Teylingen, 30 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
SCHRIFTELIJKE VRAGEN (artikel 37 RvO)
(schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. Bij de vragen wordt aangegeven of schriftelijk of mondelinge beantwoording wordt verlangd)
Van (naam raadslid) Sybrinne de Vries (Teylingen Met Elkaar)
Aan De voorzitter van de raad
Onderwerp: Niet controleren en handhaven van regels voor ligplaatsen van (plezier)boten en het innen en betalen van havengelden op het recreatie-eiland Koudenhoorn in Warmond
Ingediend d.d. 1 september 2026
Verzoekt mondelinge/ schriftelijke beantwoording
Datum doorgezonden aan college/overige raadsleden door griffie:
Toelichting :
ja
Eerder, op 23 juli jl., hebben bovengenoemde vragenstellers schriftelijke vragen gesteld over het niet of beperkt controleren en handhaven van de regels voor ligplaatsen van (plezier)boten en het innen en betalen van havengelden op het recreatie-eiland Koudenhoorn in Warmond. Die vragen zijn door het college op 25 augustus jl. beantwoord, waarvoor dank. Op enkele vragen is echter geen antwoord gegeven en ook niet verklaard waarom een antwoord uitgebleven is. Andere antwoorden vragen om een nadere verklaring. Daarom onderstaande schriftelijke vervolgvragen:
1. Waarom ontbreekt in antwoord 3 een overzicht van de jaarlijkse inningskosten over de periode 2020 – 2025, zoals gevraagd? 2. Moet uit het ontbreken daarvan vastgesteld worden dat er kennelijk geen urenregistratie is van de tijd en inspanningen die met de inning zijn gemoeid en het college geen flauw idee heeft over de perceptiekosten?
3. Moet dan tevens vastgesteld worden dat het college daardoor ook niet in staat is om een goede afweging te maken en een onderbouwd besluit te nemen over de kostenefficiëntie van het toezicht op en de inning van de havengelden? Zo ja, tot welke conclusie leidt dat het college? 4. Indien die jaarlijkse perceptiekosten niet bekend zijn, wat moet dan precies verstaan worden onder “netto-opbrengst”? Waar is die opbrengst dan precies het saldo van? 5. Wat is dan de “bruto-opbrengst” en wat moet daar dan precies onder verstaan worden c.q. hoe is die opbrengst samengesteld? 6. Is de jaarlijks “netto-opbrengst” het saldo van die opbrengst na aftrek van de jaarlijkse innings- cq perceptiekosten en zo ja, zijn die kosten dan dus wel bekend? 7. Indien die jaarlijkse innings- c.q. perceptiekosten wel bekend zijn, kunnen die dan over de genoemde periode alsnog verstrekt worden? Zo nee, waarom niet? 8. Moet de bijna halvering van de opbrengst van de havengelden in 2025 (ten opzichte van 2024) toegeschreven worden aan de introductie in 2025 van de QR-code voor het betalen van de havengelden in combinatie met verminderde inzet van capaciteit op controle en handhaving? 9. Hoeveel uren capaciteit op controle en handhaving is in 2023 en 2024 precies door boa’s in de (functie en) taken van havenmeester ingezet en hoeveel in 2025 en tot en met augustus 2026? 10. Waarom is ervoor gekozen om de extra inzet van capaciteit op controle en toezicht in 2023 en 2024 in het introductiejaar van de QR-code (2025) af te schalen, terwijl er in die beide jaren juist sprake was van een (meer dan) verdubbelde opbrengst aan havengelden en tevens meer veiligheid op het eiland Koudenhoorn? 11. Wat is de correlatie tussen de (extra) opbrengst van de geïnde havengelden in 2023 en 2024 en de inzet van (extra) fte en urencapaciteit op controle en handhaving in diezelfde jaren? 12. Is er sprake geweest van een andere prioritering door het college van de inzet van capaciteit op controle en handhaving en zo ja, hoe ziet die verschuiving er dan uit en welke relatie is er met de meer dan gehalveerde opbrengst aan havengelden in 2025? 13. In antwoord 7 zegt het college “dat er soms boten langer liggen of hebben gelegen dan de drie nachten.” Kan het college bevestigen dat er zelfs sprake is, in strijd met de betreffende regels in de APV, van boten met een stroomvoorziening die daar meerdere weken achtereen tot wel een kwartaal een ligplaats innemen? 14. Zo nee, kan het college garanderen dat daarvan geen sprake is of heeft zij daarover geen of onvoldoende informatie vanwege een niet of te geringe inzet van capaciteit op controle en handhaving van onder andere havengelden en langliggers? 15. Moet uit antwoord 8 impliciet geconstateerd worden dat het college ook vastgesteld heeft dat er boten liggen aangemeerd die in slechte staat van conditie c.q. onderhoud verkeren? 16. Wat betekenen aangemeerde boten in slechte conditie en/of in slechte staat van onderhoud in de ogen van het college voor de uitstraling en aantrekkingskracht van het eiland Koudenhoorn voor het (water)toerisme op het eiland?
