Oude IJsselstreek, 21 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Commissiebijdrage DRU Industriepark
Voorzitter,
Na bestudering van de stukken die na de presentatie van de halfjaarcijfers openbaar zijn geworden, begrijp ik de zorgen en de vele vragen die bij de commissie leven. Die zorgen deel ik ook als portefeuillehouder.
Maar anderzijds komt de huidige situatie ook niet volledig als verrassing. De directeur-bestuurder heeft in een raadsinformatiebijeenkomst van 23 februari al aangegeven dat zij het zonder hulp van de gemeente niet tot het einde van het jaar zou redden.
Voordat ik de vragen per onderwerp beantwoord, wil ik daarom eerst de kern van de situatie benoemen.
De fundamentele vraag waar we de komende periode voor staan, is: willen we het DRU Industriepark behouden, of laten we de stichting failliet gaan?
Beide keuzes hebben financiële en maatschappelijke gevolgen voor onze gemeente. Een faillissement betekent dus niet dat de kosten voor de gemeente verdwijnen. Het verschil zit er voor mij ook in waar de regie komt te liggen.
Als we kiezen voor het behoud van de DRU, houden we als gemeente zelf invloed en kunnen we gericht sturen op de toekomst en de continuïteit van het Industriepark. Bij een faillissement komt die regie grotendeels bij een curator te liggen. Wat er dan met de activiteiten, de openstelling en de dienstverlening aan onze inwoners gebeurt, is op voorhand niet volledig te overzien.
Ik merk dat er soms een beeld bestaat dat een faillissement overzichtelijk is en dat de gemeente daarna de exploitatie wel kan overnemen. Dat vind ik te eenvoudig voorgesteld. Een faillissement kent juridische, financiële, organisatorische en maatschappelijke gevolgen die we nu niet volledig kunnen overzien.
We zijn daarom bezig om de mogelijke scenario’s en de gevolgen daarvan, voor zover die vooraf zijn in te schatten, in beeld te brengen. Die informatie wordt toegevoegd aan de stukken voor het raadsvoorstel dat in oktober volgt.
Maar daarom moeten we de vragen die vandaag voorliggen niet alleen afzonderlijk beantwoorden. We moeten ze steeds bekijken vanuit de fundamentele keuze die voor ons ligt.
Voordat ik inga op de gestelde vragen, wil ik kort stilstaan bij mijn opdracht als portefeuillehouder.
Die opdracht is helder vastgelegd in het coalitieprogramma dat op 11 juni door de raad is vastgesteld.
Daarin is benoemd dat de gemeente, als grootste subsidiegever, een belangrijke rol heeft bij het duurzaam financieel herstel van de stichting. Tegelijkertijd hebben we vanuit onze andere rollen oog voor het essentiële belang van het DRU Industriepark voor onze gemeente.
Met die opdracht in mijn achterzak zijn de ambtelijke organisatie en ik de gesprekken met de interim-directeur-bestuurder aangegaan.
Ook de besluiten die sindsdien zijn genomen, moeten in dat perspectief worden gezien: eerst de acute continuïteit waarborgen en vervolgens toewerken naar een duurzaam financieel perspectief.
Dat is het uitgangspunt geweest bij mijn handelen als portefeuillehouder en bij de stappen die de afgelopen maanden zijn gezet.
Vanuit die context wil ik nu overgaan tot de beantwoording van de gestelde vragen. Ik heb de vragen daarbij waar mogelijk gebundeld.
1. Financiële positie en risico’s voor de gemeente
Laat ik beginnen met het totale financiële beeld vanuit de gemeente.
Op dit moment hebben we vanuit de gemeente te maken met verschillende financiële componenten.
Allereerst is er de openstaande huur. Over 2024 en 2025 gaat het om €1.361.000.
Daarnaast wordt voor 2026 uitgegaan van het opschorten van de huur over de maanden juni tot en met december. Dat gaat om afgerond €371.000.
Daarnaast hebben we een langlopende lening van €100.000, die in 2025 is verstrekt. Daar komt de kortlopende lening van €250.000 bij die in augustus door college is besloten.
Verder is er de aankoop van ’t Ourlokaal voor €300.000. Daar staat vastgoed tegenover dat op onze balans is opgenomen en dat we terug verhuren aan DRU. Dat bedrag moet daarom anders worden geduid dan bijvoorbeeld een lening of een openstaande huurvordering.
Ook is er nog sprake van een BNG-lening van €600.000, ook dit maakt onderdeel uit van het totale financiële beeld.
Het gaat dus om een aanzienlijk financieel belang van de gemeente, afgerond €2,7 miljoen.
Daarbij moeten we wel onderscheid blijven maken tussen de verschillende soorten bedragen. Een lening, een vordering, uitgestelde huur en een investering in vastgoed zijn financieel en juridisch niet hetzelfde.
Vanuit de gemeente is hier inmiddels ook al grotendeels op geanticipeerd. Bij de jaarrekening 2025 hebben we in onze voorziening dubieuze debiteuren een bedrag van €760.000 opgenomen voor de huurachterstand.
Daarnaast hebben we in de paragraaf weerstandsvermogen een risico opgenomen van afgerond €1.774.000.
Als we dan vooruitkijken naar de cijfers die door de directeur-bestuurder zijn gepresenteerd, gaat het om het begrote negatieve resultaat van circa €303.000 binnen de stichting, zoals ook gemeld in de raadsinformatiebijeenkomst van 23 februari.
