Hardinxveld-Giessendam, 24 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 4 oktober 2026.
RAADSVRAGEN
Onderwerp: Vereveningsfonds bouw sociale huurwoningen
Naam steller: Benjamin van de Velde Partij: PRO
Categorie: Raadsvragen over niet geagendeerde stukken
Toelichting Op 25 september 2025 is door de gemeenteraad raadsbreed motie M33 “Instellen vereveningsfonds sociale huurwoningen” aangenomen. Hierin wordt het college verzocht:
1. Vervolgstappen te zetten om te komen tot een concreet raadsvoorstel tot instelling van een vereveningsfonds sociale huurwoningen. 2. Een voorstel hiertoe nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 voor te leggen aan de gemeenteraad.
In vervolg op deze motie is tijdens de raad van 29 januari 2026 gevraagd naar de stand van zaken gevraagd ten aanzien van de uitvoering hiervan. Als reactie hierop is door wethouder Arjan Meerkerk het volgend toegezegd:
- Het college spant zich in om voor de zomer 2026 een raadsvoorstel aan de gemeenteraad voor te leggen inzake de instelling van een Vereveningsfonds sociale huurwoningen.
Tijdens de raad van 11 juni 2026 zijn opnieuw vragen gesteld over de planning van het vereveningsfonds. Door de wethouder is toen aangegeven dat een voorstel pas eind 2026 aan de orde is, afhankelijk van de opstelling van regionaal woningbouwprogramma, en zo mogelijk pas in de loop van 2027 naar de raad komt.
Vraag 1: Wat is de reden waarom de planning steeds verder opschuift?
_Reactie college_ Naar aanleiding van door de raad aangenomen motie over een vereveningsfonds sociale huurwoningen zijn als eerste vervolgstappen gezet die de noodzakelijke beleidsmatige basis bieden om tot de instelling van een fonds te kunnen besluiten. Zowel in de door de raad vastgestelde Omgevingsvisie als in het vastgestelde Volkshuisvestingsprogramma 2026 is de mogelijke instelling van een vereveningsfonds benoemd. Deze beleidsstukken zijn nodig als beleidsmatige verankering van een vereveningsfonds sociale huurwoningen.
Eén van de doelen van het Volkshuisvestingsprogramma 2026 is het realiseren van een gedifferentieerd woningbouwprogramma met een voldoende aandeel betaalbare en sociale huurwoningen. In het Volkshuisvestingsprogramma zijn de grove schetsen van het woningbouwprogramma weergegeven; dat wordt nu verder uitgewerkt in een gedetailleerd bouwprogramma, geconcretiseerd naar woningcategorieën en op het niveau van concrete bouwlocaties.
Het woningbouwprogramma is de noodzakelijke onderbouwing voor een in te stellen vereveningsfonds: in hoeverre voorziet het woningbouwprogramma al in de realisatie van voldoende sociale huurwoningen, of is het nodig om met behulp van een fonds de realisatie van sociale huurwoningen te stimuleren en om hoeveel woningen gaat het dan? Kortom: het college ziet het vereveningsfonds als een mogelijk en kansrijk middel om het doel van voldoende sociale huurwoningen te behalen, maar wil hier wel een degelijke onderbouwing voor hebben. In het uiterste geval kan dit betekenen dat het middel niet nodig is om het doel te bereiken. Dan is veel inzet, met de nodige financiële en juridische vraagstukken, voor de instelling van een fonds overbodig. Het college wil hier echter nu nog niet op vooruitlopen en zal de raad meenemen in de afwegingen en keuzes.
Het woningbouwprogramma is naar verwachting in het derde kwartaal van 2026 gereed en zal dan met de raad gedeeld worden. Ondertussen wordt het voorstel tot besluitvorming over de instelling van een vereveningsfonds voorbereid, dat naar verwachting eind 2026 gereed is voor bestuurlijke behandeling (e.e.a. afhankelijk van de gelijktijdige voorbereiding van een regionaal woningbouwprogramma, als verplichting vanuit de Wet regie). De raad wordt tijdig betrokken bij de uitgangspunten/keuzes over de inrichting en werking van een vereveningsfonds
Bovenstaande toelichting maakt duidelijk dat de nodige voorbereidingen en onderbouwingen om te kunnen besluiten over instelling van een vereveningsfonds worden doorlopen en dat deelproducten worden afgerond. Aan het begin van dit proces was de doorlooptijd hiervan nog niet gedetailleerd te onderbouwen en mede afhankelijk van stappen waar de gemeente slechts gedeeltelijk invloed op heeft, zoals de opstelling van een regionaal woningbouwprogramma. Het is daardoor niet haalbaar gebleken om voor de zomer een uitgewerkt voorstel ter bestuurlijke behandeling voor te leggen, waarvoor het college had toegezegd zich te zullen inspannen. Zoals hiervoor beschreven is de planning voor bestuurlijke behandeling nu concreter in te vullen.
Vraag 2: Waarom zijn de oorzaken van het uitstel niet eerder voorzien en waarom is hier niet op ingespeeld?
_Reactie college_ Zoals toegelicht zijn er diverse voorbereidingen en onderbouwingen benodigd voor een vereveningsfonds en is dit proces mede afhankelijk van stappen waar de gemeente slechts gedeeltelijk invloed op heeft.
Vraag 3: Waarom heeft het college de gemeenteraad niet proactief geïnformeerd over het uitstel en is dit pas aan de orde gekomen na vragen vanuit de raad op 11 juni?
_Reactie college_ Zowel informatief als in antwoord op raadsvragen heeft het college het proces tot voorbereiding van een voorstel tot instelling van een vereveningsfonds aan de raad toegelicht en de noodzakelijke stappen daartoe beschreven.
Vraag 4: Welke stappen zet het college vanaf heden tot aan het aanbieden van een raadsvoorstel voor het instellen van een vereveningsfonds en wat is de planning hierbij?
_Reactie college_ Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 5: Met betrekking tot de instelling van een vereveningsfonds zijn er diverse keuzes te maken o.a. de reikwijdte van het fonds, de hoogte van de bijdragen, de wijze en criteria voor het toekennen van bijdragen vanuit het fonds aan ontwikkelingen. Op welke manier is het college voornemens de gemeenteraad vooraf te betrekken bij het maken van deze keuzes in opmaat naar het raadsvoorstel tot instelling van het vereveningsfonds?
_Reactie college_ Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 zal het college de raad tijdig betrekken bij de uitgangspunten/keuzes over de inrichting en werking van een fonds. Na het zomerreces wordt de raad geïnformeerd over de precieze wijze en moment waarop het college voorstelt dit te doen plaatsvinden.
- 2