoek, motivering en aanvullende maatregelen. Ook zijn er gevallen bekend waarin de rechter vraagt om een grotere afstand.
3.2 b. De gevoelige functies definiëren
- In de context van spuitzones is een gevoelige functie een locatie waar mensen langdurig kunnen verblijven en blootgesteld kunnen worden aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. Zoals woningen.
- Bedrijfswoningen worden gezien als een gevoelige functie; eigen bedrijfswoningen van de teler daarentegen niet.
- Wij onderzoeken de mogelijkheid om de gevolgen van 3.2 a en 3.2. b te verbeelden op een kaart; deze kaart wordt dan toegevoegd bij het voorstel ten aanzien van scenariokeuzes.
3.2 c SKAL gecertificeerde teelt toelaten
- Biologische teelt (SKAL-gecertificeerd) uitzonderen is beleidsmatig logisch. Volgens de GGD vallen veel (maar niet alle) biologische middelen in de categorie laag-risicomiddelen die minder gezondheidsrisico’s met zich meebrengen dan reguliere middelen.
- De regel is goed uitvoerbaar omdat SKAL-certificering objectief en controleerbaar is.
- Juridisch is het echter kwetsbaar wanneer het certificaat als enige ‘toelatingscriterium’ wordt gebruikt (label/bedrijfsvoering in plaats van concrete effecten op de leefomgeving).
- Het is sterker om te werken met concrete (ruimtelijk relevante) eisen, zoals driftbeperkende maatregelen/techniek en een toets op het middelengebruik, waarbij SKAL-certificering kan gelden als één manier om dit aannemelijk te maken (naast andere vormen van onderbouwing).
3.2 d. Reductie van aantal kg/ha gewasbeschermingsmiddelen realiseren naar <50 kg
- De 50 kg/ha-norm is juridisch kwetsbaar. De norm wordt als willekeurig gezien omdat de toxiciteit sterk per middel verschilt.
- Cijfers over de hoeveelheid gebruikte gewasbeschermingsmiddelen laten een diffuus beeld zien.
- Recente CBS-cijfers (2024), afkomstig van de landbouwbedrijven, tonen een sterke daling aan in die hoeveelheid bij lelieteelt. In 2020 werd er gemiddeld 113,7 kg per hectare gebruikt. In 2024 was dat 46,5 kg per hectare.
- Onderzoek van het Compendium voor de Leefomgeving laat zien dat normen voor gewasbeschermingsmiddelen in Nederlands oppervlaktewater nog regelmatig worden overschreden; wel is het aantal overschrijdingen sinds 2012 afgenomen.
- Het opnemen van een regel ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen vraagt om toezicht en handhaving door de gemeente. Het is praktisch niet mogelijk voor de gemeente om de spuitboekhouding (registratie van de teler van, onder andere, de gebruikte middelen, hoeveelheid, omstandigheden) en de daadwerkelijke toepassing te verifiëren.
3.2 e De uitvoerbaarheid van dit scenario in beeld te brengen door een nadeelcompensatie risicoanalyse te laten uitvoeren Deze risicoanalyse is door een gespecialiseerd bureau uitgevoerd en de belangrijkste conclusies staan hieronder weergegeven. Het uitgangspunt van de analyse is dat bestaande agrarische exploitaties, zoals rotatieteelt, worden gerespecteerd.
- Vermogensschade Binnen 50 meter van gevoelige functies kan agrarische grond in waarde dalen. Deze schade valt meestal binnen het normaal maatschappelijk risico en wordt dan niet vergoed. Buiten de 50meterzone is geen sprake van een speciale last, waardoor schade in principe niet voor vergoeding in aanmerking komt.
- Inkomensschade Er is geen inkomensschade als bestaande exploitaties worden gerespecteerd of overgangsrecht geldt waardoor exploitatie kan doorgaan. Bij rotatieteelt worden één keer in de 6 jaar lelies geteeld. Deze rotatieteelt valt bij het reguliere overgangsrecht dus niet onder de werking van dat overgangsrecht. Toekomstige inkomensschade, dat wil zeggen inkomensschade als gevolg van
3
een exploitatie die op het moment van de peildatum nog niet is aangevangen, komt niet voor vergoeding in aanmerking.