Over het eerste halfjaar van 2026 laat de horeca een tekort zien van €314.000. Voor het resterende deel van 2026 wordt op dit moment voorlopig rekening gehouden met een maximaal aanvullend tekort van ongeveer €502.000. Dit kan alleen maar lager worden afhankelijk van hoe onder andere het horeca-offensief zich ontwikkelt.
We hebben nu in ieder geval volledig inzicht en dat is belangrijk voor de vraag hoe we verder moeten met DRU.
Het bevestigt ook dat we niet alleen naar de acute liquiditeitsvraag van vandaag moeten kijken.
De lening van €250.000 en het opschorten van de huur vanaf juni is een tijdelijke oplossing om de acute continuïteit te overbruggen. Maar daarmee is het onderliggende financiële vraagstuk niet opgelost.
Dat is ook precies de reden waarom ik steeds benadruk dat we toe moeten naar een duurzaam financieel perspectief voor het DRU Industriepark.
We moeten inzicht en grip krijgen in de structurele inkomsten en uitgaven, de ontwikkeling van de liquiditeit, de schuldenpositie, de eigen inkomsten en de vraag welke activiteiten en welk serviceniveau structureel financieel haalbaar zijn.
De cijfers die ik heb genoemd, maken ook duidelijk waarom we de komende periode zorgvuldig moeten handelen.
We hebben als gemeente een groot financieel belang bij de DRU. Dat betekent niet dat iedere financiële tegenvaller automatisch door de gemeente moet worden opgevangen.
De Stichting DRU en de Horeca BV hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hun bedrijfsvoering en financiële resultaten.
Onze inzet is daarom niet om tekorten onbeperkt te blijven financieren.
Onze inzet is om de continuïteit nu te waarborgen en tegelijkertijd samen met DRU toe te werken naar een situatie waarin duidelijk is wat er nodig is om de DRU ook op langere termijn financieel houdbaar te laten functioneren. Het schuldenoverzicht zal overigens met de raad worden gedeeld.
2. De acute situatie en de genomen maatregelen
Ik wil bij dit onderwerp wat uitgebreider stilstaan. Niet alleen bij het besluit dat uiteindelijk op 25 augustus door het college is genomen, maar vooral bij de aanloop daar naartoe.
Ik merk namelijk dat daar bij de raad veel vragen over zijn.
Waarom hebben we dit gedaan? Waarom is er vooruitbetaald? Waarom is de huur opgeschort? En waarom is de raad daar niet vooraf over geïnformeerd?
Om dat goed te kunnen begrijpen, moeten we terug naar 29 juli.
Ik was op dat moment met vakantie, maar nog niet naar het buitenland vertrokken. Omdat er op dat moment meer zicht kwam op de halfjaarcijfers van de DRU, heb ik besloten om toch aan te sluiten bij het bestuurlijk overleg.
Uit dat overleg werd duidelijk dat de Stichting met een serieus probleem zat als het gaat om de beschikbare liquide middelen.
De belangrijkste oorzaak daarvan lag bij de horeca. De omzet in de horeca, en met name aan de evenementenkant, bleef fors achter.
Op basis van de toen beschikbare informatie was ook duidelijk dat dit voor 2026 niet zomaar meer zou worden omgebogen.
Tegelijkertijd werd en wordt er hard gewerkt om de horeca weer op gang te brengen. Het ingezette horeca-offensief moet daar onder andere verandering in brengen.
De directeur-bestuurder ziet voldoende potentie in de horeca, maar herstel kost tijd. En er kan op dit moment geen garantie worden gegeven wanneer de horeca weer op het oude niveau zit.
Dat is belangrijk om te benoemen, omdat de Stichting in feite op twee belangrijke pijlers drijft: de gemeente en de horeca.
Als de horeca onvoldoende inkomsten genereert en daardoor onvoldoende middelen richting de Stichting vloeien, ontstaat er bij de Stichting een liquiditeitsprobleem.
En dat probleem wordt vervolgens heel concreet.
De Stichting kon haar leveranciers en andere belangrijke crediteuren niet betalen. Dan ontstaat er niet alleen een financieel probleem, maar ook een probleem met vertrouwen en geloofwaardigheid waar ze dus met een horeca-offensief mee aan het opbouwen zijn.
En juist dat konden de DRU op dat moment niet gebruiken. Het ingezette horeca-offensief had ruimte nodig om te kunnen slagen.
De Stichting kon op dat moment dan ook niet anders dan bij de gemeente aankloppen.
Dat betekent overigens niet dat de gemeente automatisch alle financiële problemen van de Stichting moet oplossen. Dat heb ik ook in dat overleg aangegeven.
De directeur bestuurder heeft de opdracht gekregen om nogmaals te kijken wat de Stichting zelf nog kon doen en welke mogelijkheden er nog waren.
Er is daarom afgesproken dat de Stichting zelf zou kijken naar mogelijkheden om haar betalingsproblemen op te vangen. Onder andere is gekeken of er een betalingsregeling met de Belastingdienst kon worden getroffen voor de btw en de loonbelasting.
Daarnaast stond op 25 augustus de eerste reguliere collegevergadering na het zomerreces gepland. Dat was het moment waarop het college de ontstane situatie integraal kon bespreken en daarover een besluit kon nemen.
Daarbij heb ik nadrukkelijk aangegeven dat ik niet zonder meer kon overgaan tot het verstrekken van liquide middelen. We moesten eerst kijken welke mogelijkheden er waren.
Een van de opties die we hebben onderzocht, was bijvoorbeeld of het krediet bij de BNG kon worden opgehoogd.
Dat zou op dat moment voor de gemeente feitelijk geen directe extra uitgave betekenen, maar het zou uiteraard wel het financiële risico voor de gemeente vergroten.
