Rijswijk, 25 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Aan het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk
Betreft: Schriftelijke vragen artikel 44 inzake leerlingenvervoer voor leerlingen met autisme
Geacht college,
Naar aanleiding van signalen van ouders van leerlingen van de Eerste Nederlandse
Buitenschool (ENBS) in Den Haag hebben wij begrepen dat het leerlingenvervoer vanuit
Rijswijk naar deze school vanaf het nieuwe schooljaar mogelijk wordt beëindigd.
De betreffende ouders maken zich grote zorgen over de gevolgen hiervan voor hun
kinderen. Het gaat om leerlingen met autisme voor wie structuur, voorspelbaarheid en een
vaste reiswijze van groot belang kunnen zijn. Volgens de berichtgeving zou vanuit de
gemeente zijn aangegeven dat vervoer naar de ENBS mogelijk niet langer wordt toegekend,
terwijl een alternatieve school op kortere afstand volgens ouders en de school niet passend
zou zijn voor deze leerlingen.
Ook wordt aangegeven dat de regelgeving niet is gewijzigd, maar dat deze mogelijk anders
wordt geïnterpreteerd. Dat roept vragen op over de wijze waarop de bestaande regels
worden toegepast en over de belangenafweging die daarbij wordt gemaakt.
Daarom stellen wij het college de volgende vragen:
1: Klopt het dat de gemeente Rijswijk voornemens is om vanaf het nieuwe schooljaar het
leerlingenvervoer van leerlingen uit Rijswijk naar de ENBS in Den Haag niet langer te
bekostigen?
2: Op basis van welke wettelijke en gemeentelijke bepalingen wordt een dergelijk besluit
genomen?
3: Kan het college aangeven of de beleidsregels of verordening voor leerlingenvervoer
recentelijk zijn gewijzigd?
Zo ja, wanneer en op welke punten?
4: Indien de regelgeving niet is gewijzigd, wat is er dan veranderd in de interpretatie of
toepassing van de bestaande regels waardoor leerlingen die eerder wel voor dit vervoer in
aanmerking kwamen, dit mogelijk niet langer doen?
5: Kan het college inzicht geven in de criteria die worden gehanteerd bij het bepalen of een
andere school als een passende en dichtstbijzijnde school wordt aangemerkt?
6: Hoe wordt daarbij rekening gehouden met de specifieke ondersteuningsbehoefte van
leerlingen met autisme, waaronder de behoefte aan structuur, voorspelbaarheid, prikkelarme
omstandigheden en een vaste reisroute?
7: Is het college het ermee eens dat de enkele aanwezigheid van een school die geografisch
dichter bij de woonplaats ligt, niet automatisch betekent dat deze school ook feitelijk
passend onderwijs biedt voor een specifieke leerling?
8: Op welke wijze wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer
onderzocht of een alternatieve school daadwerkelijk aansluit bij de onderwijs- en
ondersteuningsbehoefte van de betreffende leerling?
9: Wordt bij deze beoordeling informatie betrokken van ouders, de huidige school, het
samenwerkingsverband en/of deskundigen die de ondersteuningsbehoefte van de leerling
kennen?
Zo ja, op welke wijze?
10: Hoeveel leerlingen uit Rijswijk maken momenteel gebruik van leerlingenvervoer naar de
ENBS?
Hoeveel van deze leerlingen zouden door de voorgenomen wijziging mogelijk hun vervoer
verliezen?
11: Kan het college aangeven hoeveel van deze leerlingen een autismediagnose of
vergelijkbare ondersteuningsbehoefte hebben?
12: Heeft het college voorafgaand aan het voornemen om het leerlingenvervoer te
beëindigen een onderzoek gedaan naar de gevolgen hiervan voor de betrokken leerlingen?
Zo ja, kan het college de uitkomsten daarvan met de gemeenteraad delen?
13: Is bij de besluitvorming rekening gehouden met het risico dat het gebruik van het
reguliere openbaar vervoer voor sommige leerlingen met autisme niet haalbaar of
verantwoord is?
14: Hoe weegt het college het belang van passend en toegankelijk onderwijs af tegen het
uitgangspunt van de dichtstbijzijnde school en de gemeentelijke kaders voor
leerlingenvervoer?
15: Kan het college bevestigen dat het enkele advies om met het openbaar vervoer te reizen
niet wordt beschouwd als een passende oplossing wanneer een leerling vanwege zijn of haar
beperking niet zelfstandig of onder begeleiding van het openbaar vervoer gebruik kan
maken?
16: Op welke wijze worden ouders betrokken bij een besluit waarbij het bestaande
leerlingenvervoer wordt beëindigd?
17: Hebben de betrokken ouders inmiddels formeel bezwaar kunnen maken tegen de
betreffende besluiten?
Zo ja, hoeveel bezwaren zijn er ingediend?
18: De gemeente heeft volgens de berichtgeving aangegeven open te staan voor een
gesprek tijdens de bezwaarprocedure. Is het college bereid om, los van de formele
bezwaarprocedure, op korte termijn met de betrokken ouders en de ENBS in gesprek te gaan
over een passende oplossing voor het komende schooljaar?
19: Is het college bereid om de bestaande vervoersvoorziening in ieder geval te handhaven
totdat de bezwaarprocedure en eventuele gesprekken met ouders en school zijn afgerond?
20: Kan het college garanderen dat geen leerling zonder passende en individueel
beoordeelde oplossing zonder leerlingenvervoer komt te zitten?
Zo nee, waarom niet?
21: Is het college bereid om de gemeenteraad vóór aanvang van het nieuwe schooljaar
schriftelijk te informeren over de uitkomsten van de bezwaarprocedures, de gesprekken met
ouders en de wijze waarop voor de betrokken leerlingen een passende vervoersoplossing
wordt geboden?
22: Tot slot: is het college bereid de toepassing van het huidige beleid inzake
leerlingenvervoer voor leerlingen met autisme opnieuw te beoordelen, waarbij niet alleen
afstand, maar ook de daadwerkelijke passendheid van het onderwijs en de medische,
pedagogische en sociaal-emotionele behoeften van de leerling worden meegewogen?
Wij verzoeken het college de vragen afzonderlijk en zo concreet mogelijk te beantwoorden.
Met vriendelijke groet,
Namens de fractie van Beter voor Rijswijk,
Remco Nunnikhoven