- Toekomstige inkomensschade Schade van nog niet gestarte exploitaties wordt niet vergoed.
De algemene conclusie is dat in de meeste gevallen geen recht bestaat op planschadevergoeding. Alleen binnen de 50-meterzone kan beperkte vermogensschade optreden, maar meestal blijft die onder de vergoedingsdrempel.
Verder is het zo dat het risico wordt beïnvloed door de gehanteerde definities en beoordelingsregels en de wijze waarop wij het overgangsrecht voor bestaande teelt vormgeven. Denk daarbij aan de mogelijkheid om telers gedurende een overgangstermijn de meerjarige teeltplannen te laten aanpassen. Of schade voor vergoeding in aanmerking komt, hangt af van juridische criteria; uiteindelijk beslist de rechter.
3.2 f De wijziging in het omgevingsplan voor te bereiden door onder meer de uitwerking van beoordelingscriteria (zie bij b.) 3.2 g De definitieve scenariokeuze uiterlijk in januari 2026 te maken, na kennisneming van de uitkomst van de risicoanalyse en de uitwerking van definities en beoordelingscriteria. De afgelopen maanden hebben wij intensief gewerkt aan het uitwerken van de beoordelingsregels voor het omgevingsplan tot juridisch houdbare en uitvoerbare regels. Uit het voorgaande blijkt dat er een aantal vraagstukken is dat verdere uitwerking nodig heeft. Dit doen wij, onder andere, via verder overleg met experts, met andere gemeenten en belanghebbenden. Daarnaast is er een aantal ontwikkelingen gaande op landelijk en provinciaal niveau op het gebied van regulering en vorming van convenanten ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen. Deze zullen hun beslag krijgen rond de zomer. De ontwikkelingen volgen wij nauwlettend.
In een informatieve bijeenkomst willen wij de raad en inwoners informeren over de inzichten ten aanzien van regulering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vanuit verschillende perspectieven: gezondheid en gezonde leefomgeving, economisch, juridisch en de uitvoeringspraktijk.
Het voorgaande resulteert in de volgende planning.
| Activiteit | Q3 2026 | Q4 2026 | Q1 2027 | Q2 2027 | Q3 2027 |
|---|---|---|---|---|---|
| Uitwerken beoordelingscriteria en voorstel scenariokeuze | x | ||||
| Besluitvorming college en raad scenariokeuze (19 oktober 2026) | x | x | |||
| Informatieve bijeenkomst voor de raad, inwoners en de sector | x | ||||
| Uitwerken scenariokeuze tot ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan | x | ||||
| Besluitvorming college en raad ten aanzien van ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan | x | ||||
| Inspraakperiode wijzigingsbesluit | x | ||||
| Besluitvorming Omgevingsvisie | x | ||||
| Besluitvorming college en raad vaststellen wijziging omgevingsplan | x | ||||
| Aflopen voorbereidingsbesluit en inwerkingtreding gewijzigd omgevingsplan (uiterlijk 22 juli 2027) | x |
Tabel 1. Planning definitieve scenariokeuze en wijziging omgevingsplan
4
4 Het besluit onder 4 te vervangen door: a) Zo spoedig mogelijk een voorbereidingsbesluit te nemen vanwege het wijzigen van het omgevingsplan, op basis van het genoemde onder 3.1 en 3.2, om activiteiten te voorkomen die in strijd zijn met het genoemde onder 3; b) De bevoegdheid tot het nemen van dit voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders;
Het voorbereidingsbesluit is van kracht sinds januari van dit jaar en loopt af in juli 2027.U bent hierover geïnformeerd via het vorig memo. Op 24 maart is er een ambtelijk overleg geweest met de telers in onze gemeente om toelichting te geven op het voorbereidingsbesluit. Dit overleg zal na de zomer worden vervolgd.
c)In het voorbereidingsbesluit de spelregels en de gevoelige functies op te nemen en uit te werken zodat zij daarna in het Omgevingsplan kunnen worden toegepast. Dit is nog gaande, zoals eerder toegelicht.