Ambtelijk is daarom contact opgenomen met de BNG om te onderzoeken of dat mogelijk was.
Die mogelijkheid bleek er niet te zijn.
Tijdens het overleg van 29 juli kwam bovendien naar voren dat de huur die de DRU aan de gemeente verschuldigd was, vanaf juni niet meer was betaald. Dat is vervolgens ambtelijk gecontroleerd en bevestigd.
Ik heb de directeur-bestuurder hier ook op aangesproken.
Op 31 juli is vervolgens – na onderzoek van mogelijkheden om de betalingsproblemen op te vangen - door de directeur-bestuurder aangegeven dat, als er pas op 25 augustus een collegebesluit zou komen, zij vanuit haar bestuurlijke verantwoordelijkheid genoodzaakt zou zijn om betalingsonmacht te melden.
Daarmee werd de urgentie nog groter.
Op 4 augustus heb ik daarom digitaal en fysiek de op vakantie zijnde collegeleden bij elkaar geroepen en over de ontstane situatie gesproken.
We stonden toen voor de vraag: hoe voorkomen we dat een acuut liquiditeitsprobleem uitmondt in een situatie waarin de Stichting haar belangrijkste crediteuren niet meer kan betalen en daarmee feitelijk richting faillissement gaat?
In het licht van onze opdracht om de acute situatie op te lossen, hebben we bestuurlijke verantwoordelijkheid genomen en gekozen voor een praktische tijdelijke oplossing.
We hebben als college besloten om een aantal facturen vooruit te betalen. Het ging om de facturen voor de raadszaal en STOER. Daarnaast is de declaratie voor de digitale vitrines voldaan, gezamenlijk ongeveer €128.000.
Daarbij is voor ons nadrukkelijk meegewogen dat dit geen kosten waren die we ineens speciaal voor DRU gingen maken. De dienstverlening van STOER gaat door en de raadsvergaderingen vinden gewoon plaats. Deze kosten zouden dus sowieso worden gemaakt.
Door deze bedragen te betalen, konden we op dat moment liquiditeit vrijmaken, zodat de DRU de belangrijkste leveranciers en crediteuren kon betalen en de dienstverlening, ook aan ons, kon continueren.
Daarbij hebben we aan de directeur-bestuurder ook aangegeven dat de huur vanaf juni tijdelijk zou worden opgeschort.
Want als wij op dat moment wel huur zouden innen, zou dat geld bij DRU niet beschikbaar zijn om de leveranciers, salarissen en andere belangrijke crediteuren te betalen.
En daar zat voor mij een belangrijke afweging.
We moesten op dat moment voorkomen dat een acute liquiditeitskwestie zou escaleren. Tegelijkertijd was het horeca-offensief net gestart.
DRU had er belang bij dat er rust en ruimte kwam om dat offensief uit te voeren.
Het heeft weinig zin om aan de ene kant alles op alles te zetten om de horeca weer op gang te brengen en tegelijkertijd door een acute betalingscrisis die ontwikkeling teniet te doen.
De volgende dag ben ik met vakantie gegaan richting Zuid-Frankrijk, tot 19 augustus.
Op 19 augustus heeft Stichting DRU vervolgens schriftelijk verzocht om het beschikbaar stellen van een passende geldlening, zodat de continuïteit van de Stichting kon worden gewaarborgd.
Daarop is het collegevoorstel voorbereid dat op 25 augustus in het college is behandeld.
Het college heeft toen besloten om een kortlopende lening van maximaal €250.000 te verstrekken en formeel de huur vanaf juni tijdelijk op te schorten. Dit is een bevoegdheid van het college conform artikel 8 van de financiële verordening.
De lening en de opschorting van de huur is daarbij als tijdelijke maatregel bedoeld om de acute liquiditeit te overbruggen.
Waarom is de raad niet vooraf geïnformeerd?
Dat is een vraag die ik goed begrijp en daar hebben we ook mee zitten worstelen.
De raad had op dat moment zomerreces. Tegelijkertijd was de situatie bij de DRU acuut.
We hadden een directeur-bestuurder die aangaf dat zij, wanneer er niet op korte termijn een oplossing kwam, vanuit haar bestuurlijke verantwoordelijkheid betalingsonmacht zou moeten melden.
We stonden daarmee voor een praktische bestuurlijke keuze: wachten tot de raad weer bijeen was en daarmee het risico nemen dat de acute situatie verder zou escaleren, of tijdelijk handelen om de continuïteit veilig te stellen en de raad vervolgens zo snel mogelijk volledig te informeren.
Het college heeft voor het tweede gekozen.
Dat betekent niet dat wij de raad buiten beeld wilden houden. Integendeel.
We wilden juist voorkomen dat de raad alleen geconfronteerd zou worden met een losse melding over een lening of huurachterstand, zonder de context waarin die besluiten waren genomen.
Op 31 augustus hebben we de raad in een besloten raadsbijeenkomst geïnformeerd over de ontstane situatie, de genomen maatregelen en de afwegingen die het college daarbij heeft gemaakt.
Daarbij hebben we ook besproken dat deze besluiten niet het eindpunt zijn.
De maatregelen van augustus zijn wat mij betreft een opmaat naar het voorstel dat in oktober aan de raad wordt voorgelegd.
We hebben met deze maatregelen tijd gekocht om de acute situatie te stabiliseren en vervolgens het bredere financiële perspectief met de raad te kunnen bespreken.
De vooruitbetalingen, de opschorting van de huur en de kortlopende lening staan niet los van elkaar.
Ze zijn allemaal voortgekomen uit dezelfde acute liquiditeitssituatie en dezelfde bestuurlijke afweging: hoe voorkomen we op dat moment dat de Stichting omvalt, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan het herstel en aan een structureel perspectief?
