Asten, 25 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Schriftelijke vragen aan het College
Artikel 47 Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad.
Registratie: _2026-03_
Datum: 23-09-2026
Steller vragen: _Bas van den Bosch, PGA Asten_
Onderwerp: Brief van vijf wethouders aan G.S.
Het college wordt verzocht de volgende vragen mondeling en schriftelijk te beantwoorden:
1. De wethouder heeft aangegeven dat de brief aan GS is vastgesteld door het college. Met welke inwoners betrokken ondernemers, natuurorganisaties of andere maatschappelijke partijen heeft het college tussen 16 juli (bekendmaking voornemen aan ondernemers) en 23 juli (dagtekening brief van de wethouders) gesproken voordat het zich in deze kwestie uitsprak?
2. Is het college van burgemeester en wethouders met ons van mening dat het haar taak is om zich aan de wet te houden?
3. Vindt het college het passend dat ze aan GS verzoekt om gerechtelijke uitspraken niet na te komen totdat de Raad van State een definitief oordeel heeft geveld?
4. Kan iedere inwoner van Asten die door een provinciaal besluit of een rechterlijke uitspraak in zijn bedrijfsvoering of persoonlijke belangen wordt geraakt, rekenen op een gezamenlijke lobbybrief van de wethouders aan het bevoegde bestuursorgaan?
5. Is het college bekend met de uitspraak van de Raad van State van 18 september 2025 waarin deze aangeven dat, in afwachting van de behandeling van deze zaak, de uitspraak van de rechtbank dient te worden nageleefd?
6, Waarom vermeldt de brief wel dat de vergunningen destijds rechtmatig zijn verleend, maar niet dat de rechtbank heeft vastgesteld dat beschermde habitats achteruitgaan en dat binnen een jaar een blijvende en substantiële daling van de stikstofdepositie noodzakelijk is?
7. Was de wethouder op het moment dat hij deze brief ondertekende namens het college ervan op de hoogte dat al dwangsommen verbeurd werden aan de eisers? En is het college ervan op de hoogte dat er nog steeds uit publieke middelen dwangsommen worden betaald?
8. Erkent het college dat Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke en juridische beoordeling van de ingediende reductievoorstellen en voor de uitvoering van
de rechterlijke uitspraak? Welke rol ziet het college van Asten, gelet op deze bevoegdheidsverdeling, voor zichzelf bij de beoordeling of beïnvloeding daarvan?
9, Heeft het college vastgesteld dat de besluitvorming rond de brief onafhankelijk van de politieke en persoonlijke relatie met het betrokken raadslid heeft plaatsgevonden?
Indien dit niet gebeurd is, kan het college dan aangeven waarom zij dit niet noodzakelijk achtte?
10. Was het college bij ondertekening bekend met de discussie bij ons collega-raadslid over het aantal dieren dat niet door de bestaande natuurvergunning zou worden gedekt?
11. Onderschrijft het college met ons het belang van gebiedsprocessen om samen te werken naar een buitengebied met een duurzame balans tussen agrarisch gebruik en de natuur?
12. In de brief wordt gewaarschuwd dat intrekking van de vergunningen gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van agrarische ondernemers en hun bereidheid om aan gebiedsprocessen mee te werken.
Was het college bij de ondertekening bekend met een voornemen van ZLTO om de deelname aan de GGA-processen op te schorten?
13. Onderschrijft het college het uitgangspunt dat deelname aan GGA Vitale Peel een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle gebiedspartners is en niet afhankelijk kan zijn van de uitkomst van handhavings- of vergunningprocedures ten aanzien van individuele ondernemingen?
14. Heeft het college de ZLTO, als formele gebiedspartner van GGA Vitale Peel, inmiddels verzocht de deelname aan het gebiedsproces te hervatten? Zo ja, wanneer en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
15. Erkent het college NatuurDoelAnalyses en de daarop uitgebrachte adviezen van de Ecologische Autoriteit als gezaghebbende basis voor de besluitvorming over de bescherming en het herstel van N2000 gebieden?
16. Volgens de Ecologische Autoriteit kunnen natuurbeheer en hydrologische maatregelen niet dienen als vervanging voor de eveneens noodzakelijke vermindering van de stikstofdepositie bij de bron.
Onderschrijft het college het advies van de Ecologische Autoriteit dat maatregelen waarvan al vaststaat dat zij noodzakelijk zijn en waarvan de ecologische risico’s gering tot nihil zijn, spoedig moeten worden uitgevoerd?
17. Indien het college een of meer van deze bevindingen niet onderschrijft, om welke bevindingen gaat het dan en op welke ecologische onderzoeken of deskundigenadviezen baseert het college haar afwijkende oordeel?
Toelichting:
De brief stond als ingekomen stuk bij de commissie Ruimte. Wethouder Bankers heeft hier vragen over beantwoord
Bas van den Bosch,
PGA Asten