Midden-Drenthe, 3 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Fractie
Gemeentebelangen Onderwerp Ontheffing woonplaatsvereiste wethouders
Datum 03-09-2026
Portefeuillehouder Wethouder Slomp / Bakker / De Kruijf / Schans / burgemeester Zwiers
Aan de voorzitter van de raad de heer J. Zwiers. Geachte heer Zwiers, Zoals u bekend, hebben twee wethouders van uw college aangegeven, reeds voor hun installatie, dat zij niet wensen te wonen en te gaan wonen in de gemeente Midden-Drenthe. Het gaat hier over de wethouders Slomp, Pro en de Kruif ,VVD. In de wet is gesteld, dat wethouders geacht worden woonachtig te zijn in de gemeente waar zij wethouder zijn . Artikel 10 van de Gemeentewet: Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is etc. Artikel 36 a: Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in artikel 10 etc. De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van de vereiste ingezetenschap. De ontheffing kan in IN BIJZONDERE GEVALLEN, telkens met een periode van een jaar worden verlengd. Hierbij stellen wij de volgende schriftelijke vragen conform het reglement van orde, art. 33.
Vragen Antwoorden
1. Welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen het niet gaan wonen in de gemeente Midden-Drenthe voor de heer Slomp?
1. Zoals u weet is het de bevoegdheid van de raad om te beoordelen of een wethouder ontheffing kan krijgen voor het ingezetenschap. Als een wethouder vóór de installatie aangeeft niet in de gemeente te wonen, dan is de benoeming en vervolgens installatie door de raad een impliciete ontheffing waarover niet op een later tijdstip door de raad kan worden besloten. Pas voor de jaarlijkse verlenging is weer een besluit nodig.
De beide wethouders hebben vóór de raadsvergadering expliciet aangegeven niet te willen verhuizen en daarvoor ook hun redenen gegeven. De raad heeft die redenen overwogen en vervolgens besloten de wethouders te installeren. Daarmee is de ontheffing een gegeven.
Artikel 33 vragen Met betrekking tot een eventuele verlenging is de raad vrij om te besluiten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt een ruimhartige uitleg van het begrip “bijzondere omstandigheden”. Omdat de raad bij het nemen van het installatiebesluit wist van het voornemen om niet te gaan verhuizen, zegt dat ook wat over de genegenheid van de Raad de ontheffing telkens te verlengen. U geeft aan dat u wist van het voornemen. Als u twijfels had ten aanzien van het voldoen aan het woonplaatsvereiste van de kandidaat-wethouders had u dat vóór of bij de installatie in de raad bespreekbaar kunnen maken.
2. Welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen het niet gaan wonen in de gemeente Midden-Drenthe voor de heer de Kruijf?
2. Idem. 3. Bent u met mij van mening, dat het vervullen van de functie van wethouder en ook raadslid, een belangrijke voorbeeldfunctie is? 3. Ja.
4. Bent u met mij van mening, dat de wet altijd moet worden gevolgd en dat de voorbeeldfunctie daar ook een essentiële rol speelt?
4. Ja. Uw vraagstelling nuanceert het volgen van de wet. Daar ben ik het mee eens. 5. Bent u met mij van mening, dat het afleggen van een eed of belofte zeker impliceert, dat men de wet respecteert en volgt? 5. De tekst van de belofte of de eed is hierover heel duidelijk. Mijn mening voegt daar niets aan toe.
6. Was het u als burgemeester en voorzitter van de raad bekend, toen u de collegeleden installeerde door het afleggen van eed en/of belofte, dat er twee wethouders niet bereid waren om in de gemeente Midden- Drenthe te gaan wonen?
6. Ik was op de hoogte van het feit dat er een ontheffing nodig was.