Ook is bewust gekozen om het collegebesluit uitgesteld openbaar te maken.
Nu de inkomsten uit horeca en evenementen omhoog moeten, is het belangrijk dat de DRU de ruimte krijgt om het ingezette horeca-offensief daadwerkelijk uit te voeren.
Negatieve berichtgeving en voortdurende publieke aandacht voor financiële problemen helpen niet om de noodzakelijke omzetgroei te realiseren.
Daarom is ervoor gekozen om het complete verhaal — de halfjaarcijfers van DRU en het besluit van het college — in samenhang te kunnen vertellen. Oorspronkelijk zou dat zijn op 7 september, maar vanwege een werkbezoek van de raad naar een week later verschoven.
En dan is ook de vraag gesteld: hoe reëel is het dat de lening en de opgeschorte huur worden terugbetaald?
Die vraag heb ik ook tijdens de besloten raadsbijeenkomst beantwoord.
Ik acht het op dit moment niet reëel dat de DRU deze bedragen vanuit de huidige situatie volledig zal kunnen terugbetalen. Ik vind dat we daar eerlijk over moeten zijn.
De Stichting bevindt zich in een acute financiële situatie, waarbij de horeca-inkomsten fors achterblijven.
De genomen besluiten moeten daarom vooral worden gezien in het licht van de acute continuïteit én als opmaat naar het bredere voorstel dat in oktober aan de raad wordt voorgelegd.
De lening en de opschorting van de huur zijn daarmee geen structurele oplossing.
Ze geven tijd en ruimte.
De vraag is vervolgens wat we met die tijd doen en welk perspectief daar tegenover staat.
En dat brengt ons uiteindelijk weer bij de kern van dit dossier: we moeten ervoor zorgen dat het DRU Industriepark niet alleen vandaag overeind blijft, maar dat we gezamenlijk kunnen bepalen hoe we tot een toekomstbestendig financieel model komen.
3. Huurbetaling, financiële signalen en informatie
Ik heb bij het vorige blok uitgebreid de context geschetst waarbinnen de besluiten over de huur en de liquiditeit zijn genomen.
Die context is ook belangrijk voor de vragen die hier worden gesteld over de huurbetaling, de signalen die er waren en het moment waarop wij wisten dat de huur niet meer werd betaald.
Laat ik daarbij één ding heel duidelijk zeggen.
Op 29 juli is door de directeur-bestuurder voor het eerst bij mij gemeld dat de huur vanaf juni niet meer was betaald. Dat is vervolgens door onze ambtelijke organisatie gecontroleerd en bevestigd.
Dat betekent dus dat ik niet eerder op de hoogte was van het feit dat de huur vanaf juni daadwerkelijk niet meer was betaald.
Dat neemt niet weg dat ik daar bepaald niet blij mee ben en daarmee wordt verrast en baal daar ook flink van. Het helpt allemaal niet mee in de discussie waar we inzitten.
Zeker omdat de gemeenteraad bij het besluit over het uitbetalen van het de subsidie nadrukkelijk de voorwaarde heeft gesteld dat de huur vanaf 2026 weer maandelijks zou worden betaald.
Die afspraak was helder.
Dat de huur vervolgens vanaf juni niet meer is betaald, past daar dus niet bij.
Ik heb de directeur-bestuurder daar ook op aangesproken, maar ook zij heeft te maken gehad met een samenloop van omstandigheden.
4. Informatievoorziening en de rol van de raad
Er wordt gevraagd naar de gespreksverslagen.
De gespreksverslagen zijn vertrouwelijk met uw raad gedeeld. U heeft daarmee kennis kunnen nemen van de inhoud en het doel van deze gesprekken.
Het ging daarbij niet alleen over de acute financiële situatie, maar nadrukkelijk ook over de bredere toekomst van DRU.
Dan wordt er gesteld dat niet alle partijen over dezelfde informatie beschikken en dat met politieke partijen of fracties de op handen zijnde liquiditeitsproblematiek vóór 16 juni mondeling is gedeeld.
Daarvoor geef ik ter herinnering dat in de commissievergadering van februari de directeur-bestuurder nadrukkelijk heeft aangegeven dat zij bereid was om politieke partijen van informatie te voorzien en dat de deur daarvoor openstond.
Tijdens de formatie hebben de partijen die de coalitie zijn gaan vormen daar ook gebruik van gemaakt.
Er heeft een gesprek plaatsgevonden met de interim-directeurbestuurder en een lid van de Raad van Toezicht van de DRU.
In het gesprek (eind april 2026) zijn over en weer vragen en zorgen gedeeld, maar is ook gesproken over de financiële situatie en de toekomst van DRU.
Die gesprekken hebben mede geleid tot de opdracht die uiteindelijk in het coalitieprogramma is opgenomen:
“De gesprekken met de interim directeur-bestuurder en een lid van de raad van toezicht geven de coalitie vertrouwen in en perspectief op het voortbestaan van het DRU Industriepark. Daarom kiezen we voor een aanpak in twee stappen. In 2026 richten we ons op de acute maatregelen om de continuïteit van de DRU te waarborgen. Eind 2026 is meer financieel inzicht beschikbaar. Begin 2027 werken we dan samen aan een meerjarenplan. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de schuldenpositie en de investeringsbehoefte van de organisatie, om te komen tot een toekomstbestendige oplossing.”
Dat is voor mij de basis van mijn handelen als portefeuillehouder:
Gezamenlijk werken aan de toekomstbestendigheid van het DRU Industriepark.