5. Het besluit onder 5 te vervangen door: a) Het college de opdracht te geven om samen met de Weststellingwerfse lelietelers tot een
convenant te komen over het toepassen van het programma duurzame bollenteelt Drenthe; d) In het convenant op te nemen op welke wijze wordt gekomen tot een maatschappelijk
draagvlak en op welke wijze de telers communiceren naar omwonenden e) Toe te werken naar de situatie waarin de vergunningsplicht geldt voor alle lelieteelt.
Er is met de telers in onze gemeente gesproken over de vorming van een convenant. De inhoud van het convenant zal afhangen van landelijke en provinciale ontwikkelingen ten aanzien van convenantvorming, definities ten aanzien van bestaande en nieuwe teelt, de inbreng van de telers, uitwerking van de beoordelingsregels en uiteindelijk de scenariokeuze die de raad maakt voor wijziging van het omgevingsplan.
3. Landelijke en provinciale ontwikkelingen ten aanzien van regulering
Een landelijk convenant De regeringspartijen hebben in hun coalitieakkoord bepaald dat er afspraken moeten komen om het gebruik van giftige middelen terug te dringen. Het kabinet wil voor de zomer afspraken maken met onder anderen boeren, tuinders en natuurorganisaties. Er wordt daarbij, door de staatssecretaris, bewust gekozen voor een convenant om de volgende redenen. 1. Het biedt snel duidelijkheid en een kader waar gemeenten en provincies op kunnen aansluiten zodat er minder uiteenlopende lokale regels ontstaan. 2. Het verminderen van polarisatie en juridisering waarbij ondernemers en omwonenden tegenover elkaar komen te staan wat soms tot rechtszaken leidt. 3. Met een convenant is het mogelijk op randvoorwaarden en alternatieven in te zetten zodat afbouw van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet direct leidt tot het vastlopen van teelten.
In het traject wordt aansluiting gezocht met gebiedsgerichte regels en de behoefte van gemeenten aan meer uniformiteit/landelijke duidelijkheid. Ook is op verzoek van de VNG een onderzoekstraject gestart (RIVM/WUR) naar een afwegingskader voor spuitzonering/spuitvrije zones, om gemeenten meer houvast te geven bij ruimtelijke afwegingen.
Parallel aan voorgaande loopt er een discussie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de aardappelteelt. De autoriteit die bestrijdingsmiddelen toelaat (het Ctgb), heeft sterke aanwijzingen dat 46 middelen met PFAS erin van de markt moeten omdat ze het drinkwater bedreigen.
Provinciale ontwikkelingen; handhaving en een convenant
- Provincie Fryslân heeft in 2026 ingezet op handhaving rond het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden. In mei 2026 zijn telers/eigenaren en pachters van percelen in de omgeving van Natura 2000-gebieden gewaarschuwd dat zij moeten stoppen met het gebruik van middelen óf moeten aantonen dat het gebruik geen (significant) negatief effect heeft op de natuur; anders kan handhaving volgen (o.a. last onder dwangsom).
5
- In aanvulling daarop verkent Provincie Fryslân hoe – parallel aan het landelijke convenanttraject – ook op provinciaal/regionaal niveau (aanvullende) afspraken met sector- en ketenpartijen gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld in de vorm van een convenant of afsprakenkader. In berichtgeving over de recente handhavingsaanpak geeft de provincie aan de sector een ‘handreiking’ te willen doen door (samen met andere provincies en Centrum voor Landbouw en Milieu) te onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om significante negatieve effecten te vermijden; de uitkomsten kunnen gebruikt worden als bouwstenen voor zulke afspraken.
6