Opmeer, 17 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Politieke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Opmeer (conform artikel 59 van het Reglement van Orde)
Opmeer, 27 augustus 2026
Onderwerp: vooraankondiging last onder dwangsom teelt pioenrozen
1. Aanleiding Van een aantal inwoners ontvingen wij een afschrift van de brief d.d. 20 augustus 2026 (kenmerk 8993, zaaknummer Z26000844) waarin een vooraankondiging last onder dwangsom wordt gedaan wegens vermeend strijdig gebruik van het Omgevingsplan Opmeer (teelt pioenrozen). De brief is op vrijdag 21 augustus ontvangen en biedt een termijn van één week voor het indienen van een zienswijze. De teelt vindt al langjarig plaats. Op 23 maart 2026 is een handhavingsverzoek ontvangen; op 4 juni 2026 heeft een controle plaatsgevonden. De voorgenomen dwangsom bedraagt € 10.000 per week met een begunstigingstermijn van 26 weken (uiterlijk 18 februari 2027).
2. Context De gemeente Opmeer hanteert de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als leidend kader, met als uitgangspunt een passende, evenredige en gemotiveerde reactie en nadruk op preventie (VTH-beleidsplan 2025-2028). In de brief wordt gesteld dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat en dat het college niet bereid is tot planologische medewerking. Wij willen inzicht in de zorgvuldigheid, evenredigheid en onderbouwing van de gevolgde procedure. Daarbij gaat het niet om het overnemen van de individuele zienswijze van betrokken telers, maar om de vraag of het college bij deze handhavingsaanpak zorgvuldig, evenredig en navolgbaar handelt.
3. Vragen 1. Hoeveel personen, vennootschappen of andere rechtspersonen hebben een dergelijke vooraankondiging ontvangen, en om hoeveel percelen gaat het in totaal?
2. Aanleiding voor de vooraankondiging is een handhavingsverzoek van 23 maart 2026. a. Kan het college aangeven of het handhavingsverzoek afkomstig is van één of meer verzoekers, en of het gaat om een particulier, bedrijf, belangenorganisatie of overheidsinstantie? b. Indien de identiteit van de verzoeker of verzoekers niet openbaar kan worden gemaakt, kan het college dan toelichten waarom dat niet mogelijk is? c. Zou het college deze vooraankondiging ook hebben verstuurd zonder dit handhavingsverzoek? Graag een toelichting. d. Waarom is er na ontvangst van het handhavingsverzoek van 23 maart 2026 en de controle van 4 juni 2026 pas op 20 augustus 2026 een vooraankondiging verzonden? e. Acht het college deze totale doorlooptijd zorgvuldig en adequaat? Zo ja, waarom?
3. Heeft het college vóór 20 augustus 2026 op andere wijze, schriftelijk, mondeling of via voorlichting, contact opgenomen met de betreffende eigenaren of telers om hen te informeren over de vermeende strijdigheid? a. Zo ja, hoe en wanneer? b. Zo nee, waarom niet?
4. De brief is op vrijdag 21 augustus 2026 ontvangen en biedt één week voor het indienen van een zienswijze. a. Acht het college dit een redelijke termijn, gelet op het feit dat betrokkenen volgens de ontvangen informatie niet eerder waren geïnformeerd en de teelt langjarig plaatsvindt? b. Zo ja, waarom?
c. Zo nee, welke termijn acht het college wel redelijk? d. Is het college bereid de zienswijzetermijn te verlengen, zodat betrokkenen voldoende gelegenheid hebben juridisch en feitelijk te reageren? Zo nee, waarom niet?
5. Juridische duiding en voorafgaand onderzoek In de brief wordt gesteld dat pioenrozenteelt onder “tuinbouw” valt en op de betreffende percelen niet is toegestaan, tenzij daarvoor een specifieke aanduiding op de plankaart aanwezig is. Tevens wordt in de brief verwezen naar de uitsluiting van permanente bollenteelt. a. Op grond van welke exacte planregels en begripsbepalingen kwalificeert het college pioenrozenteelt als strijdig gebruik op deze percelen? b. Hoe verhoudt de kwalificatie van pioenrozenteelt als “tuinbouw” zich tot de verwijzing naar de uitsluiting van “permanente bollenteelt”? c. Heeft het college voorafgaand aan de vooraankondiging onderzocht of sprake kan zijn van bestaand legaal gebruik of overgangsrecht, mede gelet op de langjarige aanwezigheid van de teelt? Zo ja, op basis van welke feiten en stukken? Zo nee, waarom niet? d. Heeft het college onderzocht of maatwerk, legalisatie, een omgevingsplanwijziging, een omgevingsvergunning of een tijdelijke regeling mogelijk is, voordat is gekozen voor een vooraankondiging last onder dwangsom? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
6. In de brief wordt gesteld dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat en dat het college niet bereid is tot planologische medewerking, omdat nieuwe tuinbouw niet zou passen binnen de ruimtelijke uitgangspunten voor het landelijk gebied. a. Op welke concrete ruimtelijke uitgangspunten, beleidsdocumenten of raadsbesluiten is deze stelling gebaseerd? b. Wanneer zijn deze uitgangspunten vastgesteld en door welk bestuursorgaan? c. Is deze lijn consequent toegepast op alle vergelijkbare langjarige teelten of tuinbouwachtige activiteiten in het landelijk gebied van Opmeer? d. Zo nee, wat is het verschil tussen deze situatie en andere vergelijkbare situaties? 7. Vindt het college dat in deze zaak is gehandeld conform de LHSO en het eigen VTH-beleidsplan 2025-2028? a. Zo ja, op welke wijze is invulling gegeven aan zorgvuldigheid, evenredigheid, motivering en preventie? b. Welke interventie of trede uit de LHSO is in deze zaak toegepast? c. Waarom is niet eerst gekozen voor een lichtere interventie, zoals overleg, een waarschuwing, een langere voorbereidingstermijn of een tijdelijke regeling.
8. Waarom is gekozen voor een voorgenomen last onder dwangsom van € 10.000 per week met een begunstigingstermijn van 26 weken? a. Hoe is de hoogte van de dwangsom gemotiveerd? b. Is de hoogte van de dwangsom afgestemd op de aard en ernst van de vermeende overtreding? c. Is de hoogte van de dwangsom afgestemd op het mogelijke economische voordeel of de financiële gevolgen voor betrokkenen? d. Hoe verhoudt deze dwangsom zich tot de Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen?
9. Wordt bij andere langjarige teelten of vergelijkbare situaties in het buitengebied van Opmeer dezelfde handhavingssystematiek gehanteerd? a. Zo ja, kan het college dit toelichten? b. Zo nee, wat is het verschil?
10. Is het college bereid geen definitief handhavingsbesluit te nemen voordat de betrokken telers voldoende gelegenheid hebben gehad hun zienswijze, eventuele stukken over bestaand gebruik en eventuele legalisatiemogelijkheden in te dienen, en voordat deze inhoudelijk zijn beoordeeld?
11. Kan het college de controlerapportage van 4 juni 2026, het interne handhavingsadvies, de juridische beoordeling en de belangenafweging, zo nodig geanonimiseerd, aan de raad verstrekken?
Met vriendelijke groet,
Namens de fractie van KERN8,
Erik Mooij