De raad heeft op 11 juni met de vaststelling van het coalitieprogramma gekozen voor een aanpak waarbij we in 2026 eerst de acute continuïteit van DRU waarborgen, eind 2026 meer financieel inzicht verkrijgen en vervolgens begin 2027 gezamenlijk werken aan een meerjarenplan.
5. Verantwoordelijkheid van DRU en de rol van de gemeente
De vraag die hierover is gesteld, gaat in de kern over de verantwoordelijkheid van Stichting DRU voor haar eigen exploitatie en over de vraag hoever de verantwoordelijkheid van de gemeente reikt.
Daar wil ik helder in zijn.
Aan de voorkant zijn daar afspraken over gemaakt.
De Stichting is verantwoordelijk voor haar eigen bedrijfsvoering, voor de exploitatie en voor het binnen de beschikbare financiële ruimte blijven.
Dat geldt ook voor het maken van keuzes over uitgaven, inkomsten en investeringen.
Daar kunnen we ons als college ook in vinden.
Het is dus niet zo dat de gemeente verantwoordelijk is voor ieder financieel tekort dat binnen de Stichting ontstaat.
De gemeente heeft een subsidierelatie met DRU en daar horen afspraken en voorwaarden bij.
De verantwoordelijkheid voor een gezonde bedrijfsvoering ligt in eerste instantie bij de Stichting zelf.
Maar tegelijkertijd moeten we constateren dat de belangen van het DRU Industriepark voor onze gemeente groter zijn dan alleen de subsidierelatie.
Wij zijn als gemeente ook eigenaar van de panden.
Maar misschien nog belangrijker: het DRU Industriepark heeft een grote maatschappelijke betekenis voor onze inwoners, voor verenigingen, voor cultuur, voor onderwijs, voor ondernemers en voor de regio.
Vanuit die verschillende rollen hebben wij als gemeente ook een belang bij het voortbestaan en de toekomst van de DRU.
Dat maakt dit dossier ook ingewikkeld.
Je kunt niet alleen vanuit de subsidierelatie naar de DRU kijken.
Als we met de kennis van vandaag terugkijken, vind ik ook dat we als gemeente kritisch naar onszelf moeten kijken.
Een belangrijk voorbeeld daarvan is het genomen besluit in 2018 om €150.000 op de subsidie van de DRU te korten.
Dat besluit is vanuit de toenmalige situatie en de gemaakte afspraken te begrijpen.
Maar als we nu terugkijken, moeten we ook constateren dat we daarmee indirect de financiële flexibiliteit van de Stichting verder hebben beperkt.
De Stichting heeft daardoor nauwelijks ruimte gehad om te reserveren voor toekomstig onderhoud en investeringen.
Tegelijkertijd zien we dat de Stichting vanaf 2019 negatieve resultaten heeft geboekt en daarmee heeft ingeteerd op het eigen vermogen. Deze inzichten zijn in het verleden nooit zo concreet geweest.
Dat waren achteraf bezien ook signalen waar wij als gemeente eerder en nadrukkelijker op hadden moeten reageren. Echter dat inzicht ontbrak ook.
Dat zeg ik bewust.
Het is te gemakkelijk om nu alleen naar de Stichting te wijzen en te zeggen: dit is hun verantwoordelijkheid.
Dat klopt voor een belangrijk deel, maar wij moeten ook kijken naar onze eigen rol als gemeente.
We zijn subsidieverstrekker, eigenaar van het vastgoed en hadden vanuit het maatschappelijke belang een duidelijke betrokkenheid bij DRU.
6. Bestuur, directeur-bestuurder en financiële controle
Een aantal vragen gaat over de bestuurskosten, de voormalige directeurbestuurder en de wijze waarop de financiële controle bij DRU is ingericht.
Laat ik beginnen met de bestuurskosten.
De hogere bestuurskosten zijn in principe eenmalig. Deze hangen samen met de bijzondere situatie waarin DRU zich bevindt en de extra inzet die nodig is om de organisatie financieel en bestuurlijk weer op orde te krijgen.
Het gaat dus niet om een structurele verhoging van de bestuurskosten voor de toekomst.
De extra kosten zijn gemaakt in het kader van het herstel van de DRU en de opdracht waar we gezamenlijk voor staan.
Nieuwe directeur-bestuurder
Dan de vraag wanneer er een nieuwe directeur-bestuurder wordt geworven.
De Raad van Toezicht is hiervoor verantwoordelijk.
Het was aanvankelijk de bedoeling van de Raad van Toezicht om na de zomervakantie te starten met de voorbereidingen voor een sollicitatieprocedure.
Daarover is ook met de gemeente gesproken.
Wij hebben vanuit het college aangegeven dat wij het op dit moment verstandiger vinden om de huidige interim-directeur-bestuurder eerst de acute situatie en het meerjarenperspectief te laten afronden, voordat een nieuwe directeur-bestuurder wordt geworven.
Daar zitten voor mij een paar redenen achter.
Allereerst zitten we midden in een herstelproces. Er moet op korte termijn rust en duidelijkheid komen over de financiële positie van de DRU en er moet een meerjarig toekomstperspectief worden opgesteld.
Ik vind het niet logisch om daar middenin ook nog een wisseling van de directie door te voeren.
Daarnaast verwacht ik dat het lastig wordt om een goede nieuwe directeur-bestuurder aan te trekken zolang er geen duidelijk toekomstperspectief voor de organisatie ligt.
Je wilt iemand kunnen vertellen waar de DRU naartoe gaat, welke financiële ruimte er is en welke opdracht er ligt.