17. Indien “de staat van een boot geen consequenties heeft voor het wel of niet mogen aanleggen van een boot”, ervaart het college dat als een lacune in de bestaande regelgeving voor het innemen van een ligplaats waarin voorzien zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de gemeenteraad daartoe wijzigingvoorstellen tegemoet zien? 18. Het college zegt in antwoord 9 dat zij niet kan bevestigen dat boten (semi-)permanent bewoond worden al dan niet door mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats. Kan zij garanderen dat die boten daadwerkelijk niet (semi-)permanent bewoond worden of weet zij dat niet (zeker) vanwege gebrek aan voldoende informatie daarover? 19. Indien dat laatste het geval is, hangt dat dan ten nauwste samen met de niet of te geringe inzet van capaciteit op controle en handhaving op langliggers en zo ja, welke consequenties verbindt zij daar dan aan? 20. Hangt het gebrek aan capaciteit voor de inzet op controle en handhaving op het eiland Koudenhoorn ten nauwste samen met het feit dat boa’s, naast hun eigenlijke taken, tevens die van havenmeester moeten uitvoeren? Zo nee, graag een toelichting van het antwoord. 21. In antwoord 10 stelt het college dat naar haar “oordeel het eiland er mooi bij ligt”. Waarop is die stelling van het college precies gebaseerd? Welke maatstaf en criteria heeft zij daarvoor gehanteerd? 22. Wanneer hebben in de jaren 2022 t/m augustus 2026 bijeenkomsten van het gebruikersoverleg plaatsgevonden, dat tweemaal per jaar geacht wordt plaats te vinden? 23. Heeft het college in dat gebruikersoverleg Koudenhoorn haar stelling, dat naar haar “oordeel het eiland er mooi bij ligt” getoetst? Zo ja, wat was daarop de reactie van de gebruikers van het eiland Koudenhoorn? 24. Zo nee, zal het college om haar eigen stelling, dat naar haar “oordeel het eiland er goed bij ligt”, aan onderbouwing en kracht te laten winnen, die ter toetsing voorleggen in de eerstvolgende bijeenkomst van het gebruikersoverleg Koudenhoorn en de gemeenteraad over de uitkomst informeren? Zo nee, waarom niet? 25. In antwoord 13 zegt het college dat “waar nodig handhavend wordt opgetreden” tegen de overtreding van de regels rondom de ligplaatsen en het verblijf met een boot op het eiland Koudenhoorn. Hoeveel keer, wanneer en waartegen is er concreet handhavend opgetreden op het eiland Koudenhoorn in de jaren 2020 t/m augustus 2026, uitgesplitst naar jaar? 26. In antwoord 14 zegt het college dat “de QR-code een extra mogelijkheid is om te kunnen betalen voor het liggen in de passantenhaven.” Indien het alternatief is om via de website te betalen, wie ziet er dan op toe c.q. controleert of die betalingen ook daadwerkelijk worden gedaan? 27. In antwoord 19 staat dat “De havenmeester dan toezicht houdt en controleert of de betalingen gedaan zijn, of kan deze alsnog fysiek laten doen”, terwijl antwoord 11 suggereert dat er geen havenmeester is en het “de boa’s zijn die belast zijn met de taken van een havenmeester.”. Is er wel of geen havenmeester en moet in antwoord 19 in plaats van havenmeester boa’s gelezen worden? Zo nee, graag een toelichting van het antwoord.
