Asten, 1 oktober 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
Schriftelijke vragen aan het College
Artikel 47 Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad.
uitvoering van de rechterlijke uitspraak? Welke rol ziet het college van Asten, gelet op deze bevoegdheidsverdeling, voor zichzelf bij de beoordeling of beïnvloeding daarvan?
9, Heeft het college vastgesteld dat de besluitvorming rond de brief onafhankelijk van de politieke en persoonlijke relatie met het betrokken raadslid heeft plaatsgevonden?
Indien dit niet gebeurd is, kan het college dan aangeven waarom zij dit niet noodzakelijk achtte?
10. Was het college bij ondertekening bekend met de discussie bij ons collega-raadslid over het aantal dieren dat niet door de bestaande natuurvergunning zou worden gedekt?
11. Onderschrijft het college met ons het belang van gebiedsprocessen om samen te werken naar een buitengebied met een duurzame balans tussen agrarisch gebruik en de natuur?
12. In de brief wordt gewaarschuwd dat intrekking van de vergunningen gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van agrarische ondernemers en hun bereidheid om aan gebiedsprocessen mee te werken.
Was het college bij de ondertekening bekend met een voornemen van ZLTO om de deelname aan de GGA-processen op te schorten?
13. Onderschrijft het college het uitgangspunt dat deelname aan GGA Vitale Peel een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle gebiedspartners is en niet afhankelijk kan zijn van de uitkomst van handhavings- of vergunningprocedures ten aanzien van individuele ondernemingen?
14. Heeft het college de ZLTO, als formele gebiedspartner van GGA Vitale Peel, inmiddels verzocht de deelname aan het gebiedsproces te hervatten? Zo ja, wanneer en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
15. Erkent het college NatuurDoelAnalyses en de daarop uitgebrachte adviezen van de Ecologische Autoriteit als gezaghebbende basis voor de besluitvorming over de bescherming en het herstel van N2000 gebieden?
16. Volgens de Ecologische Autoriteit kunnen natuurbeheer en hydrologische maatregelen niet dienen als vervanging voor de eveneens noodzakelijke vermindering van de stikstofdepositie bij de bron.
Onderschrijft het college het advies van de Ecologische Autoriteit dat maatregelen waarvan al vaststaat dat zij noodzakelijk zijn en waarvan de ecologische risico’s gering tot nihil zijn, spoedig moeten worden uitgevoerd?
17. Indien het college een of meer van deze bevindingen niet onderschrijft, om welke bevindingen gaat het dan en op welke ecologische onderzoeken of deskundigenadviezen baseert het college haar afwijkende oordeel?