En ik ben er ook van overtuigd dat de huidige interim-directeurbestuurder op dit moment de juiste persoon is om deze fase met goed gevolg af te ronden.
Zij heeft ervaring met complexe herstelopgaven en heeft inmiddels veel kennis van de organisatie en de financiële situatie.
Daarom is de verwachting op dit moment dat de Raad van Toezicht in het voorjaar van 2027 de procedure voor een nieuwe directeurbestuurder gaat opstarten.
Maar nogmaals: de benoeming van een directeur-bestuurder is de verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht.
Het college heeft hierin geen benoemingsbevoegdheid.
Wij hebben onze voorkeur en onze argumenten met de Raad van Toezicht gedeeld.
Vertrek voormalige directeur-bestuurder
Dan de vragen over het vertrek van de vorige directeur-bestuurder.
De Raad van Toezicht heeft de gesprekken over het vertrek met de voormalige directeur-bestuurder gevoerd en deze kwestie inmiddels afgewikkeld. In de vaststellingsovereenkomst is contractueel afgesproken dat gegevens niet worden gedeeld. Dus ik kan hier niets over zeggen
Er zijn daarnaast geen aansprakelijkheidsprocedures gestart.
Ook vanuit de gemeente gaan wij geen afzonderlijk onderzoek instellen om de voormalige directeur-bestuurder aansprakelijk te stellen.
Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat we geen lessen trekken uit wat er in de afgelopen jaren is gebeurd.
Integendeel.
Zoals ik bij het vorige blok heb aangegeven, moeten we juist kijken naar de financiële ontwikkeling van DRU, de signalen die er zijn geweest en de wijze waarop bestuur, Raad van Toezicht en gemeente daarmee zijn omgegaan.
Maar dat is iets anders dan achteraf als gemeente een eigen aansprakelijkheidsonderzoek starten naar een voormalig directeurbestuurder.
Controle en financiële verantwoording
Dan is er nog een vraag gesteld over het loslaten van de zekerheid van een goedkeurende verklaring en welke aanvullende waarborgen daarvoor in de plaats zouden komen.
Als hiermee wordt bedoeld dat de gemeente minder waarde zou hechten aan een goede financiële verantwoording en controle, dan is dat nadrukkelijk niet het geval.
Juist gezien de financiële geschiedenis van de DRU vind ik het van groot belang dat de financiële informatie betrouwbaar, controleerbaar en transparant is.
We moeten als gemeente kunnen beschikken over voldoende informatie om onze subsidierelatie goed te kunnen uitvoeren en onze risico’s te kunnen beoordelen.
Daarbij gaat het wat mij betreft niet alleen om een formele verklaring, maar ook om tijdige rapportages, inzicht in liquiditeit, schulden, verplichtingen en de ontwikkeling van de exploitatie.
Mijn uitgangspunt is helder:
minder financiële controle is voor mij geen optie.
Juist in deze fase moeten we zorgen voor meer financieel inzicht en meer transparantie, zodat we als gemeente en raad op basis van dezelfde informatie de besluiten kunnen nemen die nodig zijn.
7. Staatssteun en de financiële relatie met DRU
Dan zijn er nog een aantal vragen gesteld over staatssteun.
Ik begrijp dat daar vragen over zijn, zeker nu de gemeente op verschillende manieren financieel betrokken is bij de DRU.
Het feit dat de gemeente financieel bijdraagt aan de DRU betekent niet automatisch dat er sprake is van staatssteun.
Het staatssteunrecht kent daarvoor een aantal voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van een voordeel voor een onderneming en dat voordeel moet de mededinging en de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden.
Die voorwaarden moeten allemaal aan de orde zijn.
Op basis van het juridisch advies dat wij hierover hebben ontvangen, is het zeer goed verdedigbaar dat de subsidie die de gemeente verstrekt voor de exploitatie van het DRU Industriepark geen staatssteun is.
Dat geldt ook wanneer wordt gekeken naar de vraag of de gemeente eventueel extra subsidie zou verstrekken voor achterstallige huur of die huur geheel of gedeeltelijk zou kwijtschelden.
Vanuit het staatssteunrecht is het niet zo dat het enkele feit dat de gemeente daarmee een financieel voordeel geeft, automatisch betekent dat sprake is van staatssteun.
Vooruitbetaling van facturen
Ook over de vooruitbetaling van de facturen waar we het eerder over hebben gehad, is juridisch advies ingewonnen.
Daarbij is het van belang dat de gemeente niet zomaar geld aan DRU heeft gegeven.
Het gaat om kosten voor het gebruik van de raadszaal en STOER en om de bijdrage voor de digitale vitrines. Deze kosten worden daadwerkelijk gemaakt.
Voor de vooruitbetaling van facturen kan bovendien worden beargumenteerd dat dit op zichzelf geen financieel voordeel voor DRU oplevert, als de onderliggende betaling marktconform is.
De juridische beoordeling kijkt daarbij onder andere naar de vraag of een private partij die in een vergelijkbare positie verkeert, onder dezelfde omstandigheden ook tot een dergelijke transactie zou kunnen komen.
Daarbij hebben wij als gemeente meerdere financiële belangen bij DRU.
Als door de vooruitbetaling de continuïteit van DRU wordt geholpen en daarmee ook onze andere financiële belangen worden beschermd, kan dat worden meegenomen in die beoordeling.
Kort gezegd: het vooruitbetalen van een factuur is niet automatisch een vorm van staatssteun.
Het gaat om de totale omstandigheden waaronder dat gebeurt.
De bredere financiële relatie
Tegelijkertijd is het goed om eerlijk te zijn: DRU heeft verschillende financiële relaties met de gemeente.