28. In antwoord 17 in combinatie met antwoord 18 zegt het college dat zij sinds mei 2026 op de hoogte was van het niet functioneren van de QRcode. Waarom heeft zij daarover, gelet op haar verplichting in artikel 169 Gemeentewet en eerdere beloften dat in het vervolg wel te doen, de gemeenteraad niet zelf tijdig, volledig en juist geïnformeerd? 29. Hoe beoordeelt het college dat zij wederom ernstig in verzuim is in de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht jegens de gemeenteraad? 30. Hoe geloofwaardig zijn de eerdere beloften van beterschap van het college nog nu zij meerdere malen, en dus bij herhaling, de gemeenteraad niet tijdig, volledig en juist inlicht, waardoor deze zijn controlerende taak niet goed en adequaat kan uitvoeren? 31. In antwoord 18 staat dat “er wel onderzocht is waarom de QR-code niet meer verwees naar de site: Havengeld –Belastingenbollenstreek”. Wat was hiervan de oorzaak? Kan het college garanderen dat met het aanbrengen van de nieuwe QR-code stickers dit probleem is ondervangen en zich niet kan herhalen? Zo nee, waarom niet en tot welke conclusie leidt dat haar? 32. Indien de boa’s belast zijn met de taken van een havenmeester en de in antwoord 19 genoemde handelingen moeten verrichten, hebben zij daarvoor dan voldoende capaciteit en, binnen de prioritering van hun werkzaamheden, voldoende uren beschikbaar voor die taken, naast tevens ook nog het zorgdragen voor het juiste gebruik van de havens, het toezicht op langliggers en de handhaving hierop, zoals in antwoord 11 staat? 33. Zo ja, hoe kan de halvering van de opbrengsten aan havengelden van in 2025 (ten opzichte van 2024) dan inhoudelijk verklaard worden? 34. Wat is het oordeel van het college over het (parttime) aanstellen van een havenmeester die niet alleen op het eiland Koudenhoorn, maar tevens op de locaties Zwanburgpolder (het Joppe) en Tengnagel, zijn taken uitvoert, zodat er (in het toerismeseizoen) sprake is van een inzet op meer structurele basis, waar nodig met de inzet van boa-capaciteit als achtervang? 35. Of, indien dat practisch beter uitvoerbaar is, voor de (parttime) inzet van een havenmeester op elk van de 3 locaties afzonderlijk? 36. Klopt het dat er sprake is van de inzet van een beheerder op het eiland Koudenhoorn? Zo ja, wat zijn nu haar/zijn taken als beheerder op het eiland? Kennen ook de beide andere genoemde locaties een beheerder? 37. Verdient het naar het oordeel van het college overweging om deze beheerders, vanzelfsprekend in overleg en na overeenstemming, tevens in te zetten voor de taken van havenmeester, zoals die nu bij de boa’s zijn neergelegd? Zo nee, waarom niet c.q. waarom dat niet verkennen? 38. Is het college bereid om tevens te verkennen of de wijze waarop de taken van een havenmeester in de gemeente Hillegom in nauwe samenwerking met de Watersportvereniging Hillegom succesvol worden ingevuld en uitgevoerd ook een werkzame optie kan zijn voor het eiland Koudenhoorn in Warmond en de 2 andere locaties? Zo nee, waarom niet? 39. Kan het college in die verkenning dan ook meenemen of uit de reëel te verwachten extra opbrengsten aan havengelden (getuige de meer dan verdubbelde opbrengsten in 2023 en 2024 door inzet van extra capaciteit op controle en handhaving op eiland Koudenhoorn) die (parttime) aan te
stellen havenmeesters zichzelf (grotendeels) uit de opbrengsten van de havengelden kunnen financieren? Zo nee, waarom niet? 40. Indien bekend is dat er structureel en consequent wordt gecontroleerd en gehandhaafd op de regels voor het innemen van een ligplaats in het algemeen en de inning van havengelden in het bijzonder, is het college het dan met vragenstellers eens dat dit een sterk disciplinerende werking zal hebben op booteigenaren die op één van de locaties (meerdaags) een ligplaats innemen en het daadwerkelijk betalen daarvoor van havengelden? Zo nee, graag een toelichting van het antwoord. 41. Zal het college deze vragen tijdig, volledig, juist en één-op-één beantwoorden?
Datum antwoordbesluit college:
Antwoord college:
[Herhaal de vragen en geef daaronder het antwoord van het college aan]
Vraag 1:
Antwoord 1:
Vraag 2:
Antwoord 2:
Vraag 3:
Antwoord 3:
Datum afhandeling raadsvergadering:
Bijlagen :
SCHRIFTELIJKE VRAAG
In artikel 37 van het Reglement van Orde is aangegeven welke procedure van toepassing is op schriftelijke vragen en mondelinge vragen.
Schriftelijke vragen
In het kort zijn er de volgende eisen aan het indienen van schriftelijke vragen ingevolge artikel 37 RvO te verbinden:
- schriftelijke vragen worden ingediend bij de voorzitter, via de griffier. De griffier draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college worden gebracht.
- Beantwoording van schriftelijke vragen door het college vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen.
- Bij de vragen wordt aangegeven of schriftelijke dan wel mondelinge beantwoording wordt verlangd.
- Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering.
- Indien beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk is stelt het verantwoordelijk lid van het college de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, met daarbij aangegeven de beantwoordingtermijn.
- De antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van het college aan de leden van de raad medegedeeld
- De vragen en antwoorden worden gelijktijdig met de ingekomen stukken aan de leden van de raad toegezonden.
- De vragensteller kan, bij mondelinge beantwoording in dezelfde raad en bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raad, nadere inlichtingen vragen omtrent het gegeven antwoord (na behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen).
- In het presidium is afgesproken dat zolang er geen beantwoording op de schriftelijke vraag is ontvangen of gegeven er geen inhoudelijk discussie kan plaatsvinden omtrent de schriftelijke vraag.
In de toelichting van het RvO is het volgende aangegeven:
_Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over_ _aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren._ _Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking._
_In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld_ _nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft_ _gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot_ _een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het_ _interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad_ _te krijgen._