Oldebroek, 17 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Griffienummer Col2 Datum indiening Beantwoordingstermijn Deze vragen worden gesteld om een politiek oordeel van het college of de burgemeester te vragen over een aangelegenheid die tot hun bevoegdheid behoort.
Onderwerp: Interbestuurlijk toezicht Spreidingswet — plaatsing van Oldebroek op trede 3 (actief toezicht)
Geacht college,
Op 3 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de maandelijkse stand van zaken “Interbestuurlijk toezicht Spreidingswet” gepubliceerd. Daarin staat de gemeente Oldebroek vermeld op trede 3 van de interventieladder: actief toezicht. Vanaf trede 3 wordt de plaats van een gemeente op de ladder openbaar gemaakt en maandelijks geactualiseerd. Volgens berichtgeving nodigt de minister de verantwoordelijke wethouder(s) uit voor een gesprek over de geleverde inzet, de belemmeringen en afspraken over een geschikte locatie.
Voor onze fractie staat de wettelijke taakstelling van 141 opvangplekken niet ter discussie; de beste manier om de regie in eigen hand te houden is zelf, tijdig en zorgvuldig met een plan te komen, met draagvlak van omwonenden. De opschaling naar trede 3 vergroot die urgentie, want aan het einde van de ladder staat indeplaatsstelling: het Rijk bepaalt dan waar opvang komt, op kosten van de gemeente.
Onze fractie wil dit dossier feitelijk en constructief behandelen en heeft daarom de volgende vragen aan het college.
Vragen: Vraag 1
Kan het college bevestigen dat Oldebroek per de stand van zaken van 3 augustus 2026 op trede 3 (actief toezicht) van de interventieladder Spreidingswet staat? Wat is op dit moment de feitelijke stand van de realisatie van de taakstelling van 141 opvangplekken?
Vraag 2
Heeft het college inmiddels een uitnodiging van de minister ontvangen voor een gesprek in het kader van dit actief toezicht? Zo ja: op welke datum vindt dit gesprek plaats, en welke concrete acties, termijnen en vervolgafspraken worden daarin van Oldebroek verwacht?
Vraag 3
Het college spreekt met één mond; dat is het beginsel van collegiaal bestuur. Op social media klinkt vanuit het college: “Oldebroek gaat een unieke asielkoers varen. De eerste gemeente in Nederland die zich openlijk keert tégen de Spreidingswet” en “geen medewerking van deze coalitie/dit college”.
Is het publiekelijk geuite standpunt en uitgangspunt van het college dan om geen uitvoering te geven aan de wettelijke taakstelling van de Rijksoverheid en het proces intrinsiek te frustreren?
Vraag 3a
Als een gemeente een wettelijke taak niet uitvoert, pleegt zij taakverwaarlozing of handelt zij onrechtmatig. Burgers of hogere overheden kunnen dan juridische of bestuurlijke stappen zetten om de gemeente tot actie te dwingen. Hoe bereidt het college zich voor op de bestuurlijke (medebewind) en/of financiële impact van bestuurlijk toezicht wegens taakverwaarlozing en/of indeplaatsstelling (artikel 124 Gemeentewet)?
Vraag 4
Welke stappen heeft het college gezet sinds zijn aantreden en hoe verklaart het college dat dit desondanks tot opschaling naar trede 3 heeft geleid?
Vraag 5
Is er een concreet plan en tijdpad van het college om de wettelijke taakstelling alsnog in te vullen en verdere opschaling (trede 4: vooraankondiging indeplaatsstelling) te voorkomen?
Vraag 6
Kan het college toezeggen dat kleinschaligheid en het draagvlak van omwonenden zwaarwegende criteria blijven bij de invulling, en dat inwoners vóór de besluitvorming worden betrokken?
Hoe borgt het college die inwonersparticipatie, dat draagvlak en die zorgvuldigheid, ook in het scenario dat het Rijk of de provincie overgaat tot indeplaatsstelling?
Vraag 7
Deelt het college de opvatting dat indeplaatsstelling aan het einde van de interventieladder betekent dat het Rijk over ons hoofd heen een locatie aanwijst, op kosten van de gemeente?
Vraag 8
Welke financiële risico’s brengt de trede 3-status met zich mee, en hoe worden die betrokken bij de Programmabegroting 2027?
Vraag 9
In het bestuursakkoord is als randvoorwaarde opgenomen dat bij asielopvang wordt gestreefd naar “primair opvang van asielzoekers die cultureel dicht bij de Oldebroeker bevolking staan”. Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling verbieden ongelijke behandeling op grond van onder meer godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht.
a. Hoe verhoudt deze randvoorwaarde zich tot artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling?
b. Betekent “cultureel dicht bij de Oldebroeker bevolking” een voorkeur of uitsluiting die geheel of gedeeltelijk is gebaseerd op godsdienst, levensovertuiging of afkomst? Zo nee, op welke objectieve, niet-discriminatoire criteria is de randvoorwaarde dan gebaseerd?
c. Kan het college deze randvoorwaarde voorzien van onomwonden duidelijkheid?
Pagina 2 van 3
In afwachting van uw beantwoording,
Met vriendelijke groet,
Frank van ’t Ende — Sociaal & Duurzaam Oldebroek
Antwoord(en):
1. … 2. …
Pagina 3 van 3