DRU ontvangt subsidie. Er zijn leningen verstrekt. De gemeente huurt ook ruimten van de DRU. En er is nu sprake geweest van de tijdelijke lening en het opschorten van de huur.
Dat betekent dat we staatssteunrechtelijk naar het geheel moeten blijven kijken.
Het juridisch advies geeft daarbij aan dat er verschillende argumenten zijn om te onderbouwen dat ook deze vormen van ondersteuning niet automatisch tot staatssteun leiden.
Een belangrijk onderdeel daarvan is de vraag of de activiteiten van de DRU daadwerkelijk van invloed zijn op de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie.
Het advies geeft aan dat het goed verdedigbaar is dat daarvan geen sprake is. Het gaat hier immers om een voorziening met vooral een lokale en regionale functie.
Om die redenering goed te kunnen onderbouwen, is het wel verstandig dat de DRU periodiek inzicht geeft in het aandeel bezoekers en gebruikers dat uit het buitenland komt.
Dat is ook een van de aanbevelingen uit het advies.
Wat betekent dit concreet?
Voor mij betekent dit niet dat we de staatssteunregels naast ons neer kunnen leggen.
Integendeel.
We moeten ervoor zorgen dat de financiële relatie tussen de gemeente en DRU goed onderbouwd is en dat we kunnen uitleggen waarom de gemeentelijke bijdrage gerechtvaardigd is.
Daarom is ook geadviseerd om governance-eisen te stellen aan Stichting DRU.
We moeten kunnen onderbouwen dat een goed beheerde organisatie het DRU Industriepark niet zonder gemeentelijke bijdrage kan exploiteren en dat de bijdrage past bij de maatschappelijke functie en de omstandigheden van de DRU.
Dat sluit ook aan bij waar we in dit dossier naartoe willen: meer inzicht, betere financiële sturing en een duidelijker beeld van wat DRU structureel nodig heeft.
En mocht uiteindelijk blijken dat een bepaalde bijdrage toch als staatssteun moet worden aangemerkt, dan betekent dat bovendien niet automatisch dat de gemeente niets meer zou kunnen doen.
Voor toekomstige steun kan onder voorwaarden een vrijstelling worden gebruikt en voor steun uit het verleden kan — als dat nodig blijkt — alsnog een melding bij de Europese Commissie worden gedaan.
Op basis van het advies dat wij nu hebben, zien wij daar op dit moment geen aanleiding toe.
Er zijn voldoende juridische argumenten om te onderbouwen dat de gemeentelijke bijdragen in deze situatie niet als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU hoeven te worden aangemerkt.
Voor mij is het belangrijkste dat we dit goed blijven onderbouwen en dat we de financiële relatie met de DRU transparant en controleerbaar houden.
En daarmee sluit dit onderwerp ook weer aan bij wat ik eerder heb gezegd:
we moeten niet alleen kijken naar de vraag óf we DRU financieel ondersteunen, maar vooral onder welke voorwaarden we dat verantwoord kunnen doen en hoe we ervoor zorgen dat de organisatie op termijn financieel toekomstbestendig wordt.
8. Vervolgstappen naar een toekomstbestendig DRU
Als we kijken naar de vraag hoe we nu verdergaan, dan zijn de vervolgstappen eigenlijk al vastgelegd in het coalitieprogramma dat door deze raad is vastgesteld.
Die stappen gaan we ook zetten.
In oktober komt er een voorstel naar de raad over de maatregelen die nodig zijn om de continuïteit van het DRU Industriepark over 2026 verder te waarborgen.
Op dit moment ben ik daarover nog volop in gesprek met de directeur bestuurder.
Ik wil namelijk wel zeker weten dat de DRU met de maatregelen die we voorstellen ook daadwerkelijk het jaar 2026 kan doorkomen.
Ik wil voorkomen dat we over een paar maanden opnieuw bij elkaar zitten met dezelfde vraag.
Daarbij is met name een realistische inschatting van de horeca- en evenementeninkomsten cruciaal.
De horeca is immers een belangrijke pijler onder de exploitatie van de stichting voor het cultureel programma. De directeur-bestuurder is daar op dit moment volop mee bezig.
Ik heb natuurlijk al ideeën over wat er in oktober nodig kan zijn.
Daarover heeft het college nog geen besluit genomen, dus ik wil daar ook niet op vooruitlopen.
Maar ik wil de raad wel alvast een tipje van de sluier geven, omdat de maatregelen die we de afgelopen periode hebben genomen nadrukkelijk als opmaat naar het voorstel van oktober moeten worden gezien.
Als we kijken naar de huidige prognoses, dan is duidelijk dat de horeca op dit moment onvoldoende kan bijdragen aan het huidige culturele programma.
Dan gaat het om een bedrag van ongeveer €650.000.
Daarnaast heeft de Stichting in het kader van het herstel waar zij momenteel mee bezig is, te maken met ongeveer €270.000 aan extra incidentele kosten.
Bij elkaar hebben we het daarmee over ongeveer €920.000 aan financiële problematiek die in 2026 moet worden opgevangen.
De maatregelen die we in augustus hebben genomen — de lening van €250.000 en het opschorten van de huur — vertegenwoordigen samen ongeveer €621.000.
Deze bedragen maken onderdeel uit van het totale financiële vraagstuk en zullen ook worden betrokken bij de manier waarop we in het eerste kwartaal van 2027 met de schuldpositie omgaan.
Daarmee resteert, op basis van de huidige inzichten, nog ongeveer €299.000 om DRU in 2026 financieel te laten overbruggen.
Ook dit zal onderdeel zijn van het voorstel dat in oktober aan de raad wordt voorgelegd.
