Rotterdam, 8 augustus 2026
Schriftelijke vragen Van Eikeren over ernstig veiligheidsincident bij Spelen met Beelen op Rotterdam-Zuid
Partij: PRO
Aan het college van burgemeester en wethouders Coolsingel 40 3011 AD Rotterdam
Rotterdam, 7 augustus 2026 SCHRIFTELIJKE VRAGEN | NOODLOT GELUKKIG ONTWEKEN. VEILGHEID VAN KINDEREN STAAT VOOROP.
Geacht college, Afgelopen dinsdag vond tijdens openingstijd een ernstig veiligheidsincident plaats bij Spelen met Beelen op Rotterdam-Zuid. Volgens berichtgeving van RTV Rijnmond kwamen vanaf grote hoogte zware houten en stalen constructiedelen naar beneden. Onze fractie is daarnaast benaderd door aanwezige Rotterdammers. Zij verklaren dat de constructiedelen in de nabijheid van de glijbanen en het voor bezoekers toegankelijke gedeelte terechtkwamen. Dat roept ernstige vragen op over de veiligheid op het terrein en het toezicht daarop. De verklaringen van bezoekers wijken bovendien op onderdelen af van de lezing van de organisatie zelf. Bezoekers beschrijven dat zij zeer geschrokken waren, dat naar hun oordeel aanvankelijk laconiek op het incident werd gereageerd en dat kinderen na het incident onder of nabij de gevallen constructie konden komen. Wij vragen het college vast te stellen wat hier feitelijk is gebeurd. In ongeveer acht weken zijn op het voormalige terrein van Speelstad Rotterdam / Rivoli Rotterdam attracties verwijderd, werkzaamheden onder stoom en kokend water uitgevoerd en nieuwe speelvoorzieningen aangelegd, waarna het terrein voor publiek is geopend. Nu binnen enkele weken na opening en tijdens openingstijd zwaar constructiemateriaal naar beneden is gekomen, heeft PRO Rotterdam de volgende vragen:
1. Wanneer en langs welke weg is het college voor het eerst geïnformeerd over het incident? Heeft de exploitant het incident zelf bij de gemeente of andere bevoegde instanties gemeld? Zo ja, wanneer? Zo nee, hoe beoordeelt het college dat? 2. Welke verplichtingen gelden op deze locatie voor het melden van incidenten waarbij de veiligheid van bezoekers in gevaar is of had kunnen zijn? Was de exploitant op grond daarvan verplicht dit incident te melden? 3. Welke vergunningen, meldingen, gebruiksmeldingen en andere toestemmingen waren noodzakelijk voor de werkzaamheden en de openstelling van het terrein? Welke daarvan waren vóór de opening verleend of geaccepteerd en welke procedures lopen nog? 4. Welke fysieke controles hebben de gemeente, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en/of andere bevoegde toezichthouders tussen de veiling en de openstelling uitgevoerd? Wanneer vonden deze plaats, waarop is gecontroleerd en wat waren de uitkomsten? 5. Was bij de gemeente bekend dat na de openstelling nog bouw- en/of constructiewerkzaamheden plaatsvonden terwijl tegelijkertijd bezoekers, waaronder veel
kinderen, op het terrein aanwezig waren? Welke eisen golden voor de fysieke scheiding tussen bouwzones en publiekszones en is gecontroleerd of deze daadwerkelijk werden nageleefd? 6. Heeft het college sinds de opening andere meldingen of signalen ontvangen van bezoekers, werknemers, aannemers, toezichthouders of andere instanties over de bouwkundige, constructieve of algemene veiligheid van het terrein? Zo ja, welke en wat is daarmee gedaan? 7. Heeft de gemeente naar aanleiding van het incident zelf direct een toezichthouder of bouwinspecteur naar de locatie gestuurd? Zo ja, wanneer, wat is onderzocht en wat waren de bevindingen? Zo nee, waarom achtte het college een fysieke inspectie na dit incident niet noodzakelijk? 8. De exploitant heeft aangegeven het terrein na het incident zelf opnieuw te hebben gecontroleerd en het park is de volgende dag weer voor bezoekers geopend. Heeft de gemeente vóór die heropening onafhankelijk vastgesteld of laten vaststellen dat het terrein veilig was? Zo nee, op grond waarvan kon het park volgens het college verantwoord weer worden geopend? 9. Kan het college op dit moment bevestigen dat de constructies en voor publiek toegankelijke delen van het terrein voldoende veilig zijn? Waarop baseert het college dat oordeel? 10. Is inmiddels vastgesteld waardoor de houten en stalen constructiedelen naar beneden konden vallen? Zo nee, wie onderzoekt de oorzaak, wanneer wordt dat onderzoek afgerond en wordt de gemeenteraad over de uitkomsten geïnformeerd? 11. Is onderzocht of tijdens het incident daadwerkelijk bezoekers in de gevarenzone aanwezig waren of daar direct toegang toe hadden? Kan het college daarbij specifiek ingaan op de afstand tussen de plaats waar de constructiedelen terechtkwamen en de dichtstbijzijnde voor bezoekers toegankelijke speelvoorzieningen? 12. Is het college bereid, gelet op de ernst van het incident en de gefaseerde verdere ontwikkeling van het terrein t/m 2030, omdat na afloop van de erfpacht de grond teruggeleverd moet worden aan de gemeente, een integrale veiligheidsinspectie van de locatie te laten uitvoeren en de raad over de uitkomsten te informeren? 13. Ziet het college aanleiding om aanvullende voorwaarden te stellen of het toezicht te intensiveren zolang op deze locatie bouwwerkzaamheden en openstelling voor publiek gelijktijdig plaatsvinden? 14. Welke bevoegdheden heeft het college om het gebruik van (delen van) het terrein stil te leggen wanneer de veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd, en welke feiten of omstandigheden zouden voor het college aanleiding zijn om van die bevoegdheden gebruik te maken?
Hoogachtend,
Kevin van Eikeren PRO