Maar daarmee zijn we er natuurlijk niet.
Zoals ook in het coalitieprogramma is opgenomen, wordt de raad eind vierde kwartaal meegenomen in het meerjarenperspectief van DRU.
Dan gaat het niet alleen over geld, maar juist ook over de verbinding tussen inhoud en financiën.
We willen inzicht geven in de opbouw van de huidige subsidie en in de relatie tussen de inhoudelijke ambities, het gewenste aanbod en de financiële middelen die daarvoor nodig zijn.
Die zaken zijn immers met elkaar verbonden.
De directeur-bestuurder heeft in haar presentatie aangegeven dat, wanneer we het huidige culturele en maatschappelijke aanbod willen behouden, daarvoor structureel ongeveer €380.000 extra nodig is.
Daarbij gaat het om het huidige aanbod en is dat bedrag nog exclusief onder meer huurdersonderhoud, inventaris, vervanging en onderhoud van technische middelen en apparaten.
Daarnaast is in die berekening uitgegaan van het uitgangspunt dat de horeca zich weer herstelt naar het niveau van 2023/2024.
Als er minder extra subsidie van € 380.000 beschikbaar is, zullen er ook inhoudelijke keuzes in het culturele programma moeten worden gemaakt.
Dat is ook de reden waarom ik het belangrijk vind dat we dit niet alleen als een financiële discussie voeren.
De raad moet kunnen bepalen welke ambities we met het DRU Industriepark willen realiseren, welk cultureel en maatschappelijk aanbod daarbij hoort en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn.
Op die manier kan de raad daadwerkelijk aan de knoppen draaien:
wat willen we dat DRU de komende jaren biedt en welke financiële bijdrage hoort daar dan bij?
De directeur-bestuurder is op dit moment bezig met verdere kostprijsberekeningen.
Wat kost bijvoorbeeld een popzaal, een theaterzaal, een filmzaal en wat zijn de kosten die samenhangen met het in stand houden van het overige aanbod?
Zij koerst daarmee, zoals afgesproken, op het vierde kwartaal.
Eerst moet de organisatie weer voldoende stabiel zijn.
Tegelijkertijd werken we nu toe naar het inzicht dat nodig is om de volgende keuzes met elkaar te kunnen maken.
Vervolgens krijgt de raad in het eerste kwartaal van 2027 een voorstel voor de langere termijn.
Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de schuldenpositie, de investeringsbehoefte en de structurele exploitatie.
Mijn inzet is dat we op basis daarvan gezamenlijk kunnen komen tot een financieel én inhoudelijk toekomstbestendig DRU Industriepark.
Dat is ook de lijn die we in het coalitieprogramma met elkaar hebben afgesproken:
eerst de acute continuïteit waarborgen, vervolgens het meerjarenperspectief scherp krijgen en daarna gezamenlijk de keuzes maken voor de langere termijn.
Afsluiting
Voorzitter,
Ik wil afsluiten waar ik mee begon.
De DRU heeft voor onze gemeente grote betekenis.
Tegelijkertijd kunnen we die betekenis niet los zien van de financiële werkelijkheid.
De maatregelen die nu zijn genomen, zijn bedoeld om de acute continuïteit te waarborgen.
Ze zijn geen structurele oplossing.
Daarom moeten we de komende periode gebruiken om tot een realistisch en duurzaam financieel perspectief te komen.
Daarbij moeten we eerlijk zijn over de verantwoordelijkheden.
De Stichting is verantwoordelijk voor de eigen bedrijfsvoering en exploitatie.
De gemeente heeft als subsidiegever, eigenaar en vanuit haar maatschappelijke rol eveneens een verantwoordelijkheid.
Mijn inzet als portefeuillehouder is om die verantwoordelijkheden niet door elkaar te laten lopen, maar ze zijn wel met elkaar verbonden. Vanuit ieders rol samen te werken aan een toekomstbestendig DRU Industriepark.
Dat is ook de opdracht waarmee ik medio mei ben begonnen en die voor mij nog steeds leidend is.
Overige vragen (CDA)
1. De leningen en kortlopende schulden lopen op. Normaal zou een bedrijf bij speciaal beheer komen zodat een bank in kan grijpen als het uit de hand loopt. Heeft de Gemeente/college deze achtervang en zo-ja welke? Bestaat er een noodlijn en zo-niet wil men deze inbouwen?
Antw: Nee, deze achtervang hebben we niet. Door middel van kwartaalrapportages en de gesprekken die we voeren proberen we er zo kort mogelijk op te zitten. En ook een raad van toezicht zit er voor om tijdig in te grijpen als dat nodig is.
2. Cultuur kost geld maar leeft op het draagvlak van de bevolking, is het college tevreden met het draagvlak of willen zij dit vergroten?
Antw: Als college willen we een zo groot mogelijk draagvlak creëren. Maar we moeten ook reëel zijn, we kunnen niet alle inwoners van de Oude IJsselstreek naar de zin maken op ieder vlak. De dru is ook meer dan cultuur.
3. Verenigingen en ondernemers kijken met argusogen naar hoe de DRU en gemeente met elkaar omgaan en dat de gemeente fungeert als pinautomaat voor de DRU. Wat kunnen de verenigingen en ondernemers verwachten als zij ook aankloppen omdat zij de touwtjes niet meer aan elkaar kunnen knopen?
Antw: We vergelijken hier appels met peren. In het verleden hebben we ook beslissingen genomen om verenigingen te helpen. Iedere situatie betekent maatwerk. In geval van de Dru spelen er meerdere belangen, als eigenaar, gebruiker en subsidieverstrekker.